Rechtspraak Raad van State 1999-12-03
ECLI:NL:RVS:1999:AA4025
Raad vanState H01.99.0033. Datum uitspraak: 0 3 december 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK 1 Uitspraak op het hoger beroep van: A te B, appellante, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 2 december 1998 in het geding tussen: appellante en burgemeester en wethouders van Katwijk. 1 . Procesverloop Bij besluit van 10 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders, in vervolg op hun brief van 1 juli 1997, appellante voor de duur van een overgangstermijn van drie maanden vergunning als bedoeld in artikel 5.3.213 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Katwijk (hierna: de APV) verleend voor het innemen van een ligplaats met het vaartuig […] in het oostelijk deel van het Prins Hendrikkanaal te Katwijk. Bij besluit van 11 december 1997 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een nieuwe overgangstermijn vastgesteld van 18 maanden. Dit besluit en het advies van de wethouderscommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht. Bij besluit van 22 oktober 1998 hebben burgemeester en wethouders wederom een nieuwe overgangstermijn vastgesteld en deze bepaald op drie jaren, ingaande op 11 juli 1997 en eindigende op 11 juli 2000. Bij uitspraak van 2 december 1998, verzonden op 4 december 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 11 december 1997 ingestelde beroep, dat zij gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede geacht heeft te zijn gericht tegen het besluit van 22 oktober 1998, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 4 januari 1999, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 1999, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door S.A. Veenstra en A. van Duijn, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV is het verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen, dan wel een ligplaats voor een woonschip ter beschikking te stellen in door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water. Ingevolge artikel 5.3.213, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning met een vaartuig, niet zijnde een woonschip een ligplaats in te nemen, of te hebben, dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen in door burgemeester en wethouders aangewezen wateren. Deze verboden gelden niet voor zover de Wet Milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland of de Verordening Watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland van toepassing is. Bij besluit van 1 juli 1997, bekendgemaakt op 3 juli 1997, hebben burgemeester en wethouders het Prins Hendrikkanaal, de Berghaven en het Uitwateringskanaal aangewezen als wateren als bedoeld in artikel 5.3.213 van de APV. Tevens hebben zij onder verwijzing naar artikel 5.3.2 van de APV een algeheel ligplaatsverbod voor woonschepen ingesteld voor het gehele openbare water van Katwijk, met uitzondering van het Additionele kanaal aan de westelijke oever van het Sandtiaanpad, voor zover daar nu reeds ligplaats wordt ingenomen. Burgemeester en wethouders hebben het schip van appellante aangemerkt als een vaartuig, niet zijnde een woonschip, en, dusdoende de voor appellante gunstigste regeling toegepast. 2.1.1. Appellante handhaaft in hoger beroep haar betoog dat de bepalingen van de APV buiten beschouwing moeten blijven omdat de Vaarwegenverordening Zuid-Holland (hierna: de Vaarwegenverordening) op het Prins Hendrikkanaal van toepassing is. 2.1.2. Dit betoog faalt. Dat het Prins Hendrikkanaal ingevolge artikel 3.1.1 van de Vaarwege