Rechtspraak Raad van State 1999-10-26
ECLI:NL:RVS:1999:AA5056
Raad van State E01.97.0672. Datum uitspraak: 26 oktober 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1 . de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg' ', gevestigd te Maastricht, de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg", gevestigd te Margraten en de stichting "Stichting Aktiegroep Industrieterrein Langveld", gevestigdte Bocholtz, en 2. de vereniging "Das & Boom", gevestigd te Beek Ubbergen appellanten en gedeputeerde staten van Limburg verweerders. 1 . Procesverloop De raad van de gemeente Heerlen heeft bij besluit van 4 maart 1997 op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 februari 1997 het bestemmingsplan "Grensoverschrijdend bedrijventerrein GOB Aachen-Heerlen" vastgesteld. Dit besluit en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aangehecht. Verweerders hebben bij besluit van 14 oktober 1997, kenmerk 97/48489M, over de goedkeuring van dat bestemmingsplan beslist. Het besluit van verweerders is aangehecht. Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 18 december 1997, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 1997, en appellante sub 2 bij brief van 17 december 1997, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 1997, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 30 januari 1998 en 18 februari 1998. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 29 juli 1998 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigen be richt uitgebracht, gedateerd 19 februari 1999. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 1 en burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 1999, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr H.J.L. Kerkhoffs, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr H.J.M. van Achten, mr I.M.D. Vossen en drs H.F.M. van Sloun, allen ambtenaar der provincie, zijn verschenen. De raad van de gemeente Heerlen heeft zich doen vertegenwoordigen door mr N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, J. Pleumeekers, burgemeester, en T. Thywissen, gemachtigde. Verder hebben mr A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, namens de naamloze vennootschap "GOB N.V." en mr A. Hofstede-Bron en L. Wijlaars, beiden ambtenaar ten departemente, namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het woord gevoerd. 2. Overwegingen 2.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid 2.1.1. Ingevolge artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan tegen een besluit van gedeputeerde staten inzake de goedkeuring van een bestemmingsplan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot goedkeuring kan het beroep worden ingesteld door degene die zich tijdig op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten heeft gewend, alsmede door een belanghebbende die aantoont dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest. 2.1.2. In artikel 27, eerste lid, is bepaald dat degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar heeft gemaakt, alsmede een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest overeenkomstig artikel 23 zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten schriftelijk bedenkingen kan inbrengen tegen het bestemmingsplan. In het tweede lid is bepaald dat, voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn daartegen schriftelijke bedenkingen bij gedeputeerde staten kan inbrengen. 2.1.3. Blijkens de stukken hebben appellanten sub 1 hun zienswijzen met betrekking tot d Verweerders hebben in redelijkheid kunnen overwegen dat deze werkgelegenheid niet alleen van belang is voor hoger opgeleiden, maar tevens noodzakelijk is voor de economische en maatschappelijke positie van het oostelijke gedeelte van Zuid-Limburg, aangezien hiermee een voorwaarde wordt geschapen voor een gezonde en evenwichtige bevolkingsopbouw. 2.5.3. Ten slotte overweegt de Afdeling in dit verband dat appellanten evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat de stijging van het aantal arbeidsplaatsen, die wordt geraamd op 7.000 tot 16.000, te hoog is ingeschat. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de door verweerders aan hun besluit ten grondslag gelegde berekening van de groei van de werkgelegenheid is gelet op de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het plan, waarbij met diverse invullingen rekening is gehouden. Appellanten sub 1 hebben ter onderbouwing van hun bezwaar op dit punt het rapport "Groeien aan de grens" ingebracht, waarin wordt uitgegaan van een stijging van ongeveer 4.000 arbeidsplaatsen. Hierin wordt echter slechts uitgegaan van de arbeidsbezetting van twee specifieke bestaande bedrijven en geen rekening gehouden met de in het plan toegestane andersoortige bedrijvigheid. Evenmin wordt in dat rapport rekening gehouden met een bepaald economisch scenario. 2.5.4. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen volgt dat verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de noodzaak van de aanleg van het GOB, zoals die door het plan mogelijk wordt gemaakt, hebben kunnen onderschrijven. 2.6. Appellanten sub 1 stellen dat de aanleg van het GOB ten koste zal gaan van de open groene bufferzone annex ecologische verbindingszone tussen de stedelijke gebieden van Aken en Heerlen/Kerkrade. De bedrijfsbebouwing zal, zo vinden zij, een verstorende werking hebben op het landschap. 2.6.1. De aanleg van het GOB is voorzien op een heuvel in een open akkerbouwgebied. Dit akkerbouwgebied vormt een ecologische verbindingszone. Hier omheen vormen de stedelijke gebieden van Heerlen, Kerkrade, Herzogenrath en Aken een nagenoeg gesloten bebouwingsfront in het noorden en het oosten. Ten zuiden en westen van dit gebied ligt bebouwing met een dorpsachtig karakter. In het gebied zelf maakt het plan bebouwing mogelijk tot een hoogte die overeenkomt met maximaal 7 bouwlagen. 2.6.2. Verweerders hebben overwogen dat er in hun ogen geen sprake is van een onaanvaardbare verslechtering van de situatie, gelet op het grote maatschappelijke belang dat wordt gediend met de aanleg van het bedrijventerrein. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de uitgevoerde milieu-effectrapportage naar voren komt dat bij een autonome ontwikkeling van het gebied tot 2010 het omringende gebied meer en meer zal verstedelijken, waardoor, aldus de milieueffectrapportage, de ecologische functies van het gebied zullen worden aangetast. Zo wordt ten zuidoosten van het plangebied de woonkern Richterich uitgebreid. Voorts zal ten noorden van het plangebied een grootschalige ontsluiting van nieuwe industriegebieden worden aangelegd en ten zuiden daarvan een windmolenpark. Ook wordt ten zuiden van het plangebied een biogasinstallatie gebouwd. Hoewel appellanten sub 1 op sommige punten twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze milieu-effectrapportage is de Afdeling niet gebleken dat verweerders niet van de juistheid daarvan konden uitgaan. 2.7. Appellanten sub 1 vinden ook dat te weinig alternatieve locaties zijn onderzocht voor de vestiging van het bedrijventerrein. Met name is onvoldoende bezien of de bestaande bedrijventerreinen voldoende capaciteit hebben. 2.7.1. Blijkens de plantoelichting zijn in 1991 vijf alternatieve locaties onderzocht voor de aanleg van een bedrijventerrein. Hieruit kwam naar voren dat de lokatie Richterich-Heerlen, waarvan het plangebied een onderdeel vormt, het meest geschikt is voor de aanleg van een grensoverschrijdend bedrijventerrein. Niet is gebleken dat dit onderzo De lijst moet binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie worden toegezonden. Het tweede lid, eerste alinea, bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Commissie een ontwerp-lijst van gebieden van communautair belang uitwerkt. De derde alinea van dit artikellid bepaalt dat de Commissie volgens de procedure van artikel 21 een lijst van gebieden van communautair belang vaststelt. Het derde lid bepaalt dat dit dient te geschieden binnen zes jaar na kennisgeving van de richtlijn. Het vierde lid van dit artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staat gebieden van communautair belang zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aanwijst als speciale beschermingszone. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt ten slotte dat, zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid gelden. 2.8.6. Artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staten voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen treffen. Het tweede lid geeft aan, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Het derde lid geeft aan wanneer een Lid-Staat toestemming kan geven voor projecten of plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor het gebied. Het vierde lid handelt - kortweg gezegd- over het treffen van compenserende maatregelen. 2.8.7. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de Commissie de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, derde alinea, van de Habitatrichtlijn nog niet had vastgesteld. Evenmin was het plangebied ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aangewezen ais speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn. De daarvoor in artikel 4, derde lid, van de Habitatrichtlijn respectievelijk artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn gestelde termijnen waren beide ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet verstreken. Reeds hierom kan het beroep van appellanten sub 1 en 2 op artikel 6 van de Habitatrichtlijn niet slagen. 2.8.8. Artikel 12 tot en met artikel 16 van de Habitatrichtlijn hebben betrekking op de bescherming van soorten. Hierin is onder meer het volgende bepaald. 