Rechtspraak Raad van State 1999-09-23
ECLI:NL:RVS:1999:AA4210
Raad van State E01.96.0330 Datum uitspraak: 23 september 1999. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. raad van de gemeente West Maas en Waal, 2. A te B, 3. de heer en mevrouw C te D, 4. E te B, 5. F te G, 6. H te B, 7. Stichting Komitee Waakzaamheid F3 te Maasbommel, 8. Kerkbestuur Parochie Maasbommel te Maasbommel, 9. Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond, afdeling West Maas en Waal te Beneden Leeuwen, 10. de Vereniging "Dorpscomité Maasbommel" te Maasbommel, 11. de Stichting "Vrienden van de Doorbraak" te Beneden Leeuwen, 12. I te B 13. de heer en mevrouw J te K, 14. L te B, 15. M te B, 16. N te B, 17. O te B, 18. P en Q te R, S te B, T te U, de Kerkvoogdij van de Protestantse gemeente Altforst te Alphen aan de Maas en V te G, 19. W te K, 20. X te B 21. Y te G, Z te B en AA te BB, 22. de naamloze vennootschappen "N.V. Het Nijmeegs Bagger- en Aannemersbedrijf" en "NV. Grint Maatschappij", beide te Arnhem. en 22. CC te B, appellanten en gedeputeerde staten van Gelderland verweerders. 1 Procesverloop Bij besluit van 25 juni 1996, kenmerk RG93.12874, hebben verweerders: I. aan "Gelderzand F B.V. c.q. Watergoed B.V." te Nijmegen een vergunning onder voorwaarden krachtens de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van de in het besluit omschreven percelen, kadastraal bekend gemeente Appeltern, secties L en F; II. de bij besluit van 4 januari 1983 verleende vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, nummer 80-104315-LL523, gewijzigd bij besluiten van 14 maart 1983, 23 augustus 1984 en 5 januari 1989, voor het terrein kadastraal bekend gemeente Appeltern, sectie F, nummers 8 en 9, op naam gesteld van "Gelderzand F B.V. c.q. Watergoed B.V.", onder toevoeging van nadere voorwaarden. Dit besluit is aangehecht. Tegen dit besluit hebben appellant sub 1, bij brief van 8 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 22 oktober 1996, appellant sub 2, bij brief van 21 juli 1996, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 1996, appellanten sub 3, bij brief van 30 juli 1996, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 1996, en aangevuld bij brief van 18 september 1996, appellant sub 4, bij brief van 7 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 1996, appellante sub 5, bij brief van 9 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 1996, en aangevuld bij brieven van 3 september 1996 en 20 oktober 1996, appellant sub 6, bij brief van 12 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 10 september 1996, appellante sub 7, bij brief van 15 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 12 september 1996, appellant sub 8, bij brief van 16 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 18 september 1996, appellante sub 9, bij brief van 16 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 18 september 1996, appellante sub 10, bij brief van 16 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 5 september 1996, appellante sub 11, bij brief van 16 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 11 september 1996, appellant sub 12, bij brief van 14 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 1996, appellanten sub 13, bij brief van 19 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 1996, appellant sub 14, bij brief van 2 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 1996, appellant sub 15, bij brief van 31 juli 1996, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 1996, appellant sub 16, bij brief van 14 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 1996, appellant sub 17, bij brief van 19 augustus 1996, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 1996, en aangevuld bij brief van 18 september 1996, Het gebied, ook wel aangeduid ais de F3B-locatie, is ongeveer 331 hectare groot, waarvan ongeveer 187 hectare zal worden ontzand. Met de ontgronding is beoogd ongeveer 36 miljoen ton beton- en metselzand voor de landelijke industriezandvoorziening te winnen. Als nevenproducten zullen bij de ontgronding ongeveer 22 miljoen m' ophoogzand, ongeveer 3 miljoen ton grind en ongeveer 7 miljoen m' klei vrijkomen. De materialen zullen worden gewonnen door drijvende verwerkings- en beladingsinstallaties en grotendeels per schip over de Maas worden afgevoerd. De afvoer van de gewonnen delfstoffen per schip zal plaatsvinden via achtereenvolgend een schutsluis in de Maasbandijk, een kanaal en de tussen het kanaal en de Maas gelegen Voorplas. Ter plaatse van de schutsluis, gelegen bij Nieuwe Schans, zal een vaste brug worden gebouwd voor het verkeer uit de omgeving. De schutsluis en de vaste brug zullen na afloop van de ontzanding weer worden verwijderd, waarna de dijk in de oorspronkelijke staat zal worden teruggebracht en het kanaal zal worden gedempt. Er zal worden ontgrond tot een diepte van maximaal 39,25 meter -NAP (ongeveer 44 meter beneden het huidige maaiveld). In het te ontgronden gebied zal een waterplas ontstaan, onderverdeeld in een oostelijk deel, een westelijk deel en een kleinere vijver (de "watergoedvijver"). De waterplas zal na afloop van de ontgronding een totale oppervlakte hebben van ongeveer 214 hectare. Zowel tijdens als na afloop van de ontgronding zal herinrichting van het gebied plaatsvinden. In het kader van de herinrichting zullen veiligheidsvoorzieningen, infrastructurele werken en voorzieningen voor natuurontwikkeling en recreatie worden gerealiseerd. De ontzandings- en herinrichtingsactiviteiten zullen in verschillende fasen plaatsvinden in een periode van maximaal 16 jaar. De start van de ontzanding en de bouw van de schutsluis zullen gelijktijdig plaatsvinden, zodat afvoer per schip tijdens de eerste fase nog niet mogelijk is. Om die reden zal de specie tijdens de bouw van de schutsluis via een persleiding naar de Voorplas worden gespoten en daar worden gebufferd. Het beladen van schepen zal dan plaatsvinden door het gebufferde zand opnieuw op te zuigen. 2.1.2 Het te ontgronden gebied heeft thans voor het overgrote deel een agrarische functie. In het gebied is tevens een eendenkooi aanwezig. Ter plaatse van de eendenkooi, die zal worden geïntegreerd in de randzone van de herinrichting, zal geen ontgronding plaatsvinden. 2.1.2.2. Naast verlening van de bovenomschreven vergunning hebben verweerders bij het bestreden besluit de op 4 januari 1983 verleende ontgrondingsvergunning voor de Voorplas, welke vergunning nadien is gewijzigd, op naam gesteld van "Gelderzand F B.V. c.q. Watergoed B.V.". De Voorplas is een voltooide uiterwaard-ontgronding die ligt tussen het dorp Nieuwe Schans en de Maas. Zoals gezegd, zal deze worden gebruikt als transportroute voor de afvoer van materialen. Ook zal in de Voorplas een onderwaterdepot voor zand worden aangelegd. 2.1.3. Ontvankelijkheid beroepen 2.1.3. 1. Zowel namens verweerders als namens de vergunninghoudster is de vraag opgeworpen of de appellanten sub 10, 11 en 22, die geen bezwaren hebben ingediend tegen de vergunningaanvraag, in hun beroepen kunnen worden ontvangen. De Afdeling overweegt hierover het volgende. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Ontgrondingenwet -zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 januari 1994 - kan tegen een besluit als hier aan de orde beroep worden ingesteld door belanghebbenden. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De Afdeling stelt vast dat met ingang van 1 januari 1994 noch in de Ontgrondingenwet noch in de Algemene wet bestuursrecht het vereiste is gesteld dat uitsluitend beroep tegen het besluit tot verlening van een ontgrondingsvergunning openstaat voor degenen die bezwaar hebben gemaakt teg In artikel 8 is bepaald dat in het kader van de vergunningprocedure rekening wordt gehouden met de overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 ingewonnen informatie. In de bij de Richtlijn behorende bijlage 11 is onder 2c genoemd de winning van niet-metallische en niet-energetische delfstoffen zoals marmer, zand, grind, schist, zout, fosfaten en kaliumcarbonaat. Op grond van evengenoemde bepalingen van de Richtlijn moet, voordat een vergunning wordt verleend voor de winning van zand en grind, een milieu-effectrapport (verder te noemen: MER) worden opgesteld voorzover dit volgt uit de in de nationale regelgeving gestelde criteria. Onder het verlenen van een vergunning moet in dit verband - gelet op artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn - worden verstaan het besluit van de bevoegde instantie(s) waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze wet luidde ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van overheidsorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt. Ten tijde van het indienen van de aanvraag die aan de verleende vergunning ten grondslag ligt, was het Besluit milieu-effectrapportage van 20 mei 1987 (Stb. 1987, 278), zoals gewijzigd bij Besluit van 24 februari 1992, van kracht (verder te noemen: Besluit MER 1987). Ingevolge artikel 2, eerste lid, in samenhang met bijlage-onderdeel C, onder 16.1, van het Besluit MER 1987 is het opstellen van een MER voor de winning van oppervlaktedelfstoffen verplicht in gevallen waarin het een winplaats van 100 hectare of meer betreft. Deze verplichting is gekoppeld aan het besluit tot aanwijzing van een winplaats, dan wel bij ontbreken daarvan het besluit ingevolge artikel 3 van de Ontgrondingenwet (Stb. 1965, 509) of het besluit ingevolge artikel 4 van de Rivierenwet (Stb. 1908, 339). Op grond van artikel 7. 10, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag, bevat een MER ten minste: a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd; b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen; c. een aanduiding van de besluiten bij de voorbereiding waarvan het MER wordt gemaakt, en een overzicht van de eerder genomen besluiten van overheidsorganen, die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven; d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen; . e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven; f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven gevolgen voor het milieu van eik der in beschouwing genomen alternatieven; g. een overzicht van de leemten in de onder d en e bedoelde beschrijvingen ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens; h. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het MER en van de daarin beschreven gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven. In artikel 7.27, tweede lid, van de Wet milieubeheer was ten tijde van het indienen In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat bij projecten die krachtens artikel 4 moeten worden onderworpen aan een milieu-effectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, de lidstaten de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de opdrachtgever in passende vorm de in bijlage 111 bedoelde informatie verstrekt, voorzover: a. de lidstaten deze informatie van belang achten in een bepaald stadium van de vergunningprocedure en voor de specifieke kenmerken van een specifiek project of van een projecttype en van het milieu dat hierdoor kan worden beïnvloed; b. de lidstaten, onder meer op grond van de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, menen dat redelijkerwijs van een opdrachtgever mag worden verlangd dat hij de gegevens verzamelt. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Richtlijn moet de informatie die de opdrachtgever overeenkomstig het eerste lid moet verstrekken, ten minste het volgende bevatten: een beschrijving van het project met informatie omtrent vestigingsplaats, aard en omvang; een beschrijving van de beoogde maatregelen om belangrijke nadelige effecten te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen; de nodige gegevens om de vermoedelijke significante milieu-effecten van het project te kunnen bepalen en beoordelen; een niet-technische samenvatting van de in het eerste, tweede en derde streepje bedoelde gegevens. De bij de Richtlijn behorende bijlage 111 bevat informatie overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Richtlijn. De Afdeling overweegt dat uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de Richtlijn, in onderlinge samenhang bezien, voortvloeit dat een MER dat in een eerder stadium is uitgevoerd (in het voorliggende geval: ten behoeve van het besluit tot aanwijzing van een winplaats), kan dienen als basis voor het verlenen van een vergunning (in dit geval: de ontgrondingsvergunning) als dit MER op het moment van de vergunningverlening voldoet aan de in artikel 5, tweede lid, van de Richtlijn bedoelde inhoudseisen. De Afdeling overweegt dat de artikelen 7.2, eerste lid, 7.10 en 7.27 van de Wet milieubeheer juncto artikel 2, eerste lid, van het Besluit MER 1987 in samenhang met bijlage-onderdeel C, onder 16. 1, van dat besluit - gelezen in onderlinge samenhang en bezien in het licht van de hiervoor weergegeven bepalingen van de Richtlijn - aldus moeten worden uitgelegd dat een MER, opgesteld ten behoeve van de aanwijzing van een winplaats, ten grondslag kan worden gelegd aan een besluit tot verlening van een ontgrondingsvergunning voor deze winplaats als het MER ten tijde van de vergunningverlening voldoet aan de inhoudseisen, gesteld in artikel 5, tweede lid, van de Richtlijn. Dit betekent, bezien in het licht van deze inhoudseisen, dat het project waarvoor de vergunning wordt verleend niet wezenlijk mag verschillen van het project waarvoor het MER is opgesteld en dat het MER voldoende actueel moet zijn. Wanneer de hiervoor genoemde bepalingen van de Wet milieubeheer en het Besluit MER 1987 aldus worden uitgelegd, kan naar het oordeel van de Afdeling op dit punt evenmin worden staande gehouden dat de Richtlijn onjuist in de nationale regelgeving is geïmplementeerd. 