Rechtspraak Raad van State 1999-06-04
ECLI:NL:RVS:1999:AA3626
Raad van State E03.98.0770. Datum uitspraak: 04 juni 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. A te B 2. C te D, 3. E te B, en anderen appellanten; burgemeester en wethouders van Tholen, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 april 1998, kenmerk 1053/IIIvmb/38, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 2 een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkensmesterij op het perceel K-weg 1 1 te D. Dit aangehechte besluit is op 29 april 1998 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 28 mei 1998, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 1998, appellant sub 2 bij brief van 8 juni 1998, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 1998, en appellanten sub 3 bij brief van 3 juni 1998, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 1998, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 juli 1998. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 juni 1998. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 21 september 1998 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 1999, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. ir. J.L. Mieras, gemachtigde, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, appellanten sub 3,vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx en ing. C.T.M. van Dijk, werkzaam bij de Regionale Milieudienst van het Streekgewest Westelijk NoordBrabant te Roosendaal, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord gedeputeerde staten van Zeeland namens provinciale staten van Zeeland, vertegenwoordigd door mr. C. Gebuis en dr. ir. T.S. Blauw, ambtenaren van de provincie. Verder is op verzoek van appellant sub 1 en appellanten sub 3 als deskundige gehoord dr ir L.J. van der Eerden, fytotoxicoloog aan het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (AB-DLO). 2. Overwegingen 2.I. op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning mogen 6.720 vleesvarkens worden gehouden. Deze vleesvarkens worden gehuisvest in een door de Stichting Groen Label erkend staltype BB93.06.010. Verder mogen op grond van de vergunning 3.696 gespeende biggen tot 25 kg worden gehouden in een door de Stichting Groen Labelerkend staltype BB 94.06.021V1. 2.2. Appellant sub 1 heeft zijn beroep, behoudens de beroepsgrond met betrekking tot de directe ammoniakschade, ter zitting ingetrokken, zodat het beroep in zoverre buiten behandeling wordt gelaten. 2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheerkan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheidadvies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. 2.3.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 9 mei 1995,no. E03.94.0976, AB 1995, 529) dat uit artikel 20.6, tweede lid van de Wet milieubeheer moet worden afgeleid dat in de gevallen, bedoeld onder a en c, tegen het besluit slechts beroepsgronden kunnen worden voorgedragen die hun grondslag vinden in de door de desbetreffende rechtzoekende tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen, dan wel betrekking hebben op wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Gebleken is dat appellant sub 1 de beroepsgrond in Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wetmilieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wetmilieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit. 2.6. Appellanten sub 3 betogen dat verweerders, bij de berekening van de stankernissie van de in de inrichting aanwezige gespeende biggen, de omrekeningsfactor voor mestvarkens (1,4) hadden moeten hanteren, aangezien in de varkensmesterij geen fokzeugen worden gehouden. Zij hebben in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 8 december 1994, no. GOS.93.2257 en 25 augustus 1997, no. E03.95.1704. Het vergunde veebestand komt volgens hun overeen met(6.720:1,4 + 3.696:1,4=) 7440 mestvarkeneenheden. 