Rechtspraak 1999-03-11
ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3898
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE DE PRESIDENT reg. nrs : AWB 99/1322 AWB 99/1323 uitspraak: 11 maart 1999 U I T S P R A A K van de president van de rechtbank betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen: 1. A, 2. A-B, wonende te Kampen, tezamen vormend de maatschap A, verzoekers, gemachtigde: mr J.P.F.W. van Eijck, advocaat te Rotterdam, en het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Groot Salland, verweerder, gemachtigde: mw drs A.M.E. Moonen, beleidsmedewerker Bestuurlijk Juridische Zaken van het Waterschap Groot Salland. 1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft Het besluit van verweerder van 11 februari 1999, waarbij verweerder heeft gehandhaafd zijn weigering verzoekers een afschrift van het in 1995 door ing. B. Van Dasselaar van Heidemij Advies B.V. opgestelde taxatierapport toe te zenden. 2. De feiten en het verloop van de procedure Het voormalige Waterschap IJsseldelta, waarvan het Waterschap Groot Salland de rechtsopvolger is, heeft in 1996 in het kader van dijkverbetering de dijk Haatlandhaven- Roggebotsluis in bezit genomen. De dijk was eigendom van de gemeente Kampen. Een gedeelte van de dijk werd gepacht door verzoekers. In verband hiermee is door het waterschap aan verzoekers een schadevergoeding wegens ontpachting aangeboden ter grootte van f 330.000,--. Verzoekers hebben dit aanbod afgewezen en hebben aangaande de hoogte van de schadevergoeding bij op 29 juli 1997 uitgebrachte dagvaarding een civiele procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank (rolnummer 32896/HA ZA 97-910). Bij schrijven van 7 en 22 september 1998 hebben verzoekers verweerder gevraagd een afschrift van het taxatierapport toe te zenden, dat ing. B. Van Dasselaar van Heidemij Advies B.V. in 1995 in opdracht van het Waterschap IJsseldelta heeft opgesteld. Verweerder heeft bij besluit van 30 september 1998 op dat verzoek afwijzend beslist. Tegen dat besluit hebben verzoekers bij schrijven van 3 november 1998 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Op 21 december 1998 is het bezwaarschrift aan de orde gesteld op een hoorzitting van de commissie voor de behandeling van bezwaren van het Waterschap Groot Salland. De commissie heeft verweerder op 29 januari 1999 geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren en verzoekers alsnog afschrift te verstrekken van het taxatierapport. Bij besluit van 11 februari 1999 heeft verweerder zijn weigering verzoekers afschrift te verstrekken van het taxatierapport gehandhaafd. Tegen dat besluit hebben verzoekers bij schrijven van 1 maart 1999 beroep ingesteld. Bij schrijven van gelijke datum hebben verzoekers zich tevens tot de president van de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb, waarbij zij hebben gevraagd verweerder bij wijze van voorlopige voorziening op te dragen het taxatierapport vóór 12 maart 1999 aan hen ter beschikking te stellen. Op 8 maart 1999 heeft verweerder het rapport van ing. B. Van Dasselaar van 3 november 1995 ingediend. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat uitsluitend de president c.q. de rechtbank van dat stuk kennis zal mogen nemen. Bij schrijven van 8 maart 1999 heeft verweerder voorts een verweerschrift en de (overige) op het geding betrekking hebbende stukken ingediend. Bij schrijven van 8 maart 1999 heeft de griffier aan partijen medegedeeld dat de rechtbank c.q. de president beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, derde en vijfde lid, Awb ten aanzien van het rapport van ing. B. van Dasselaar van 3 november 1995 gerechtvaardigd acht. Desverzocht heeft verweerder op 9 maart 1999 een nader stuk ingediend. Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 maart 1999. Van de zijde van verzoekers is verschenen A, bijgestaan door mr Van Eijck. Verweerder heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mw drs Moonen. 