Rechtspraak Raad van State 1999-11-23
ECLI:NL:RVS:1999:AA5058
Raad vanState H01.98.1720. Datum uitspraak: 23 november 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Maastricht, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 24 augustus 1998 in het geding tussen: 1. [vergunninghouder A] te [woonplaats], 2. [vergunninghouder B] te [woonplaats] , en appellant. 1 . Procesverloop Bij besluit van 10 januari 1996 heeft appellant afgewezen het verzoek om de op naam van [vergunninghouder A] verleende vergunning tot exploitatie van coffeeshop […] aan de […]straat […] te Maastricht over te schrijven op naam van [vergunninghouder B]. Bij besluit van 2 juli 1996 heeft appellant het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de hoor- en adviescommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht. Bij uitspraak van 24 augustus 1998, verzonden op 24 augustus 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) de tegen dit besluit ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de burgemeester een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 september 1998, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 november 1998. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 26 februari 1999 hebben [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr P.M. Hermans, ambtenaar der gemeente, en [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B], bijgestaan door mr H.G.M.F. Rothkranz en mr D.F.G.A.M. Tripels, advocaten te Maastricht, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 2.3.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Maastricht (hierna: de APV) wordt onder inrichting verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de APV is het verboden een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.l., eerste lid, onder a, sub 3, te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Ingevolge artikel 2.3.1.2, tweede lid, onder a, van de APV kan de burgemeester de ingevolge het eerste lid vereiste vergunning weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. Ingevolge artikel 2.3.1.3, eerste lid, van de APV kan de burgemeester bij openbaar bekend te maken besluit bepalen dat het gestelde in artikel 2.3.1.2 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. 2.2. Bij besluit van 3 mei 1994 heeft appellant, met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.3.1.3, eerste lid, van de APV, bepaald dat vorenbedoelde vergunningplicht niet geldt voor alle inrichtingen als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, onder a, sub 3, van de APV, zulks met uitzondering van coffeeshops, theehuizen, e.d. onder welke benaming dan ook. Bij dit besluit, voor zover van belang, is tevens bepaald dat nieuwe vestigingen vergunningplichtig zijn en blijven, waarbij onder nieuwe vestigingen mede wordt verstaan, een op 8 december 1993 bestaande onderneming die op of na genoemde datum door een andere exploitant is of wordt overgenomen. 2.3. Bi j de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 2.3.1.2, tweede lid, onder a, van de APV hanteert appellant het beleid neergelegd in de Voortgangsrapportage toepass