Rechtspraak Raad van State 1996-01-06
ECLI:NL:RVS:1996:ZF2482
RAAD VAN STATE No. H01.96.0230. Datum uitspraak: 6 januari 1997. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: burgemeester en wethouders van Alkemade (appellanten) tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 6 februari 1996 in het geschil tussen [bezwaarde] (Sloopwerken B.V.) en de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften der gemeente Alkemade. Procesverloop. Bij besluit van 19 december 1994 hebben appellanten [bezwaarde] (hierna te noemen: [bezwaarde]) krachtens artikel 125 van de Gemeentewet gelast de in dat besluit vermelde activiteiten te staken. Tegen dit besluit heeft [bezwaarde] bij brief van 17 januari 1995 bezwaar gemaakt bij appellanten. Bij besluit van 10 april 1995, verzonden 19 april 1995, heeft de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften der gemeente Alkemade het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht. Tegen dit besluit heeft [bezwaarde] bij brief van 24 mei 1995 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Bij uitspraak van 6 februari 1996, Reg. nr. Awb 95/5462, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 april 1995 vernietigd. De uitspraak van de rechtbank is aan deze uitspraak gehecht. Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben appellanten bij brief van 5 maart 1996 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger-beroepschrift is aan deze uitspraak gehecht. Bij brief van 21 mei 1996 heeft [bezwaarde] een memorie ingediend. Het hoger beroep is op 15 augustus 1996 behandeld op een openbare zitting van de Afdeling, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr J. O., ambtenaar der gemeente, alsmede [bezwaarde] in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde M.W. v. 't V., hun standpunten hebben toegelicht. Overwegingen. Bij besluit van 20 december 1993, zoals gewijzigd bij besluit van 30 mei 1994, heeft de gemeenteraad van Alkemade vastgesteld de Verordening commissie bezwaar- en beroepschriften 1994 (hierna te noemen: de Verordening). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening is er een commissie die beslist op gemaakte bezwaren en ingestelde administratieve beroepen als bedoeld in artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb). Bij haar uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat niet burgemeester en wethouders van Alkemade op het bij hen ingediende bezwaarschrift hebben beslist, maar de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Alkemade (hierna te noemen: de commissie). Dit is geschied op basis van de Verordening. Deze toekenning van bevoegdheden van burgemeester en wethouders vindt haar grondslag in artikel 165 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel kan de raad, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, aan een commissie als bedoeld in artikel 82 van die wet bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders toekennen. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat artikel 129, derde lid, van de Gemeentewet hier van belang is. Ingevolge dit artikellid bezit een commissie waaraan bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders zijn overgedragen de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts indien deze uitdrukkelijk aan haar is overgedragen. De tekst van de Verordening mist evenwel een uitdrukkelijke bepaling blijkens welke de aan de commissie toegekende bevoegdheden tevens de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang insluiten. Dit betekent, aldus de rechtbank, dat niet de commissie maar het college van burgemeester en wethouders als het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan is aan te merken. De rechtbank heeft op die grond het besluit van de commissie van 10 april 1995 als onbevoegdelijk genomen vernietigd. Appellanten hebben daartegen in hoger beroep aangevoerd dat de beslissing van de commissie inhoudt dat het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard. Het oorspronkelijke besluit van a