2.8.9. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Habitatrichtlijn, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op de beschadiging van of de vernieling van voortplantings- of rustplaatsen. De hamster (cricetus cricetus) wordt op deze lijst vermeld. 2.8.10. Artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn bepaalt dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, de Lid-Staten in de in dit artikellid nader omschreven gevallen mogen afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a) en b). 2.8.11. Voorzover appellanten sub 1 een beroep doen op schending van artikel 12 , eerste lid, aanhef en onder d., van de Habitatrichtlijn, overweegt de Afdeling het volgende. 2.8.12. De hamster is krachtens artikel 22, aanhef en onder b, van de Natuurbeschermingswet, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit beschermde inheemse diersoorten aangewezen als beschermde diersoort. Ingevolge artikel 24, derde lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is het verboden zonder noodzaak een dier, behorende tot een beschermde diersoort, te v Verwacht wordt, aldus de milieu-effectrapportage, dat door het verlies aan leefruimten van circa 40 broedvogels het aantal broedparen meer of minder sterk achteruit zal gaan. Ook het aantal vleermuizen en dassen zal achteruitgaan. De noodzakelijke bescherming van deze en andere getroffen populaties kan worden gerealiseerd, aldus de milieu-effectrapportage, door een verbetering van de kwaliteit van gebieden waarin intensieve landbouw wordt bedreven. Dergelijke compensatiegebieden liggen echter niet in het plangebied maar wel in de Horbacher Börde, een gebied ten oosten van het plangebied. 2.9.3. Blijkens de plantoelichting zijn in de Horbacher Börde drie compensatiegebieden aangewezen met een totale oppervlakte van ongeveer 350 hectare. Hiervan moet ongeveer 40 hectare op een natuurvriendelijke wijze worden beheerd door extensivering van het agrarisch gebruik en door verrijking van de structuur. Om de compensatie te laten slagen moet er, aldus de plantoelichting, aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Zo moeten onder meer deze gronden beschikbaar zijn op het moment dat het plan wordt uitgevoerd en moet het recreatieve gebruik in het gebied worden beperkt. Aan een en ander zal vorm worden gegeven door het ontwikkelen van een compensatieplan. Daarnaast dienen beheersovereenkomsten te worden afgesloten met een looptijd van vijf tot twintig jaar om het landbouwgebruik natuurvriendelijker te maken. i 2.9.4 Verweerders hebben zich blijkens hun bestreden besluit aangesloten bij hetgeen over de compenserende maatregelen in de plantoelichting is vermeld.Daarbij hebben zij onder meer overwogen dat er beheersovereenkomsten worden afgesloten met agrariërs in het gebied rond Horbach en dat momenteel al een groot deel van het compensatiegebied beschikbaar is. 2.9.5. Appellanten sub 1 hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerders hiermee een standpunt hebben ingenomen waartoe zij in redelijkheid niet hebben kunnen komen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de milieueffectrapportage naar voren komt dat landschapsplanologisch gezien de Horbacher Börde het meest geschikte gebied is voor het treffen van compenserende maatregelen. Niet is gebleken dat niet wordt voldaan aan de in de milieueffectrapportage gestelde randvoorwaarden. Weliswaar was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het compensatiegebied nog niet geheel beschikbaar, maar hierin kan geen aanleiding worden gevonden het bestreden besluit te vernietigen, gelet op de gefaseerde aanleg van het bedrijventerrein. Bij dit oordeel heeft de Afdeling het meergenoemde rapport van IWACO betrokken, waarin staat dat voordat met de ontwikkeling van het GOB wordt gestart een kwart van de voorgestelde compensatiemaatregelen moet zijn gerealiseerd. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het treffen van de compenserende maatregelen zodanig onzeker dan wel gebrekkig was dat verweerders hierin in redelijkheid aanleiding hadden moeten zien aan het plan goedkeuring te onthouden. Gelet op het voorgaande is de Afdeling evenmin gebleken dat verweerders in strijd hebben gehandeld met het natuurcompensatiebeleid. 2.10. Uit hetgeen appellanten voor het overige naar voren hebben gebracht kan de Afdeling niet de conclusie trekken dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Hieruit volgt dat de beroepen voor het overige ongegrond zijn. 2.10.1. Verweerders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld. Verweerders dienen in beginsel ook in de proceskosten van appellante sub 2 te worden veroordeeld, doch niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen. 3. Beslissing 1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 gegrond; II. vernietigt het besluit van gedep