2.2.1.4. Met inachtneming van het vorenstaande dient te worden bezien of bij de voorbereiding van de voorliggende ontgrondingsvergunning - die naar het oordeel van de Afdeling dient te worden aangemerkt als een vergunning in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn - een aanvullend inrichtings-MER had moeten worden opgesteld. De Afdeling overweegt hierover het volgende. In opdracht van de provincie Gelderland is het locatie-MER opgesteld ten behoeve van de aanwijzing in het IZP 2e fase van een locatie voor grootschalige zandwinning. In het locatie-MER zijn drie mogelijke zandwinlocaties met elkaar vergeleken. Daarbij is onder meer ingegaan op de effecten die ontgronding op de diverse winlocaties zal hebben op de geo(morfo)logie en de bodem, op de hydrologie en op de waterkwaliteit. Ook is bezien welke effec Tevens is daarbij vermeld dat in de Voorplas een onderwaterdepot zal worden gevormd, waarin tijdelijk zand kan worden opgeslagen. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden geoordeeld dat in het locatie-MER en de vergunningaanvraag geen rekening is gehouden met het gebruik van de Voorplas ten behoeve van de voorliggende ontgronding. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat de aanvraag met de daarbij overgelegde gegevens onvoldoende informatie bevat om een beoordeling van de aanvraag - met het oog op de afweging van alle bij de ontgronding betrokken belangen - mogelijk te maken. De desbetreffende bezwaren van appellanten sub 1, 3, 7 en 23 zijn derhalve niet gegrond. 2.2.2. Coördinatie met Wet verontreiniging oppervlaktewateren Appellanten sub 1 en 3 hebben naar voren gebracht dat voor het terugstorten van klei in de toekomstige winplas een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder te noemen: VVV0) is vereist. Nu een dergelijke vergunning niet is verleend, hebben verweerders zich naar de mening van appellant sub 1 ten onrechte niet gehouden aan de door hen gedane toezegging dat zij gebruik zullen maken van hun bevoegdheid om verschillende vergunningprocedures te coördineren. De Afdeling stelt voorop dat er ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag geen wettelijke verplichting bestond om aanvragen om het verlenen van vergunningen krachtens de Ontgrondingenwet en de WVO gecoördineerd te behandelen. Verder ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders hebben gehandeld in strijd met de door hen gedane toezegging om de vergunningaanvragen, die voor dit uitvoering van het F3B-project moeten worden ingediend, gecoördineerd te behandelen. Uit de stukken blijkt immers dat de hoofdingenieur-directeur van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat en het Zuiveringsschap Rivierenland (bevoegde gezagen op grond van de WVO) zich op het standpunt stellen dat geen Vs/VO-vergunning hoeft te worden aangevraagd. Daarbij merkt de Afdeling op dat de vraag of evengenoemde bevoegde gezagen dit standpunt terecht hebben ingenomen, in deze procedure niet aan de orde kan komen. De desbetreffende bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.2.3. Strijd met EVRM Appellanten 3 hebben aangevoerd dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder te noemen: EVRM). Hiertoe stellen zij dat bij de verlening van de vergunning en de daaraan voorafgaande procedures met hun belangen nauwelijks rekening is gehouden. Volgens appellanten was bij de besluitvorming over de ontgronding geen sprake van een doeltreffende rechtsbescherming. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. De Afdeling stelt vast dat, zoals uit de onderhavige procedure blijkt, bij de bestuursrechter beroep kan worden ingesteld tegen het besluit van verweerders tot verlening van de ontgrondingsvergunning voor het F3B-project. De bezwaren van appellanten tegen dit besluit van verweerders en de daarbij verleende vergunning kunnen in deze procedure ten gronde worden beoordeeld. In het navolgende zal op de inhoudelijke bezwaren van appellanten tegen de ontgronding worden ingegaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat appellanten door het besluit van verweerders rechten zijn ontnomen die zijn gewaarborgd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Dit bezwaar is derhalve niet gegrond. 2.2.4. Eigendom van het te ontgronden gebied Appellanten sub 3 hebben aangevoerd dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning ten onrechte ook betrekking In dit verband merkt de Afdeling op dat verweerders - zoals de Voorzitter reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 februari 1999, inzake no. F01.98.0335 - na het verlopen van de uit het besluit van 3 mei 1993 voortvloeiende termijn, dus met ingang van 18 juli 1996, gedurende één jaar bevoegd waren bij indeplaatstreding zelf een bestemmingsplan vast te stellen met inachtneming van de in hun besluit van 3 mei 1993 gegeven aanwijzing. Met betrekking tot het bezwaar van appellanten sub 7 en 23 dat het vergunde ontgrondingsproject wat betreft de omvang, de verhouding tussen land en water en de toevoeging van de "Watergoedvijver" afwijkt van de aanwijzing overweegt de Afdeling het volgende. Volgens de aanwijzing dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld in overeenstemming met de inhoudelijke richtlijnen zoals opgenomen in de paragrafen A4 en A5 van het IZP 2e fase (inclusief de daarin opgenomen kaartbeelden 1 en 2). Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich op grond van de tekst van het IZP 2e fase en de daarin opgenomen kaartbeelden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de ontgronding van het F3B-gebied, zoals dat bij het bestreden besluit, onderdeel A, is vergund, een bestemmingsplan kan worden vastgesteld dat in overeenstemming is met de aanwijzing. Daarbij merkt de Afdeling op dat op pagina 6 van het IZP 2e fase is vermeld dat de begrenzing en de herinrichting zoals aangegeven op kaart 1 richtinggevend zijn voor verdere planuitwerking en dat het mogelijk is om bij nadere uitwerking op onderdelen van deze inrichtingsschets af te wijken, wanneer dit uit een oogpunt van ontwerp enlof milieu de voorkeur verdient. 2.3.1.5. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de strijdigheid van de ontgronding met het vigerende bestemmingsplan binnen afzienbare tijd zou worden opgeheven. De desbetreffende bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.3.2. Noodzaak ontgronding in relatie tot zandbehoefte 2.3.2.1. Appellanten sub 1, 2, 3, 7, 8, 18 en 23 zijn van mening dat een grootschalig ontgrondingsproject als het onderhavige niet noodzakelijk is. Volgens appellanten zal ontgronding van de F3B-locatie leiden tot een overschot aan industriezand. in dit verband hebben zij onder meer aangevoerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende raming van de landelijke behoefte aan beton- en metselzand en de hieruit voortvloeiende taakstelling voor de provincie Gelderland te hoog zijn. Daarnaast stellen appellanten dat aan de Gelderse taakstelling kan worden voldaan door de zandopbrengsten uit "secundaire" ontgrondingen en uit bestaande ontgrondingsprojecten. 2.3.2.2. De Kroon is in het Koninklijk Besluit ingegaan op de raming van de landelijke behoefte aan beton- en metselzand en op de tussen het Rijk en de provincies gemaakte taakstellingsafspraken over de winning van beton- en metselzand, zoals opgenomen in het op 7 maart 1994 uitgebrachte ontwerp van de planologische kernbeslissing Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen. In dit Structuurschema is voor de periode 1989-1998 een taakstelling voor de provincie Gelderland opgenomen van 7,8 miljoen ton beton- en metselzand per jaar en voor de periode 1999-2008 een (voorlopige) taakstelling van 6,8 miljoen ton beton- en metselzand per jaar. De Kroon oordeelde in het Koninklijk Besluit dat de in het Structuurschema opgenomen ramingen ten aanzien van de behoefte aan beton- en metselzand en de daaruit voortvloeiende taakstelling van de provincie Gelderland - waarbij voor de periode tot 2010 onder meer rekening is gehouden met een verwachte toename van het gebruik, de winning in Nederland, de vervangingsmogelijkheden, en de im- en export van beton- en metselzand ten opzichte van de periode 1980-1993 zeker wat betreft de middellange termijn eerder aan de lage dan aan de hoge kant zijn. De Kroon nam verder het standpunt in d De Kroon nam daarbij mede in aanmerking dat de in het IZP 2e fase opgenomen streekplanuitwerking - waarin tevens de keuze is gemaakt om niet in de uiterwaarden, maar binnendijks te ontgronden - niet in strijd is met het op dit punt geldende provinciale beleid. 2.3.3.3. Blijkens de stukken stellen verweerders zich mede op basis van het Koninklijk Besluit op het standpunt dat de ontgrondingsvergunning voor de F3B-locatie niet behoeft te worden geweigerd wegens strijd met beleidsuitgangspunten van het Rijk of van de provincie. In verband hiermee zijn verweerders tevens van mening dat zij de door appellant sub 1 aangedragen alternatieve locatie "Over de Maas + n niet in beschouwing hoefden te nemen. in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders dit standpunt niet in redelijkheid hebben kunnen innemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat de beleidsuitgangspunten inzake "grootschalige binnendijkse zandwinning", "duurzaamheid", "zuinig gebruik van grondstoffen" en "maatschappelijk verantwoorde wijze van zandwinning" in de periode tussen het Koninklijk Besluit en het nemen van het bestreden besluit zodanig zijn veranderd dat verweerders de ontgronding van de F3B-locatie om die reden niet langer aanvaardbaar hadden mogen achten. Deze bezwaren van appellanten zijn daarom niet gegrond. 2.4. BEZWAREN MET BETREKKING TOT DE EFFECTEN VAN DE ONTGRONDING 2.4.1. Effecten op de veiligheid 2.4.1.1. Appellanten sub 1, 2, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 19, 20, 21 en 23 zijn van mening dat er grote veiligheidsrisico's zijn verbonden aan deze binnendijkse ontgronding. Een aantal van deze appellanten heeft aangevoerd dat - nu de ontgronding zal plaatsvinden in de nabijheid van de Maasdijk - vóór de vergunningverlening een integraal veiligheidsrapport had moeten worden opgesteld. De door Grondmechanica Delft opgestelde rapporten kunnen naar hun mening niet als zodanig worden aangemerkt. Ook hebben diverse appellanten opgemerkt dat het onderzoek van Grondmechanica Delft verschillende aannames bevat, zodat onvoldoende zeker is of de ontgronding veilig zal kunnen plaatsvinden. Sommige appellanten hebben hierbij gewezen op de extreem hoge waterstanden die in 1993/1994 en 1995 zijn voorgekomen en die naar hun mening niet in het veiligheidsonderzoek van Grondmechanica Delft zijn verwerkt. Appellanten hebben vervolgens aangevoerd dat de afstand tussen de dijk en de te realiseren plas te klein is. Zij stellen dat deze afstand minimaal 500 meter tot 3 kilometer moet bedragen, om te voorkomen dat er zandmeevoerende wellen (piping) en zettingsvloeiingen ontstaan. Bij het optreden hiervan zal de dijk onstabiel worden en zal het risico van een dijkdoorbraak worden vergroot. Verder hebben veel appellanten bezwaar tegen de ontzanding van een gedeelte van de Westplas. Zij wijzen er op dat in de diepere bodemlagen voor verweking gevoelige zandlagen zijn aangetroffen, waardoor zettingsvloeiingen kunnen optreden. Volgens appellanten bestaat hierin onvoldoende inzicht. Enkele appellanten hebben daarbij tevens bezwaar tegen de voorgeschreven taludhellingen. Ook stellen sommige appellanten dat de Voorplas in de onderzoeken naar het eventueel optreden van zettingsvloeiingen had moeten worden betrokken. Appellant sub 23 heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de veiligheidsaspecten onvoldoende rekening is gehouden met aanwezigheid van de Peelrandbreuk in het gebied. 2.4.1.2. De Kroon heeft in het Koninklijk Besluit overwogen dat bij realisatie van het F3B-project de omwille van de veiligheid te treffen voorzieningen in beginsel kunnen worden verwezenlijkt. De Kroon concludeerde dat er op dat moment - in aanmerking genomen het rapport "Veiligheidsonderzoek F3B-locatie gemeente West Maas en Waal" van Grondmechanica Delft van augustus 1992 en de door appellanten ingebrachte rapporten ten aanzien van de veiligheid -geen aanwijzingen waren dat de zandwinning in dit opzicht niet vera Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders op dit punt voorwaarden hadden moeten verbinden aan de in het geding zijnde ontgrondingsvergunning. 2.4.1.5. Met betrekking tot de vrees van appellanten voor het optreden van zettingsvloeiingen, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de uitgevoerde veiligheidsonderzoeken blijkt dat in het westelijk deel van de toekomstige winplas op een diepte van ruim 25 meter beneden maaiveld een 3 tot 5 meter dikke laag zettingsgevoelig zand voorkomt. Naar aanleiding hiervan heeft Grondmechanica Delft aanbevolen in het desbetreffende gebied een helling van het onderwatertalud aan te houden van 1:5 (tussen maaiveld en 15 meter onder het maaiveld) en van 1: 10 (tussen 15 meter en 35 meter onder het maaiveld). Volgens de onderzoeksrapporten kunnen in de rest van het zandwingebied taludhellingen van 1:4 worden toegepast. In het onderzoek is op dit punt tevens rekening gehouden met de kans dat de taludstabiliteit wordt aangetast als gevolg van aardbevingen. De door Grondmechanica Delft aanbevolen taludhellingen zijn vastgelegd in de aan de vergunning verbonden voorwaarde 1.2, aanhef en onder b. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het onder de gestelde voorwaarden technisch verantwoord is om in het desbetreffende gebied diep te ontzanden. Indien desondanks zettingsvloeiingen zullen optreden, zal de stabiliteit van de Maasdijk volgens verweerders - gezien de afstand tussen de dijk en de toekomstige winplas - niet worden aangetast. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, geen aanleiding hierover anders te oordelen. Met betrekking tot de Voorplas hebben verweerders overwogen dat hier geen nieuwe ontgronding zal plaatsvinden, maar dat de Voorplas zal worden gebruikt als een tijdelijke onderwateropslagplaats van het gewonnen zand. De uitvoering van de werkzaamheden in de Voorplas zal geschieden op basis van een door verweerders goed te keuren werkplan. Volgens verweerders zal bij het opstellen en beoordelen van het eerste werkplan aandacht worden besteed aan het handhaven van de stabiliteit van de bestaande taluds. De Afdeling acht dit niet onaanvaardbaar. 