Rechtspraak Raad van State 1999-09-27
ECLI:NL:RVS:1999:AA4040
Raad vanState H01.99.0151. Datum uitspraak: 27 september. 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A te B, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 15 december 1998 in het geding tussen: appellant en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 1 . Procesverloop Bij brief van 19 oktober 1994 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Minister van Binnenlandse Zaken, rechtsvoorganger van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister), op zijn verzoek van 23 augustus 1994 om inzage in eventueel bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (hierna: BVD) aanwezige dossiers over hemzelf, zijn vader Z en zijn grootvader Y. Bij besluit van 10 juli 1995 heeft de Minister het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 29 januari 1997, reg.nr. 9512988, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 augustus 1998, inzake no. H01.97.0362, heeft de Afdeling, beslissend op het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 1997, die uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Bij uitspraak van 15 december 1998, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 juli 1995 ingestelde beroep alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 januari 1999, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 13 april 1999 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 1999, waar appellant in persoon, bijgestaan door J.L.B. Sévèke, gemachtigde, werkzaam bij de Stichting Openbaarheid van Bestuur te Nijmegen, en de Minister, vertegenwoordigd door mr F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Op het verzoek van appellant om inzage in BVD-dossiers is de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) van toepassing. 2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door: a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken, b. kennisneming van de inhoud toe te staan, c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of d. inlichtingen daaruit te verschaffen. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van de Wob houdt het bestuursorgaan bij het kiezen tussen de vormen van informatie, genoemd in het eerste lid, rekening met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. 2.3. Bij zijn beslissing op bezwaar van 10 juli 1995 heeft de Minister, naar aanleiding van het verzoek van appellant, Vergelijking van deze stukken met de stukken in de aan appellant verstrekte inzagemap maakt direct duidelijk op welke plaatsen namen van derden zijn doorgehaald. De enkele overgebleven (delen van) stukken hebben dan in de visie van de Minister betrekking op bronnen. 2.5.3. Naar het oordeel van de Afdeling is de Minister terecht nagegaan in hoeverre hij de documenten met gegevens met betrekking tot appellants grootvader aan appellant ter inzage kan geven. Na kennisname van bedoelde documenten is de Afdeling gebleken dat de niet aan appellant verstrekte passages/stukken namen van derden bevatten dan wel inzicht geven in bronnen van (de voorloper van) de BVD. Het standpunt van de Minister dat met een beroep op de veiligheid van de Staat (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob) niet wordt overgegaan tot het verstrekken van informatie die zicht biedt op bronnen van (de voorloper van) de BVD, acht de Afdeling niet onredelijk of anderszins onjuist. De omstandigheid dat de Minister met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob namen van derden heeft doorgehaald, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval evenmin onredelijk of anderszins onjuist. Het besluit van de Minister voor zover betrekking hebbend op gegevens ten aanzien van [grootvader], kan derhalve in rechte standhouden. Niet is gebleken dat openbaarmaking is geweigerd van meer of andere dan de hiervoor omschreven passages/stukken. 2.5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep in zoverre gegrond is. De aangevallen uitspraak dient, voor zover betrekking hebben op [grootvader], te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient in zoverre alsnog ongegrond te worden verklaard. 2.5.5. Overigens sluit de Afdeling zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van de Minister over toepassing van (artikel 16 en artikel 17 van) de WIV in deze procedure buiten beschouwing dient te blijven, aangezien de Minister het besluit van 10 juli 199 5 uitsluitend heeft gegrond op de Wob. 2.6. Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank aangaande de eventueel over appellant zelf aanwezige gegevens, overweegt de Afdeling als volgt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel, zoals zij eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 14 december 1998 inzake H01.97.1354 (in: AB 1999t 93) - recentelijk bevestigd in haar uitspraken van 1 juli 1999 inzake H01.98.1287 en 19 augustus 1999 inzake H01.98.2028, aangehecht - dat de Minister, gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob, het verstrekken van informatie die zicht kan bieden op het actuele kennisniveau van de BVD, achterwege mag laten. De Minister hoeft niet aan te geven of bij de BVD actuele gegevens over appellant bekend zijn, aangezien met het doen van mededelingen hieromtrent inzicht wordt geboden in het actuele kennisniveau van de BVD, hetgeen het gevaar in zich bergt dat de werkwijze van de BVD en daarmee het functioneren van deze dienst wordt ondergraven, waarmee de veiligheid van de Staat in het geding komt. Ten aanzien van niet-actuele gegevens dient de Minister echter in beginsel informatie te verstrekken. 2.6.1. De Minister heeft zijn besluit van 10 juli 199 5, voor zover betrekking hebbend op appellant zelf, gegrond op het zogenoemde contextbeleid, zoals dat destijds door hem werd gevoerd. Dit beleid houdt in dat de Minister van personen die een algemeen verzoek tot hem richten om informatie over door de BVD over hen geregistreerde gegevens, verlangt dat zij de maatschappelijke context(en) aangeven waarbinnen zij menen in de belangstelling van de BVD te hebben gestaan. De Minister stelt dit zogenoemde context-vereiste om te ontkomen aan het dilemma dat door het verstrekken van informatie over niet-actuele zaken tevens zicht zou ontstaan op het actuele kennisniveau van de BVD, hetgeen het functioneren van deze dienst zou kunnen schaden, waarmee de veiligheid van de Staat in het geding komt. Ook van appellant heeft de Mi