Rechtspraak Raad van State 1999-09-17
ECLI:NL:RVS:1999:AA3749
Raad van State H01.98.1915. Datum uitspraak: 17 augustus 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Stichting Muziekschool voor het West-Gelders Rivierengebied Peter van Anrooy te Zaltbommel, appellante, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 14 oktober 1998 in het geding tussen: appellante en de raad van de gemeente Geldermalsen. 1 .Procesverloop Bij besluit van 27 mei 1997 heeft de raad van de gemeente Geldermalsen (hierna: de raad) de subsidiëring van appellante met ingang van 1998 beëindigd met een afbouwregeling van drie jaar. Bij besluit van 16 december 1997 heeft de raad, in afwijking van het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaaren beroepschriften, het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard en het raadsbesluit van 20 november 1990 ingetrokken. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 14 oktober 1998, verzonden op 15 oktober 1998, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de president) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 december 1998. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 16 februari 1999 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. van Dooren, advocaat te Breda, en R. ter Brake, directrice van de muziekschool, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.M. van Soest en mr. O.J.M. van Neck-Bender, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Appellante ontvangt sedert 1 januari 1991 van elf gemeenten in het West-Gelders Rivierengebied, waaronder de gemeente Geldermalsen, een jaarlijkse subsidie. Het hiertoe strekkende subsidiebesluit is neergelegd in het raadsbesluit van 20 november 1990. Met de president is de Afdeling van oordeel dat het de raad in beginsel vrijstond zijn beleid te wijzigen en daarmee het besluit van 20 november 1990 in te trekken. De grieven, waarin wordt gesteld dat de raad deze individuele beleidsvrijheid door het besluit van 20 november 1990 niet langer toekwam, moeten falen. Voor zover het besluit van 20 november 1990 ten tijde van de beslissing van de raad van 27 mei 1997 nog in de weg stond aan de onderhavige subsidie-beëindiging, heeft de raad zulks; hersteld door eerstgenoemd besluit bij de beslissing op het door appellante ingediende bezwaarschrift in te trekken. 2.2. Uit de stukken komt naar voren dat appellante reeds bij brief van 3 september 1993 op de hoogte is gesteld van het feit dat de onder meer in het Jaarprogramma Welzijn voor 1995 voorziene bezuinigingen ook voor de aan haar toegekende subsidie gevolgen zouden hebben. Voorts blijkt uit de stukken dat appellante nadien tot het tijdstip met ingang waarvan tot de in geding zijnde beëindiging werd besloten, steeds van de bezuinigingsplannen op de hoogte is gehouden, in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren en met eigen plannen te komen, en in het overleg met onder andere de wethouders voor welzijn van alle elf gemeenten is betrokken. Gelet hierop had het appellante duidelijk kunnen zijn dat zich binnen afzienbare tijd wijzigingen in de subsidie zouden voordoen. Onder deze omstandigheden moet het beroep op het vertrouwensbeginsel falen. Ook ten aanzien van de beëindiging van de subsidie als zodanig en de fasering van de afbouwregeling van drie jaar kan het oordeel van de president derhalve worden onderschreven. 2.3. Appellante heeft aangevoerd dat de raad wat betreft de hoogte van de bedragen van de afbouwregeling geen rekening heeft gehouden met de wachtgeldverplichtingen van appellante jegens haar werknemers. Deze verplichtingen vloeien, naar appellante heeft gesteld, voort uit de toepasselijke CAO kunstzinnige vorming en de Uitvoeringsregeling Wac