3. Overwegingen Ingevolge artikel 8:81 Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op Het enkele feit dat de gevraagde informatie kan worden gebruikt ten behoeve van een gerechtelijke procedure is onvoldoende voor een beroep op deze weigeringsgrond. Openbaarmaking van het rapport zal naar de mening van verzoekers bovendien de positie van het waterschap niet of nauwelijks schaden. Het waterschap beroept zich op de aanhangige civiele procedure immers op een nieuw taxatierapport. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de economische of financiële positie van het waterschap door openbaarmaking van het rapport zou kunnen worden geschaad, zijn verzoekers van oordeel dat hun belangen bij openbaarmaking zwaarder dienen te wegen dan het belang van het waterschap, aangezien verzoekers destijds volledig inzage hebben gegeven in hun financiële gegevens ervan uitgaande dat zij te zijner tijd een afschrift van het taxatierapport zouden ontvangen. Standpunt verweerder Verweerder heeft aangevoerd dat het feit dat het rapport is opgesteld door een externe deskundige niet maakt dat het niet kan worden beschouwd als een voor intern beraad bestemd stuk. In dit verband heeft verweerder gewezen op de uitspraken van de Voorzitter van de (voormalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 16 mei 1991, KG 1991/247, en van 31 oktober 1989, Belastingblad 25 april 1990, nr. 7. Verder heeft verweerder aangevoerd dat het rapport een mengeling is van persoonlijke uitgangspunten, feitelijke gegevens en persoonlijke meningen en daarmee samenhangende conclusies, zodat het niet mogelijk is een ingekorte of geobjectiveerde versie van het rapport te verstrekken. Verweerder is van oordeel dat de vrije meningsvorming binnen het waterschap wordt belemmerd wanneer de deelnemers aan het interne beraad geen ruimte hebben voor het uiten van persoonlijke beleidsopvattingen, vanwege de wetenschap dat hun inbreng openbaar gemaakt zal/kan worden. Het waterschap moet een openhartige gedachtenwisse- ling met zijn, al dan niet externe, adviseurs kunnen hebben zonder genoodzaakt zijn een rapport/advies van hen openbaar te maken. Dit geldt ook voor het onderhavige rapport. Verder heeft verweerder betoogd dat verstrekking van het rapport de positie van het waterschap in de civiele procedure kan verzwakken. In dit verband heeft verweerder nogmaals gewezen op de uitspraak van 31 oktober 1989. Het belang van verzoekers bij openbaarmaking van het rapport weegt niet op tegen het financieel belang van het waterschap om het rapport niet te verstrekken. Beoordeling van het verzoek Vooraf zij opgemerkt dat de gevraagde voorlopige voorziening een vergaande maatregel is, die feitelijk niet omkeerbaar is. Daarvoor is slechts plaats indien sterke twijfel bestaat over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang de maatregel vereist. De gemachtigde van verzoekers heeft ter zitting aangegeven dat een (nader) uitstel van de in de civiele procedure gestelde termijn, welke loopt tot en met 12 maart 1999, hoogst- waarschijnlijk zal leiden tot uitstel van de in die procedure in april 1999 geplande pleidooien en dat de advocaat van verweerder in die procedure te kennen heeft gegeven met een dergelijk uitstel niet akkoord te gaan. Nu voorts uit het verhandelde ter zitting is gebleken, dat verzoekers verweerder reeds in een eerder stadium (zij het niet uitdrukkelijk in het kader van de Wob) hebben verzocht om afgifte van het rapport, is de president van oordeel dat in de huidige stand van zaken in de civiele procedure een voor verzoekers zwaarwegend spoedeisend belang is gelegen. Ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit overweegt de president als volgt, waarbij wordt opgemerkt dat verzoekers de president ter zitting toestemming hebben verleend mede op basis van het rapport van ing. B. van Dasselaar van 3 november 1995 uitspraak te doen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder