Rechtspraak Raad van State 1996-05-06
ECLI:NL:RVS:1996:ZF2116
RAAD VAN STATE No. H01.95.0326. Datum uitspraak: 6 mei 1996 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoqer beroep van: Stichting 'Damsigt-Park Leeuwensteyn' te Voorburg (appellante) tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 12 mei 1995 in het geschil tussen 1. appellante en 2. A en anderen, allen handelend ten behoeve van het Platform tegen de Verlengde Landscheidingsweg, kantoorhoudend te Leiden en de Minister van Verkeer en Waterstaat. Procesverloop Bij schrijven van - naar moet worden aangenomen - 29 april 1994 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, hierna: de Minister, de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal - onder meer - medegedeeld het tracebesluit, inhoudende de aanleg van een deels verdiepte stadsrandweg tussen rijksweg 4 en rijksweg 44, te hebben vastgesteld. Voorts zijn de Minister, het provinciaal bestuur van Zuid-Holland en het gemeentebestuur van Den Haag op 29 april 1994 in het Protocol Noordelijke Randweg Haagse regio (NORAH), hierna: het protocol, overeengekomen - beknopt weergegeven -: - dat NORAH volgens de variant deels verdiepte stadsrandweg zal worden gerealiseerd; - dat nadere afspraken over de financiering en aanleg van NORAH zulen worden gemaakt; - dat het ontwerp van NORAH zal worden uitgewerkt tot een definitief ontwerp; - dat juridisch-planologische procedures die noodzakelijk zijn om tijdige realisering van NORAH mogelijk te maken in gang zullen worden gezet en dat hierover in overleg zal worden getreden met de gemeenten Leidschendam, Voorburg en Wassenaar; - dat partijen streven naar een gecoordineerde uitvoering van de realisatie van NORAH en - dat partijen nader afspraken zullen maken over het beheer van NORAH en daarbij zonodig de gemeenten Leidschendam, Voorburg en Wassenaar zullen betrekken. Bij schrijven van 7 juni 1994 hebben A en anderen bezwaar gemaakt bij de Minister tegen het tracebesluit en het protocol. Bij schrijven van 9 juni 1994 heeft appellante hetzelfde gedaan. Bij besluit van 15 augustus 1994 heeft de Minister A en anderen niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren. Bij besluit van 16 augustus 1994 heeft de Minister ook appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht. Bij schrijven van 23 september 1994 hebben A en anderen beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Den Haag, hierna: de rechtbank, tegen het besluit van de Minister van 15 augustus 1994. Bij schrijven van 25 september 1994 heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van de Minister van 16 augustus 1994. Bij uitspraak van 12 mei 1995 heeft de rechtbank zowel het beroep van A en anderen als het beroep van appellante ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank is aan deze uitspraak gehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij schrijven van 27 juni 1995, aangevuld bij schrijven van 31 juli 1995, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger-beroepschrift en het aanvullend hoger-beroepschrift zijn aan deze uitspraak gehecht. Op 7 december 1995 heeft de Minister een memorie ingediend. Het hoger beroep is op 18 maart 1996 behandeld in een openbare vergadering van een Meervoudige Kamer van de Afdeling waarin appellante, vertegenwoordigd door mr A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, en de Minister, vertegenwoordigd door mr A. van der Luit, ambtenaar ten departemente, hun standpunten nader hebben toegelicht. Namens gedeputeerde staten van Zuid-Holland is verschenen R.A. K., ambtenaar der provincie. Het standpunt van burgemeester en wethouders van Den Haag is toegelicht door ing A.J.H.T. E., ambtenaar der gemeente, verschenen. Overwegingen In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het tracebesluit en het protocol geen besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, wat met zich brengt dat daartegen geen bezwaar kon worden gemaakt en dat de Minister appellante derhalve terecht niet-ontva