2.4.1.6. Op grond van het vorenstaande bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de veiligheid in het F3B-gebied en de omgeving daarvan voldoende is gewaarborgd. De desbetreffende bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.4.2. Kwantitatieve effecten op de waterhuishouding 2.4.2.1. Appellanten sub 1, 2, 4, 7, 8, 9, 10, 14, 15, 18, 19, 20, 21 en 23 hebben bezwaren aangevoerd met betrekking tot de hydrologische effecten van de ontgronding. Zij zijn van mening dat onvoldoende duidelijk is welke effecten de ontgronding op de waterhuishouding zal hebben. Ook vinden zij dat onvoldoende duidelijk is welke maatregelen moeten worden getroffen om ongewenste hydrologische effecten tegen te gaan. Appellant sub 23 heeft in dit verband aangevoerd dat hij geen vertrouwen heeft in het door Grondmechanica Delft uitgevoerde geohydrologisch onderzoek. Diverse appellanten zijn van mening dat het waterpeil van de aan te leggen ontgrondingsplas zei afwijken van het vóór vergunningverlening berekende plaspeil. Hierbij hebben zij opgemerkt dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de maatregelen die moeten worden getroffen om overstroming van deze plas te voorkomen. Een aantal appellanten heeft aangevoerd dat onvoldoende zekerheid bestaat over het toekomstige (grond)waterpeil in de omgeving van de aan te leggen plas. Appellanten sub 19 en 21 zijn bovendien bevreesd dat de ontgrondingswerkzaamheden kwelwateroverlast zullen veroorzaken. Appellant sub 4 vreest dat het peil van de kooiplas zal worden beïnvloed door het uitvoeren van de ontgrondingswerkzaamheden. 2.4.2.2. Bij de beoordeling van de hydrologische effecten van de ont Voorts acht de Afdeling van belang dat op grond van de aan de vergunning verbonden voorwaarden 4.1 en 4.2 per ontgrondingsfase een fase-inrichtingsplan en een werkplan moeten worden opgesteld, waarin alle te treffen inrichtingsmaatregelen en uitvoeringsaspecten moeten worden beschreven. Ingevolge voorwaarde 5 mag niet met de ontgronding worden begonnen voordat de desbetreffende werk- en fase-inrichtingsplannen door verweerders zijn goedgekeurd. Op grond van voorwaarde 8.1 moeten de werkzaamheden per ontgrondingsfase overeenkomstig de goedgekeurde plannen worden uitgevoerd. Verweerders hebben ter zitting toegezegd dat bij de goedkeuring van de werk- en fase-inrichtingsplannen de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden gevolgd. Ook hebben verweerders aangekondigd dat een begeleidingscommissie zal worden ingesteld, waarin medewerkers van de betrokken bevoegde gezagen (in ieder geval het provinciaal bestuur en het Polderdistrict) zitting hebben. Ten slotte wijst de Afdeling er nog op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor het Plan Watergoed inmiddels een definitief waterhuishoudingsplan is opgesteld (Witteveen + Bos Raadgevende Ingenieurs B.V., rapport van mei 1997) en dat het Polderdistrict Groot Maas en Waal aan de vergunninghoudster inmiddels ontheffing heeft verleend van de Algemene Keur voor het aanpassen van het waterbeheersingssysteem in het gebied en de aanleg van kaden. 2.4.2.5. Op grond van het vorenstaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitvoering van de ontgronding uit hydrologisch oogpunt verantwoord zal plaatsvinden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om te concluderen dat verweerders de gevraagde vergunning in verband met de hydrologische effecten van de ontgronding hadden moeten weigeren of daaraan nadere voorwaarden hadden moeten verbinden. Deze bezwaren van appellanten zijn daarom niet gegrond. 2.4.3- Kwalitatieve effecten op de waterhuishouding 2.4.3.1. Appellanten sub 7, 9 en 23 hebben bezwaren aangevoerd met betrekking tot de kwaliteit van het oppervlaktewater van de toekomstige winplas. Appellante sub 7 stelt dat als gevolg van het gebruik van de schutsluis vervuild Maaswater in de plas zal stromen. Appellanten sub 9 en 23 vrezen dat het oppervlaktewater in de winplas, gelet op de windiepte van de te gebruiken zandzuigers, zal worden verontreinigd met brak grondwater. Appellant sub 18 heeft er op gewezen dat zich in de omgeving van de zandwinplas een gesloten stortplaats bevindt. Hij vreest dat de ontgronding er toe zal leiden dat verontreinigingen uit deze stortplaats zich via het grondwater zullen verspreiden. 2.4.3.2. In het projectplan Watergoed, dat onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag, is vermeld dat de kwaliteit van het water uit de Voorhaven en van het grondwater zal worden onderzocht, teneinde een prognose te maken van de waterkwaliteit na afloop van de zandwinning. Door nader vast te stellen welke waterkwaliteit aanwezig zal zijn op het moment dat de sluis is verwijderd, zal duidelijk worden of met de reeds voorziene maatregelen op korte termijn een optimale plaswaterkwaliteit met het oog op de eindbestemming kan worden verkregen, dan wel of aanvullende maatregelen nodig zijn, aldus het projectplan. Verweerders hebben overwogen dat de oeverafwerking en het systeem van watergoedkanalen in het projectplan Watergoed zo zijn ontworpen, dat een optimale watercirculatie in de plas ontstaat. Volgens verweerders wordt met de in het plan Watergoed voorziene inrichtingsmaatregelen een goede uitgangssituatie geschapen voor zowel abiotische als biotische waterkwaliteitsverbetering. De Afdeling is niet gebleken dat dit standpunt van verweerders voldoende grondslag ontbeert. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat, voorzover appellanten menen dat de waterkwaliteit van de toekomstige winplas zal verslechteren als gevolg van activiteiten die moeten word Blijkens het projectplan gelden als uitgangspunten voor de ontwikkeling van natuurwaarden onder meer: - het conserveren van de open en natte kom-natuur en het verder ontwikkelen door de aanleg van moerassen, hooilanden en de aanleg van de natte verbindingszones, - de aanleg van bosmassieven op de oeverwal en het daarmee creëren van nieuwe biotopen die een aanvulling zijn op de uiterwaarden, en - de aanleg van een ecologische zone waarin relatief vrije en ongestoorde uitwisseling van flora en fauna kan plaatsvinden tussen de plas- en poldernatuur. In het projectplan is vervolgens een beeld geschetst van de te verwachten ontwikkelingen van flora en fauna in en om het plangebied. Op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, is de Afdeling echter van oordeel dat verweerders, teneinde te waarborgen dat de in het projectplan Watergoed geprognosticeerde natuurontwikkeling ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, aan de vergunning een voorwaarde hadden moeten verbinden op grond waarvan een evaluatie- en monitoringsprogramma moet worden opgesteld en op grond waarvan zo nodig corrigerende inrichtingsmaatregelen moeten worden getroffen. Nu verweerders dit hebben nagelaten, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3, tweede lid, van de Ontgrondingenwet. De beroepen van appellanten sub 1, 2, 7, 8, 17 en 18 zijn op dit punt dan ook gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 2.4.4.4. Appellanten sub 3 en 21 stellen dat de ontgrondingsactiviteiten horizonvervuiling tot gevolg zullen hebben. Hierbij hebben zij gewezen op de aan te leggen vaste hoge brug. Verweerders hebben overwogen dat de brug in de omgelegde Dijkgraaf de