Rechtspraak Raad van State 1999-07-22
ECLI:NL:RVS:1999:AA3610
Raad van State H01.98.0114. Datum uitspraak: 22 JULI 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A te B, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 24 december 1997 in het geding tussen: appellant en burgemeester en wethouders van Dalfsen. 1. Procesverloop Bij brief van 6 januari 1995 hebben burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om permanente bewoning van de recreatiewoning C-weg 34 te Dalfsen te gedogen. Bij besluit van 13 juli 1995 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 24 december 1997, verzonden op 30 december 1997, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 januari 1998, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 1998, aangevuld bij brief van 3 maart 1998 hoger beroep ingesteld. Laatstgenoemde brief is aangehecht. Bij brief van 28 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 1999, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door S. Volkerink en mr. W.E.M. Klostermann, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het geschil in hoger beroep, spitst zich toe op de vraag of burgemeester en wethouders terecht hebben geweigerd de permanente bewoning van de recreatiewoning te gedogen. 2.2. De schriftelijke weigering een met het geldende bestemmingsplan strijdige gebruik te gedogen kan in het algemeen niet worden geduid als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zodanige weigering houdt immers niet meer in dan een verklaring van burgemeester en wethouders dat een gedraging of toestand die verboden is niet kan worden gedoogd. De betrokkene weet dan door deze verklaring dat hij verkeert in de normale situatie dat tegen een overtreding van een wettelijk voorschrift door burgemeester en wethouders kan worden opgetreden, maar deze wetenschap kan niet worden aangemerkt als een rechtsgevolg. Eerst wanneer burgemeester en wethouders overgaan tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom is er sprake van een rechtsgevolg en van een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen de betrokkene de rechtsmiddelen van de Awb kan aanwenden. 2.3.1.Met betrekking tot permanente bewoning van recreatiewoningen als thans in geding hebben burgemeester en wethouders algemene regels vastgesteld en gepubliceerd waarmee zij aangeven in welke gevallen de permanente bewoning van deze woningen zal worden toegestaan. Deze algemene regels omvatten bepalingen die het karakter hebben van beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Op grond van artikel 4:84 van de Awb zijn burgemeester en wethouders gehouden bij het nemen van beslissingen omtrent het al dan niet toestaan van permanente bewoning deze beleidsregels te volgen, zij het dat zij op grond van de zogeheten inherente afwijkingsbevoegdheid in bijzondere omstandigheden kunnen afwijken van een beleidsregel ten gunste van een of meer belanghebbenden. Dat wil zeggen dat betrokkenen aanspraak kunnen maken op het toestaan van permanente bewoning in de in de beleidsregels aangegeven gevallen en dat zij ook een beroep kunnen doen op de inherente afwijkingsbevoegdheid. Appellant heeft zich beroepen op deze beleidsregels en - impliciet - op de inherente afwijkingsbevoegdheid. Het Verzoek van appellant moet dan ook worden opgevat als een verzoek om de in de beleidsregels neergelegde aanspraak ook in zijn geval te aanvaarden. Appellant verlangt dat de beleidsregels ook op hem worden toegepast en dat de voor hem uit