Rechtspraak Raad van State 1999-07-05
ECLI:NL:RVS:1999:AA4073
Raad van State H01.98.0117. Datum uitspraak: 5 juli 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Breeding Farm Snavelhof B.V. te Zuidwolde appellante tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Assen van 24 december 1997 in het geding tussen: appellante en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 1. Procesverloop Bij besluit van 18 juni 1997 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) geweigerd om aan appellante een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 21 van de Vogelwet 1936 voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen en onder zich hebben van 40 rode flamingo's. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 november 1997 heeft de Minister het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 24 december 1997, verzonden op diezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de president) met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 januari 1998, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 4 juni 1998 heeft de Minister een memorie ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 1998, waar appellante, vertegenwoordigd door J.M.A. Klaus, gemachtigde, en de Minister, vertegenwoordigd door mr A.G. Hofstede-Bron, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 7 van de Vogelwet 1936, zoals deze wet luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar (hierna: de Vogelwet), is het verboden beschermde vogels, vogels als bedoeld in artikel 2 of produkten van die vogels onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Ingevolge artikel 21 van de Vogelwet, voor zover hier van belang, kan in het belang van de vogelstand, de opvoeding of de wetenschap vergunning worden gegeven tot het verrichten van bij artikel 7 verboden handelingen. In artikel 16, eerste lid, van het Vogelbesluit 1994, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, is bepaald dat een zodanige vergunning wordt verleend door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 2', van de Vogelwet, verstaat deze wet onder beschermde vogels: alle vogels, welke behoren tot een der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde vogels. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EG L 103 van 25 april 1979), zoals nadien gewijzigd (hierna: de Vogelrichtlijn), heeft deze richtlijn betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Vogelrichtlijn, verbieden, onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3, de Lid-Staten voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of uit deze vogels verkregen producten. Ingevolge artikel 14 van de Vogelrichtlijn kunnen de Lid-Staten beschermingsmaatregelen treffen die strenger zijn dan in deze richtlijn wordt voorgeschreven. 2.2. Het gaat in het onderhavige geschil om de invoer en het onder zich houden van 40 rode flamingo