Leeuwweg tijdens de zandwinning ongeveer 6 meter zal uitsteken boven de nabijgelegen Maasdijk. Na afloop van de ontzanding zal de situatie op dijkhoogte worden afgewerkt. De brug en het sluiscomplex zullen met beplanting worden geflankeerd. Hierdoor zal het landschappelijk karakter van de oeverwal worden versterkt, terwijl de visuele invloed van de toeritten zal worden beperkt, aldus verweerders. Gelet hierop en in aanmerking genomen de afstand tussen de brug en woningen van derden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat ten gevolge van de aanleg van de brug een onaanvaardbare mate van visuele hinder zal ontstaan. Deze bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.4.5. Effecten op agrarische woorden 2.4.5.1. Appellanten sub 1, 7, 9, 10, 14, 15, 16, 18, 19 en 21 hebben aangevoerd dat de ontgronding nadelige gevolgen zal hebben voor de agrarische waarden van het F3B-gebied en van de omgeving daarvan. Appellant sub 1 heeft er in dit verband op gewezen dat de ontgronding zal leiden tot een doorkruising van zowel een reeds voltooide ais een in voorbereiding zijnde ruilverkaveling. Appellante sub 19 vreest dat de ontgronding een stijging van de polderlasten en van de agrarische grondprijzen in de omgeving tot gevolg zal hebben. 2.4.5.2. De Afdeling overweegt hierover dat de effecten die de ontgronding zal hebben op de agrarische waarden van het betrokken gebied reeds zijn meegewogen in het Koninklijk Besluit, waarin de Kroon tot de conclusie kwam dat de voorgenomen ontgronding berust op een verantwoorde en afgewogen locatiekeuze. De Kroon overwoog hierbij dat de effecten op de landbouw vanwege de zandwinning beperkt kunnen blijven door compensatiewerken (aanpassing van wegen en waterlopen) en door ruilverkaveling. Verweerders zijn van mening dat de gronddruk ter plaatse nauwelijks zal veranderen, aangezien bedrijven met gronden in het gebied zullen worden uitgekocht of met reeds verworven vervangende grond zullen worden gecompenseerd. Verweerders verwachten dan ook dat de mogelijkheden voor toekomstige landbouwkundige ontwikkeling in beginsel gelijk zullen blijven. Gelet hierop, en mede gezien het hiervoor weergegeven oordeel van de Kroon, stellen verweerders zich op het standpunt dat de gevraagde vergunning niet behoeft Daarbij merkt de Afdeling op dat er in het projectplan Watergoed van uit is gegaan dat de vervangende infrastructuur in een zo vroeg mogelijke fase van de ontgronding zal worden aangelegd. Gezien het vorenstaande alsmede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders de gevraagde vergunning in verband met de door appellanten gestelde verminderde bereikbaarheid van Maasbommel hadden moeten weigeren of daaraan nadere voorwaarden hadden moeten verbinden. Deze bezwaren van appellanten zijn dan ook niet gegrond. 2.4.8. Hinder door winactiviteiten 2.4.8.1. Appellanten sub 1, 3, 7, 10, 12, 13, 14, 15, 17 en 21 vrezen dat milieu-overlast zal ontstaan door uitvoering van de ontgronding. In dit verband hebben zij aangevoerd dat de winactiviteiten geluid- en trillinghinder zullen veroorzaken. Appellant sub 17 vreest dat geluid- en stofhinder zal worden veroorzaakt door de transportbewegingen over de weg. 2.4.8.2. De Afdeling is gebleken dat deze aspecten in het kader van de verlening van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer ten volle aan de orde kunnen komen. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders met het oog op deze aspecten aan de hier in het geding zijnde ontgrondingsvergunning voorwaarden hadden moeten verbinden of deze vergunning hadden moeten weigeren. Deze bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.5. OVERIGE BEZWAREN 2.5.1. Ontgronding van de Ooijense Middenwaard 2.5.1.1. Appellanten sub 18 hebben bezwaar tegen de ontgronding van percelen in de Ooijense Middenwaard (kadastrale percelen Fl 2 en Fl 3). Hierbij hebben zij opgemerkt dat verweerders voorheen hebben geweigerd vergunning te verlenen voor de ontgronding van deze buitendijks gelegen percelen. 2.5.1.2. Verweerders hebben hierover overwogen dat de kadastrale percelen Fl 2 en Fl 3 niet integraal in de vergunning zijn opgenomen, maar dat - zoals blijkt uit de bij de vergunning behorende gewaarmerkte tekening 95.130.09 van 20 mei 1996 - alleen perceelsgedeelten in de vergunning zijn opgenomen die nodig zijn voor de realisatie van het kanaal tussen de Voorplas en de schutsluis. Volgens verweerders is dit kanaal zodanig gesitueerd dat de Ooijense Middenwaard zo min mogelijk wordt aangetast. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders geen vergunning hadden mogen verlenen voor de desbetreffende perceelsgedeelten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de eerdere weigering om voor deze percelen een ontgrondingsvergunning te verlenen blijkens de stukken betrekking had op een permanente ontgronding. In het projectplan Watergoed is echter aangegeven dat de schutsluis na afloop van de ontgronding zal worden verwijderd, dat het kanaal zal worden gedempt en dat het gebied zal worden gehercultiveerd. Deze bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.5.2. Tijdsduur en fasering van de ontgrondingswerkzaamheden 2.5.2.1. Appellanten sub 7, 8 en 10 menen dat in de vergunning ten onrechte niet is gewaarborgd dat de ontgrondingswerkzaamheden na 16 jaar daadwerkelijk zullen worden beëindigd. Appellante sub 7 heeft daarbij opgemerkt dat de volgorde en de tijdsperiode per ontzandingsfase bindend in de vergunningvoorwaarden hadden moeten worden vastgelegd. 2.5.2.2. De Afdeling overweegt dat in het projectplan Watergoed is vermeld dat de ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten zullen plaatsvinden in een periode van 12 á 16 jaar. Verder is in het projectplan beschreven welke fasering bij de ontgronding wordt voorgestaan. Daarbij is voor elke fase een tijdsduur geprognosticeerd, waarbij rekening is gehouden met onder meer de grootte van een fase en de aanleg van bepaalde inrichtingselementen. Op de bij het projectplan Watergoed behorende tekening 95.130.10 van 20 mei 1996 is het faseringsplan vastgelegd. Op grond van Bij de verwerving van deze gronden zal in eerste instantie worden geprobeerd op basis van minnelijk overleg tot overeenstemming te komen. Indien dat niet lukt, zullen deze gronden met toepassing van artikel 72c van de Onteigeningswet worden onteigend, in welk geval (volledige) schadeloosstelling moet plaatsvinden. Verder overweegt de Afdeling dat in artikel 26, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, zoals deze wet luidt met ingang van 1 januari 1997, het volgende is bepaald. "Voorzover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of degene die overeenkomstig afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht bedenkingen heeft ingebracht dan wel overeenkomstig afdeling 3.4 of afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, wordt hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel door Onze Minister ten laste van 's-Rijks kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, door gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en door het bestuur