Rechtspraak 1999-12-31
ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4811
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Reg.nr: Awb 99/3787 UITSPRAAK in het geschil tussen: 1. Regma Nederland B.V., gevestigd te Almere, 2. A, wonende te B, eisers, gemachtigde: mw mr E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem, en het college van burgemeester en wethouders van Lelystad, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder dd. 3 maart 1999, verzonden op 6 april 1999, kenmerk 99.001351, inhoudende de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van eisers tegen de weigering bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een reclamemast op het perceel Pascallaan 36 te Lelystad. 2. Zitting Datum: 30 november 1999. Voor eisers is verschenen A, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr H.D. Luinstra, ambtenaar van de gemeente Lelystad. 3. De feiten en het verloop van de procedure Met formulier dd. 14 april 1998, door verweerder ontvangen op 29 april 1998, hebben eisers verzocht om bouwvergunning voor het oprichten van een reclamemast met een hoogte van 25 meter en een diameter van 1,72 m ter bevestiging van drie onder elkaar te plaatsen reclameborden van 25 m2 elk op het perceel […]laan 36 nabij de A6 te Lelystad. Bij brief van 26 mei 1998 heeft verweerder eisers bericht dat de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt aangehouden. Met brief dd. 28 mei 1998 heeft de welstandscommissie verweerder laten weten van mening te zijn dat het bouwplan niet zonder meer voldoet aan redelijke eisen van welstand. De commissie heeft verweerder daarbij verzocht om een nadere beleidsonderbouwing ten aanzien van afmetingen, gebruik, plaats e.d. voor reclamemasten langs de snelweg, op grond waarvan de commissie een definitief oordeel kan geven. Bij brief van 18 juni 1998 heeft verweerder dit advies van de welstandscommissie meegedeeld aan eisers. Op 23 juli 1998 heeft de welstandscommissie in grote lijnen ingestemd met de in het advies "Beeldregie reclame Larserpoort/A6" van Zandvoort Ordening & Advies B.V. voorgestane variant 5c voor reclamemasten, daarop neerkomend dat een reclamezuil in de voorruimte van het bedrijfsgebouw moet worden gesitueerd en -qua massa, vorm en hoogte- slank, een steiger met baken moet zijn. De welstandscommissie heeft hieraan toegevoegd de nadere richtlijn dat de oppervlakte van reclameborden niet meer mag bedragen dan 1 m2 per strekkende meter masthoogte. Bij brief van 23 juli 1998 heeft de welstandscommissie verweerder meegedeeld dat zij overwegende bezwaren heeft tegen het bouwplan van eisers, aangezien zij van mening is dat dit bouwplan niet aan de geformuleerde kwaliteitseisen voldoet, omdat de diameter van de mast en de reclameoppervlakte te groot zijn en in meer dan één reclamebord wordt voorzien. Met brief dd. 30 juli 1998 heeft verweerder eisers hierover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld een aangepast bouwplan in te dienen. Van dit laatste hebben eisers geen gebruik gemaakt. Op 4 augustus 1998 heeft verweerder in navolging van de welstandscommissie richtlijnen vastgesteld voor reclamemasten in het gebied Larserpoort/A6. Bij besluit van 13 oktober 1998, verzonden op 19 oktober 1998, heeft verweerder, omdat hij van oordeel is dat het bouwplan van eisers in strijd is met redelijke eisen van welstand, de gevraagde bouwvergunning geweigerd. Namens eisers is hiertegen bij brief van 19 november 1998 bezwaar gemaakt. Op 21 februari 1999 heeft de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Lelystad verweerder geadviseerd dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Bij het bestreden besluit van 3 maart 1999, verzonden op 6 april 1999, heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard. Hiertegen is namens eisers bij brief van 11 mei 1999 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Verweerder heeft desverzocht bij brief van 11 augustus 1999 verweer gevoerd. 4. Motivering 4.1 Wettelijk kader Voor zover in deze Verder menen eisers dat verweerder in dit geval reden had moeten zien om af te wijken van het advies van de welstandscommissie in plaats van zich daaraan te conformeren. Verweerder erkent dat artikel 4, derde lid, onder 6b, van de planvoorschriften aan het bestemmingsplan "Larserpoort" is toegevoegd om de plaatsing van een reclamemast op eigen grond voor eisers mogelijk te maken. Er zijn volgens verweerder echter geen afspraken gemaakt over de exploitatie van de reclamemast; het is ook nooit de bedoeling geweest om in het plangebied reclamemasten mogelijk te maken voor andere doeleinden dan voor het profileren van de eigen bedrijfsnaam of producten. Verweerder baseert het bestreden besluit op zijn overeenkomstig het advies van de welstandscommissie gegeven welstandsoordeel, wijst erop dat eisers geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd en is van mening dat er geen redenen bestaan om af te wijken van het advies van de welstandscommissie. 4.3 Beoordeling van het geschil 4.3.1 Allereerst zal de rechtbank nagaan of verweerder er terecht van is uitgegaan dat niet van rechtswege bouwvergunning is verleend. Nu niet in geschil is dat verweerder eisers bij brief van 26 mei 1998 op juiste gronden heeft bericht dat de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning is aangehouden, gaat de rechtbank er vanuit dat artikel 50, eerste lid, Ww van toepassing is. Gelezen artikel 46, eerste lid, Ww in samenhang met artikel 50, eerste, derde en zevende lid, Ww was verweerder -gelet op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Larserpoort"- gehouden uiterlijk op 20 oktober 1998 op de bouwaanvraag van eisers te beslissen. Aangezien verweerder het besluit tot weigering van de bouwvergunning op 19 oktober 1999 door middel van verzending aan eisers op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, heeft hij tijdig op de bouwaanvraag beslist. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld, dat niet van rechtswege bouwvergunning is verleend. 4.3.2 Het bouwplan voorziet in een reclamemast, die niet is bedoeld voor het profileren van de eigen bedrijfsnaam of producten van eisers maar voor commerciële expoitatie door middel van het tegen vergoeding aanbrengen van reclamborden voor derden. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat het bestemmingsplan "Larserpoort" zich hier niet tegen verzet. Nu ook overigens niet is gebleken dat het bouwplan van genoemd bestemmingsplan afwijkt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan "Larserpoort". 4.3.3 Gelet op het vorenstaande ligt thans de vraag voor of verweerder - door bij het bestreden besluit zijn weigering om eisers de gevraagde bouwvergunning te verlenen te handhaven - op juiste gronden tot het oordeel kon komen dat het bouwplan van eisers niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank overweegt het volgende. 4.3.4 De rechtbank begrijpt de standpunten van partijen aldus dat in de eerste plaats in geschil is de vraag of verweerder bevoegd is beleid ter zake van de welstandsbeoordeling van in het gebied Larserpoort/A6 te bouwen reclamemasten te formuleren. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit artikel 44, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 12, eerste lid, Ww vloeit voort dat aan verweerder bij de toepassing van deze bepalingen een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt of een bouwwerk aan redelijke eisen van welstand voldoet, met dien verstande dat voldoende aandacht dient te worden geschonken aan het ingevolge artikel 48, eerste lid, Ww in te winnen advies van de welstandscommissie. Krachtens artikel 4:81, eerste lid, Awb is verweerder bevoegd beleidsregels - volgens artikel 1:3, vierde lid, Awb een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg v Nu evenwel eisers zelf wel degelijk bekend zijn met deze beleidsregels en verweerder zowel bij de primaire besluitvorming als bij het bestreden besluit uitgebreid aandacht heeft besteed aan de inhoud van deze beleidsregels en aan de punten waarop het bouwplan van eisers daaraan niet voldoet, is de rechtbank van oordeel dat deze tekortkoming niet behoeft te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. 4.3.8 Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan van eisers niet past in het welstandsbeleid terzake van verweerder. Eisers richten zich met name tegen het door verweerder overgenomen negatief advies van de welstandscommissie, waarbij partijen van mening verschillen of verweerder van dit advies dan wel - met hetzelfde resultaat voor eisers - van het welstandsbeleid, waarop dit advies is gebaseerd, had moeten afwijken. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 4.3.9 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij welstandstoetsing in de regel groot gewicht worden toegekend aan het advies van de welstandscommissie. Niet zonder reden voorziet de Woningwet in de instelling van een commissie van onafhankelijke deskundigen voor het uitbrengen van adviezen over ingediende bouwplannen. Deze advisering moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van welstandsaspecten. Hoewel burgemeester en wethouders niet aan het welstandsadvies gebonden zijn en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hen berust, mogen zij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders het niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent welstand ten grondslag hadden mogen leggen. 4.3.10 Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval sprake van een welstandsadvies dat verweerder niet zonder meer aan hun oordeel omtrent de redelijke eisen van welstand van het bouwplan van eisers ten grondslag had mogen leggen. Zij overweegt daartoe dat eisers onder de gegeven omstandigheden het beding, vastgelegd in het koopcontract en de transportakte terzake levering van het perceel […]laan 36 door de gemeente Lelystad, inhoudende dat het bestemmingsplan zodanig zal worden gewijzigd dat de plaatsing van een reclamezuil op de eigen kavel mogelijk is, in die zin mochten opvatten dat die reclamezuil commercieel te exploiteren zou zijn, dat wil zeggen winstgevend en niet alleen ten behoeve van de profilering van de eigen bedrijfsnaam of producten. Hierbij is in aanmerking genomen dat dit beding tot stand is gekomen in het kader van onderhandelingen over de - zij het niet volledige - compensatie door de gemeente Lelystad van een substantieel premieverlies door eisers bij vestiging van hun bedrijf te Lelystad, voorts dat het bouwplan van eisers ten tijde van het passeren van de transportakte op 16 juni 1998 volledig bekend was bij verweerder, zonder dat dit verweerder aanleiding heeft gegeven tot enige voorafgaande waarschuwing aan eisers omtrent de aanvaardbaarheid van dit bouwplan, en tenslotte dat de volgens het welstandsbeleid en -advies toelaatbare reclamebebordingsoppervlakte van 25 m² - zoals eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt - anders dan de beoogde oppervlakte van 75 m² geen commerciële exploitatie van de reclamemast mogelijk maakt. Verweerder heeft door het vorenstaande niet te onderkennen gehandeld in strijd met artikel 3:2 Awb en het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb onvoldoende gemotiveerd. 4.4 Slotsom Gelet op al het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep van eisers