Rechtspraak Raad van State 1996-06-04
ECLI:NL:RVS:1996:ZF2229
Raad van State No. H01.95.0596/Q01. Datum uitspraak: 4 juni 1996. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Minister van Verkeer en Waterstaat (appellant) tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 25 september 1995, reg. nrs. Awb 95/4605, Awb 95/4603, in het geschil tussen: [vergunninghouder] B.V. te [vestigingsplaats] en appellant. Procesverloop Bij besluit van 3 april 1995, kenmerk DI 95/1120, heeft appellant de aan [vergunninghouder] B.V., hierna te noemen: [vergunninghouder], voor de keuringsplaats, gelegen te [vestigingsplaats], [adres], met keuringsinstantienummer [nummer], verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen op grond van artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 met ingang van 12 april 1995 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft [vergunninghouder] bij schrijven van 10 april 1995 een bezwaarschrift bij appellant ingediend. Bij besluit van 6 juni 1995, kenmerk DI95/1910/JZ, heeft appellant de bezwaren van [vergunninghouder] ongegrond verklaard. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht. Tegen dit besluit heeft [vergunninghouder] bij schrijven van 18 juli 1995 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft hij de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep gegrond verklaard, de besluiten van 3 april 1995 en 6 juni 1995 vernietigd en het verzoek een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. De uitspraak van de president is aan deze uitspraak gehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij schrijven van 2 november 1995 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit schrijven is aan deze uitspraak gehecht. Bij schrijven van 24 januari 1996 heeft [vergunninghouder] een memorie ingediend. Het geschil is op 25 maart 1996 behandeld in een openbare vergadering van de Afdeling, waarin appellant, vertegenwoordigd door mevrouw drs J. G., ambtenaar bij de Rijksdienst voor het wegverkeer, en [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mevrouw mr C.A.H.M. B., gemachtigde, en de heer V., keurmeester bij [vergunninghouder], hun standpunten nader hebben toegelicht. Overwegingen Op 28 maart 1995 heeft appellant tijdens een in het kader van een steekproef geeiste herkeuring van het voertuig met het kenteken [kenteken] geconstateerd dat door [vergunninghouder] artikel 32, derde lid, van de Erkenningsregeling APK is overtreden. Tijdens een gehoor op 29 maart 1995 heeft [vergunninghouder] erkend dat de tot het verrichten van keuringen bevoegde persoon niet bij de steekproefherkeuring aanwezig was - hetgeen artikel 32, voornoemd, vereist - en aangegeven welke omstandigheden aan dit verzuim ten grondslag lagen. Appellant heeft daarop bij besluit van 3 april 1995 de erkenning van [vergunninghouder] voor het uitvoeren van zogenoemde APK-keuringen voor voertuigen tot 3500 kg ingetrokken. De bevoegdheid hiertoe ontleent appellant aan de Wegenverkeerswet 1994. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet van 21 april 1994, Stb. 475, houdende vervanging van de Wegenverkeerswet, hierna te noemen: Wegenverkeerswet 1994, zoals nadien gewijzigd, kan de Minister van Verkeer en Waterstaat een erkenning intrekken of wijzigen dan wel de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen. In de Regeling van 12 december 1994, Stcrt. 242, nr. RV 188314, houdende vaststelling regels erkenning voor het uitvoeren van de periodieke keuring van motorrijtuigen en aanhangwagens, hierna te noemen: Erkenningsregeling APK, zijn regels neergelegd omtrent de erkenningseisen en -voorschriften. Ingevolge artikel 32, derde lid, van de Erkenningsregeling APK moet aan een steekproef alle medewerking wor Het voertuig is door zijn medewerker om 13.37 uur afgemeld, waarbij de mededeling verscheen dat herkeuring zou plaatsvinden. Vast staat voorts dat in dit geval geen sprake is van een tijdelijke intrekking van twaalf weken - zoals appellant stelt - maar van een definitieve intrekking, dat wil zeggen een sanctie van de zwaarste categorie. In dit verband merkt de Afdeling op dat, zoals ook door de president van de rechtbank is overwogen, het feit dat de gewezen erkenninghouder op grond van artikel 84, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 na een periode van minimaal twaalf weken opnieuw een aanvraag kan indienen en, tegen betaling van het daarvoor bij ministeriele regeling vastgestelde tarief, in aanmerking kan komen voor een nieuwe erkenning, de in geding zijnde intrekking haar definitieve karakter niet ontneemt. In de toetsing welke de president heeft verricht staat centraal diens overweging dat uit het bestreden besluit niet, althans onvoldoende, blijkt dat de minister de belangen op een wijze als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgewogen. Blijkens zijn verdere overwegingen doelt de president hier op een schending van het tweede lid van dat artikel. Daarin is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Gelijk de Afdeling tot uitdrukking heeft gebracht in haar uitspraak van 9 mei 1996 inzake H01.95.0337 dient de bestuursrechter, bij het toetsen van de beslissing tot aanwending van een discretionaire bevoegdheid door een bestuursorgaan aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zich te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Die regel treedt evenwel terug indien, zoals in het nu voorliggende geschil, sprake is van het beoordelen van de oplegging van een sanctie waarbij het bevorderen van de naleving van rechtsnormen door middel van toevoeging van extra leed, ter afschrikking, voorop staat. Dan dient de bestuursrechter een uitzondering te maken op de zojuist beschreven terughoudendheid bij de toetsing van de door het bestuursorgaan verrichte afweging van belangen, en artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht aldus toe te passen dat hij beoordeelt of evenredigheid bestaat tussen de ernst van de verweten overtreding en de zwaarte van de opgelegde sanctie. De Afdeling verwijst hier naar de met deze beoordelingswijze overeenkomende jurisprudentie van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State, welke door die Afdeling is ingezet met haar uitspraak van 15 maart 1989 inzake R03.87.4681 (AB 1990, 299) en welke aansloot op jurisprudentie van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State (uitspraak van 22 september 1988 inzake G04.86.1581.214E.88, AB 1988, 521). De president heeft, zij het zonder de door hem gekozen omvang van zijn toetsing met zoveel woorden te rechtvaardigen, in overeenstemming met het voorgaande gehandeld. Met de president is de Afdeling voorts van oordeel dat, in dit geval de opgelegde sanctie niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreden norm. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat een eenmalige niet opzettelijke overtreding van een voorschrift, dat indirect dient ter bescherming van de belangen van de verkeersveiligheid, er niet toe mag leiden dat appellant, zonder dit uitvoerig te motiveren, de zwaarste sanctie toepast terwijl het door appellant gevoerde beleid voorziet in de mogelijkheid om in gevallen als het onderhavige lichtere sancties op te leggen. De president heeft het bestreden besluit van 6 juni 1996 dan ook terecht vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Met betrekking tot het beroep dat appellant heeft gedaan