van het waterschap ten laste van de kas van die instelling, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, vierde lid." In artikel 28 van de Ontgrondingenwet is vervolgens bepaald dat, indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 geen vergoeding is toegekend, zij kan worden aangevraagd. Indien appellanten vanwege de ontgronding aantoonbare schade lijden, kunnen zij verweerders op grond van evengenoemde bepalingen vragen om toekenning van een schadevergoeding. Hierbij merkt de Afdeling op dat zij van oordeel is dat de procedure, die in het onderhavige geval voor de totstandkoming van het bestreden besluit is gevolgd, voor de toepassing van evengenoemd artikel 26, eerste lid, van de Ontgrondingenwet op één lijn kan worden gesteld met de procedure van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorzover appellanten menen dat zij schade lijden door planologische beslissingen ais bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kunnen zij zich op grond van dat artikel tot de gemeenteraad van West Maas en Waal wenden. De hoogte van de eventueel toe te kennen schadevergoeding is niet geregeld in het bestreden besluit, maar zal worden bepaald in het kader van de genoemde schaderegelingen. Tegen de beslissingen die in het kader van die regelingen worden genomen, staan rechtsmiddelen open. 2.6.1.4. Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders er bij het nemen van hun besluit in beginsel van uit konden gaan dat op aanvaardbare wijze kan worden tegemoetgekomen aan de belangen van hen wier gronden in verband met de ontgronding moeten worden verworven enlof die als gevolg van de ontgronding onvermijdbare schade zullen lijden. Bovengenoemde wettelijke regelingen bieden naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijkheid over de wijze waarop geleden schade kan worden vergoed en bevatten een waarborg dat dit volgens objectieve criteria geschiedt. In het licht hiervan ziet de Afdeling in het feit dat de vergunninghoudster voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit geen privaatrechtelijke regelingen heeft getroffen over de koopplicht van agrarische bedrijven en over de wijze waarop de schade zal worden vergoed, geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit. Deze bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.6.2. Schade aan gebouwen 2.6.2. l. Appellanten sub 9, 12, 13, 14, 15, 18, 19, 20 en 21 hebben aangevoerd dat door de ontgronding en het hierdoor optreden van zettingen schade aan gebouwen zal ontstaan. Enkele appellanten zijn daarom van mening dat, met het oog op het kunnen In vergunningvoorwaarde 10.3 is bepaald dat de vergunninghoudster de zekerheidstelling, telkens wanneer daarop verhaal heeft plaatsgehad, op de eerste aanzegging aanvult tot het oorspronkelijke bedrag. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid kunnen oordelen dat door middel van deze voorwaarden in voldoende mate is gewaarborgd dat de uit de vergunning voortvloeiende verplichtingen zullen worden nagekomen. Met betrekking tot het bezwaar van appellant sub 23 over de hoogte van de voorgeschreven zekerheidstelling, overweegt de Afdeling dat het bedrag van 2,5 miljoen gulden blijkens de stukken is gebaseerd op een kostenraming voor de aanleg van de voorzieningen en de afwerking per ontgrondingsfase. Met verweerders is de Afdeling van oordeel dat dit bedrag niet behoeft te worden gebaseerd op het totale bedrag van de schade die zal kunnen optreden bij een overstroming van het gebied. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorgeschreven zekerheidstelling te laag is. Deze bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.6.4. Gelet op het vorenstaande, ziet de Afdeling in de algemene bezwaren omtrent schade-aspecten en verwerving van eigendommen geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit. Hiermee is echter nog geen antwoord gegeven op de vraag of verweerders bij het nemen van hun besluit de aantasting van individuele belangen ten gevolge van de ontgronding voldoende hebben betrokken. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan. 2.7. AFWEGING INDIVIDUELE BELANGEN 2.7.1. Appellant sub 12 2.7.1.1. Appellant sub 12 exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf aan de […]weg met een oppervlakte van ongeveer 80 hectare. Van zijn bedrijfsgronden, die liggen ten noorden van de toekomstige westelijke winplas en ten westen van de oostelijke winplas, is ongeveer 33 hectare opgenomen in het ontgrondingsgebied. Appellant stelt dat het resterende deel van zijn bedrijfsgronden, waartoe ook de huiskavel behoort, door de ontgronding zodanig geïsoleerd komt te liggen ten opzichte van zijn elders gelegen gronden dat verplaatsing van het gehele bedrijf noodzakelijk is. 2.7.1.2. Ten aanzien van de gronden die nodig zijn voor de ontgronding, hebben verweerders in algemene zin overwogen dat grondverwerving via minnelijke verwerving dan wel door middel van onteigening zal plaatsvinden. Met betrekking tot eventueel te lijden schade hebben zij gewezen op de schaderegelingen. 2.7.1.3. Uit de stukken is gebleken dat het bedrijf van appellant sub 12 door het verlies van de gronden nabij zijn huiskavel niet meer rendabel kan worden geëxploiteerd. De vergunningaanvraagster heeft - in de op 1 juni 1993 gegeven reactie op de ingekomen bezwaren tegen de vergunningaanvraag - vermeld dat op basis van verplaatsing tot aankoop van de huiskavel en de losse gronden binnen het plangebied zal worden overgegaan. De huiskavel zal worden opgedeeld ter compensatie van andere bedrijven aan de […]weg, aldus de aanvraagster. Appellant sub 12 wil zijn bedrijfsactiviteiten voortzetten en heeft een gerechtvaardigd belang daarbij, waaraan verweerders bij hun besluitvorming niet voorbij hadden mogen gaan. Onder deze omstandigheden hadden verweerders, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, voorafgaand aan het nemen van hun besluit moeten onderzoeken of en, zo ja, op welke wijze een rendabele voortzetting van het bedrijf van appellant sub 12 of een verplaatsing van het bedrijf kan worden gewaarborgd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter niet gebleken dat verweerders voorafgaand aan het nemen van hun besluit overleg hebben gevoerd met appellant sub 12. Evenmin is gebleken dat verweerders zelfstandig hebben onderzocht op welke wijze aan de belangen van deze appellant kon worden tegemoetgekomen. De omstandigheid dat de optredende schade via de in paragraaf 2.6.1.3 genoemde schaderegelingen kan worden vergoed en het vooruitzicht van overleg (na het nemen van het Indien desondanks schade zal optreden als gevolg van de ontgronding, kan worden gewezen op de eerdergenoemde schaderegelingen. Niet is gebleken dat via die regelingen niet aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellant sub 15 heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verweerders het bestreden besluit op dit punt niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Deze bezwaren zijn niet gegrond. 