Rechtspraak Raad van State 1999-12-30
ECLI:NL:RVS:1999:AA4295
Raad van State HO1.99.0611. Datum uitspraak: 30 DEC. 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A te B, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 1 april 1999 in het geding tussen: appellant en de Minister van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 december 1997 heeft de korpschef in de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpschef) het op 8 oktober 1997 aan appellant verleende verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen van de categorie li( ten behoeve van de schietsport, ingetrokken. Bij besluit van 21 oktober 1998 heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) het hiertegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het besluit van de korpschef in stand gelaten. Het besluit van de Minister is aangehecht. Bij uitspraak van 1 april 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van de Minister door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juni 1999. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 4 augustus 1999 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 1999, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr H.A.M. Lamers, gemachtigde, en de Minister, vertegenwoordigd door R. Kokee, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) worden de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, geweigerd indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b en f, van de Wwm, kunnen de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend, of door de Minister worden gewijzigd of ingetrokken, indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd, of wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende redenen bestaan. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wwm wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie IIl, verleend door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt een verlof verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan vormen. Ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Wwm volgen de korpschefs bij de uitvoering van deze wet de aanwijzingen van de Minister. De Circulaire Wapens en Munitie 1997 (Stcrt. 1997, 180; hierna: Cwm) vormt een geheel van algemene aanwijzingen voor de ambtenaren belast met de uitvoering van de wapenwetgeving. In onderdeel B/4.3 van de Cwm - met de titel "Geen vrees voor misbruik" - is voor de beoordeling van onder meer de vraag of er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd, een aantal concrete criteria gegeven. Gesteld is onder meer dat de aanvrager niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak mag zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens de Wwm. Daarbij is vermeld dat er ruimte bestaat om van deze leidraad af te wijken. Een kortere peri