2.6.1. Verweerders hebben de berekening van de stankemissie van de inde inrichting aanwezige dieren uitgevoerd aan de hand van de in bijlage 1 van de Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996 van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 oktober 1996, kenmerk DWL\96057153 (verder te noemen: de Richtlijn) opgenomen omrekeningsfactoren. De Afdeling heeft in haaruitspraak van 21 april 1998, no. E03.97.0115 (AB 1998, 199) geoordeeld dat de in bijlage 1 van deze richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren kunnen worden aanvaard als de meest recente milieutechnische inzichten. Verweerders hebben de stankemissie van de inrichting dan ook terecht bepaald met behulp van de in deze bijlage van de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren. Verweerders hebben berekend dat het veebestand dat op grond van de onderhavige oprichtingsvergunning mag worden gehouden, overeenkomt met een stankemissie van (6.720:1,4 + 3.696:22=) 4.968 mestvarkeneenheden. Deze berekening is juist. De omstandigheid dat in de varkensmesterij geen fokzeugen worden gehouden, kan de Afdeling niet tot een ander oordeel leiden. De door appellanten sub 3 genoemde uitspraken hebben betrekking op een onder de werking van de brochure Veehouderij en Hinderwet (verder te noemen: de brochure) geldende verhouding voor de berekening van het aantal mestvarkeneenheden. Nu verweerders het aantal mestvarkeneenheden hebben berekend met behulp van de in bijlage 1 van de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren, zijn deze uitspraken in dit verband niet relevant. Dit beroepsonderdeel is ongegrond. 2.7. Appellanten sub 3 voeren aan dat verweerders hebben verzuimd te beoordelen of bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. 2.7.1. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage 1994, en de Bijlage, onder D, ten tweede, van dit Besluit, voor zover hier van belang is het oprichten van een varkensmesterij met een capaciteit van 5.000 mestvarken eenheden of meer aangewezen als activiteit waarop de procedure van de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen komt het veebestand waarvoor vergunning is verleend, over De conclusie moet zijn dat het bestreden besluit, wat betreft de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de door de onderhavige veehouderij veroorzaakte bijdrage aan de cumulatie van stankhinder, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. 2.10. De bezwaren van appellanten sub 3 hebben tevens betrekking op stankoverlast vanwege de brijvoederinstallatie. Zij achten de voorschriften 6.10 tot en met 6.16 ontoereikend. Appellant sub 2 betoogt dat voorschrift 6.16 onnodig bezwarendis. Hij stelt in dit verband dat het in voorkomende gevallen mogelijk moet zijn dat brijvoer ook ten behoeve van collega-varkenshouders opgeslagen kan worden. 2.10.1. Ter voorkoming dan wel beperking van mogelijke stankoverlast vanwege de brijvoederinstallatie, hebben verweerders de voorschriften 6.10 tot en met 6.16 aan de vergunning verbonden. In deze voorschriften is onder meer bepaald dat de verwerking van produkten in de brijvoederinstallatie zodanig moet plaatsvinden dat geen geurhinder in de omgeving ontstaat alsmede dat geen bloed, ingewanden en kippenslik in de brijvoederinstallatie mogen worden bewaard of verwerkt. Ingevolge voorschrift 6.16 mag het voeder uit de brijvoederinstallatie uitsluitend worden benut voor binnen deinrichting aanwezige varkens. 2.10.2. De Afdeling overweegt dat in de vergunningaanvraag niet is verzocht om brijvoederproducten voor collega-eehouders op te slaan, zodat deze activiteit niet is en ook niet kan worden vergund. Dat verweerders een verbod ter zake als beperking aan de vergunde activiteiten wegens de daarvan te verwachten gevolgen voor het milieu uitdrukkelijk hebben opgenomen acht de Afdeling niet onrechtmatig. Verder is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat, gelet op de hoeveelheid brijvoeder die volgens de aanvraag in de inrichting wordt opgeslagen, de voorschriften 6.10 tot en met 6.16 toereikend zijn ommogelijke stankoverlast van de brijvoederinstallatie te voorkomen danwel tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Het beroep van appellant sub 2 en het beroep van appellantensub 3 is op dit punt ongegrond. 2.11. Appellant sub 2 kan zich niet verenigen met de voorschriften2.6 en 2.8. 2.11.1. De Afdeling stelt vast dat aan de vergunning geen voorschriften 2.6 en 2.8 zijn verbonden. Het bezwaar van appellant sub 2 mist derhalve feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond. 2.12. Appellanten sub 3 hebben een aantal bezwaren aangevoerd die verband houden met de te verwachten geluidniveaus op de in de voorschriften 3.1 en 3.2 genoemde referentiepunten. 2.12.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor de onderhavige inrichting wat betreft de geluidaspecten de circulaire Industrielawaai tot uitgangspunt genomen, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het recht is te achten. 2.12.2. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder hebben verweerders onder meer de voorschriften 3.1 en 3.2 aan de vergunningverbonden. Ingevolge voorschrift 3.1 mag het equivalente geluidniveau (Lheq) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, op de bij dit voorschrift behorende kaart met nummer Straathof Nr. 1 aangegeven immissiepunten niet meerbedragen dan: 45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. Ingevolge voorschrift 3.2 mag het maximale geluidniveau (Linax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand "fast", op de immissiepunten niet meer bedragen dan:65 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;60 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;55 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. 2.12.3. D Appellanten sub 3 zijn beducht voor ammoniakschade aan de gewassen in de omgeving van de inrichting. Zij hebben verder naar voren gebracht dat verweerders de directe effecten van ammoniak hadden moeten toetsen aan het rapport Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen; update van een risicoschatting uit 1996, opgesteld door het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek(AB-DLO) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 2.15.1. Verweerders hebben in hun verweerschrift en ter zitting gesteld dat appellanten sub 3 deze beroepsgrond eerst in beroep naar voren hebben gebracht, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 2.15.2. Uit het verslag van de hoorzitting die op 23 juni 1997 naar aanleiding van het ontwerpbesluit is gehouden, blijkt dat F één van de appellanten sub 3, als mondelinge bedenking heeft ingebracht dat het kweken van producten in de omgeving van een intensieve veehouderij een belemmering kan vormen voor boeren. De beroepsgrond inzake de directe ammoniakschade vindt naar het oordeel van de Afdeling voldoende grondslag in deze bedenking. De Afdeling ziet dan ook geen reden om het beroep van appellanten sub 3 in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren. 2.15.3. Verweerders hebben bij de beoordeling van de effecten van de ammoniakemissie uit de stallen van de inrichting op gewassen in de omgeving het rapport Stallucht en Planten uit juli 1981, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO) tot uitgangspunt genomen. Uit een door de Regionale Milieudienst van het Streekgewest Westelijk Noord-Brabant te Roosendaal uitgevoerd veldonderzoek is gebleken dat, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, in de directe omgeving van het bedrijf alleen akkerbouwpercelen voor het verbouwen van graansoorten, bieten, uien, aardappelen en dergelijke waren gelegen, aldus verweerders. Verweerders hebben overwogen dat in evengenoemd rapport voor akkerbouwgewassen geen minimaal aan te houden afstand tot varkensstallen wordt aanbevolen. 2.15.4. Het hanteren van het rapport Stallucht en Planten ter invulling van de beoordelingsvrijheid op dit punt was ten tijde van het nemen van het besluit niet in strijd met het recht te achten. De Afdeling merkt in dit verband op dat eerst in november 1998 middels een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid is gegeven aan het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen" uit 1996. Uit het rapport Stallucht en Planten uit juli 1981 blijkt dat directe schade door de uitstoot van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve kippenen varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 meter tussenstallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Voor akkerbouwgewassen en graslanden wordt in het rapport geen minimale afstand aanbevolen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting werden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit binnen de genoemde afstanden geen meer of minder gevoelige gewassen gekweekt of geteeld. Dit beroepsonderdeel is ongegrond. 2.16. Het beroep van appellant sub 1 is geheel en het beroep van appellanten sub 3 is gedeeltelijk nietontvankelijk. Het beroep van appellant sub'2 is wat betreft voorschrift 3.5 gegrond. Het beroep van appellanten sub 3 is voorzover het betreft de beroepsgronden die verband houden met de in de Richtlijn en brochure opgenomen indeling in omgevingscategorieën, cumulatie van stankhinder en de te verwachten geluidniveaus op een aantal referentiepunten gegrond. Nu de door de nrichting te veroorzaken stank en geluidhinder van doorslaggevend belang is of de aangevraagde vergunning kon worden verleend, moet het besluit in zijn geheel worden vernietigd. 2.17. Verweerders dienen op na te melden wijze in de p