2.7.5. Appellant sub 16 2.7.5.1. Appellant sub 16 exploiteert een melkrundveehouderij aan de […]weg, ten noorden van de toekomstige westelijke zandwinplas. De totale oppervlakte van zijn bedrijfsgronden bedraagt ongeveer 40 hectare, waarvan de huiskavel ongeveer 10 hectare beslaat. Ongeveer 2,5 hectare van zijn huiskavel is in het projectplan Watergoed opgenomen voor de herinrichting van de oeverzone van de oostelijke plas. Appellant heeft er bezwaar tegen dat hij bedrijfsgronden moet afstaan voor de uitvoering van de ontgronding en de herinrichting van het F3B-gebied. Hij stelt dat de verkleining van zijn huiskavel zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van zijn bedrijfsvoering. Ook heeft appellant opgemerkt dat zijn elders gelegen bedrijfsgronden door de uitvoering van de ontgronding slechter bereikbaar zullen zijn. 2.7.5.2. De Afdeling overweegt hierover dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat een rendabele bedrijfsvoering door het verlies van de 2,5 hectare bedrijfsgrond niet meer mogelijk zal zijn. Indien desondanks schade zal optreden als gevolg van de ontgronding, kan worden gewezen op de eerdergenoemde schaderegelingen. Niet is gebleken dat via die regelingen niet aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verweerders het bestreden besluit op dit punt niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Deze bezwaren zijn niet gegrond. 2.7.6. Appellant sub 20 2.7.6.1. Appellant sub 20 exploiteert een melkrundveehouderij met een oppervlakte van ongeveer 27 hectare. Zijn huiskavel, gelegen aan de […]weg ten noorden van de toekomstige westelijke zandwinplas, heeft een oppervlakte van ongeveer 10 hectare. Ongeveer 2,5 hectare van zijn huiskavel is in het projectplan Watergoed opgenomen voor de herinrichting van de oeverzone van de oostelijke plas. Hij vreest dat de uitvoering van de ontgronding zal leiden tot schade, waarvan onduidelijk is of, en zo ja, hoe hij deze vergoed zal worden. 2.7.6.2. De Afdeling overweegt hierover dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat het verlies van 2,5 hectare van de bedrijfsgronden van appellant sub 20 er toe zal leiden dat zijn bedrijf niet meer rendabel kan worden geëxploiteerd. Indien desondanks schade zal optreden als gevolg van de ontgronding, kan worden gewezen op de hiervoor genoemde schaderegelingen. Niet is gebleken dat via die regelingen niet aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellant sub 20 heeft aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat verweerders het bestreden besluit op dit punt niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Deze bezwaren zijn niet gegrond. 2.7.7. Appellant sub 4 2.7.7.1. Appellant sub 4 heeft aangevoerd dat de ontgronding zal plaatsvinden binnen het afpalingsrecht van de door hem geëxploiteerde eendenkooi. Hij heeft bezwaar tegen de aanleg van een ruiter- en wandelpad rondom de eendenkooi, zoals is voorzien in het herinrichtingsplan. Volgens appellant zal door het gebruik van dit pad zowel in het broedseizoen ais in het vangstseizoen verstoring optreden. Ook heeft appellant sub 4 bezwaar tegen de omvorming van de, ten oosten van de kooiplas gelegen, Kapiteinweg tot fietspad. Volgens appellant zal het hierdoor onmogelijk worden om het kooiterrein met de daartoe noodzakelijke voertuigen te bereiken. Ap De Afdeling overweegt verder dat op grond van de stukken niet aannemelijk is geworden dat door het gebruik van het ruiter- en wandelpad, dat op een afstand van ongeveer 75 meter uit de westelijke rand van de plas van de eendenkooi zal worden aangelegd, verstoring van de eendenkooi zal plaatsvinden. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de eendenkooi voor appellant sub 4 niet meer bereikbaar zal zijn, aangezien de vergunninghoudster appellant heeft toegezegd dat zodanige maatregelen zullen worden getroffen dat de kooi zowel per auto als per tractor bereikbaar zal blijven. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling op dit punt geen grond voor het oordeel dat verweerders de gevraagde vergunning bij afweging van alle betrokken belangen hadden moeten weigeren of daaraan nadere voorwaarden hadden moeten verbinden. De desbetreffende bezwaren zijn derhalve niet gegrond. 2.7.8. Appellanten sub 3 2.7.8.1. Appellanten sub 3 exploiteren een jachthaven annex camping aan de rand van de Voorplas, ten zuidwesten van de te ontgronden percelen. Zij zijn van mening dat in de onderhavige procedure te weinig rekening is gehouden met hun belangen. In dit verband hebben zij aangevoerd dat het uitsluitend aanleggen van twee landtongen in de Voorplas - onder meer nodig om de jachthaven te beschermen tegen overmatige golfslag - zal leiden tot een belemmering van de natuurlijke stroming van het water langs het strand van de camping, waardoor het water ongeschikt wordt voor gebruik als zwemwater of viswater. Appellanten menen dat de overige door de vergunninghoudster toegezegde maatregelen - zoals het aanbrengen van een duiker in de oostelijke landtong, het aanbrengen van stevige palen voor het vastleggen van de steigers, het markeren van de vaargeul ten behoeve van de in-en uitvaart van de jachthaven, het aanpassen van invaart vanaf de Maas en het op diepte houden van de jachthaven -eveneens in de vergunningvoorwaarden hadden moeten worden vastgelegd. Appellanten menen dat, ook bij het treffen van deze maatregelen, nog sprake zal zijn van grote schade, aangezien het rustige karakter van de Voorplas door de ontgronding zal worden aangetast. 2.7.8.2. De camping annex jachthaven van appellanten sub 3 ligt in de noordoostelijke hoek van de Voorplas, nabij de beoogde schutsluis. De camping biedt ruimte aan ongeveer 30 vaste kampeerplaatsen en aan ongeveer 15 seizoensplaatsen. In de jachthaven zijn ongeveer 70 ligplaatsen aanwezig. Vast staat dat de ontgrondingswerkzaamheden zullen leiden tot een aantasting van de bedrijfsbelangen van appellanten sub 3. Op grond van de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling echter geen grond voor het oordeel dat het bedrijf van appellanten niet meer rendabel zal kunnen worden geëxploiteerd. Uit het projectplan Watergoed in samenhang met de aan de vergunning verbonden voorwaarde 1.4 blijkt dat voor de duur van de zandwinning landtongen moeten worden aangebracht ter bescherming van de camping annex jachthaven van appellanten sub 3. Naar het oordeel van de Afdeling staat niet vast dat de ontgronding, wanneer deze landtongen zijn aangebracht, geen overlast meer zal veroorzaken voor de bedrijfsvoering van appellanten sub 3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat de vergunninghoudster bereid is verdergaande maatregelen te treffen om de overlast zoveel mogelijk te beperken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders er bij het nemen van hun besluit niet van uit mochten gaan dat aan gerechtvaardigde bedrijfsbelangen van appellanten sub 3 zou worden tegemoetgekomen. Indien appellanten sub 3 desondanks schade lijden als gevolg van de ontgronding, kan worden gewezen op de in paragraaf 2.6.1.3 genoemde schaderegelingen. Niet is gebleken dat via die regelingen niet aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen. Gelet op het vorenstaande ziet