Rechtspraak 1999-07-08
ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3608
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Reg.nr.: AWB 97/3183 UITSPRAAK in het geschil tussen: A te B, eiser, gemachtigde: J. van der Haar, werkzaam bij Administratieburo Partax B.V. te Amsterdam, en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 11 april 1997. 2. Zitting Datum: 2 juni 1999. Eiser is in persoon verschenen met zijn echtgenote. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr K.J. de Jong, ambtenaar van verweerders ministerie. 3. De feiten en het verloop van de procedure Eiser ontving sedert 3 juli 1986 op grond van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 een jaarlijkse bijdrage van f 5.500,-. Op 17 juli 1996 heeft verweerder aan eisers echtgenote verzocht om inkomensgegevens van 1991 en 1992 in te zenden teneinde de contante waarde en de hoogte van de subsidie met ingang van het jaar 1996 te kunnen vaststellen. Dit verzoek is op 16 september 1996 herhaald met de waarschuwing dat indien voor 15 november 1996 niets zou zijn vernomen, de subsidie wordt ingetrokken. Op 10 december 1996 schrijft eiser aan verweerder dat hij verlaat is in verband met het wachten op zijn belastinggegevens. In januari 1997 heeft eiser de gevraagde gegevens alsnog ingezonden. Bij besluit van 6 januari 1997 heeft verweerder besloten de toekenningsbeschikking van 30 december 1996, waarbij de bijdrage voor de periode 4 juli 1996 tot 4 juli 1997 is toegekend, in te trekken omdat niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden en bepalingen van de regeling. Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 23 januari 1997 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 11 april 1997 heeft verweerder besloten het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren en zijn besluit van 6 januari 1997 te handhaven. Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 21 mei 1997 beroep ingesteld, welk beroep nader is onderbouwd bij brief van 26 juni 1997. Desgevraagd heeft verweerder op 8 september 1997 een verweerschrift ingediend. Bji schrijven van 23 december 1998 heeft verweerder nog enkele vragen van de rechtbank beantwoord. Bij de behandeling ter zitting is door verweerder toegezegd, dat een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) zou worden ingezonden. Deze bleek echter nog niet voorhanden. Teneinde de termijn voor de uitspraak niet te laten verlopen, doet de rechtbank thans uitspraak. 4. Motivering Het bestreden besluit van verweerder strekt ertoe dat eiser met ingang van 4 juli 1996 geen jaarlijkse bijdrage meer verkrijgt op grond van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. In dit geding is de vraag aan de orde of dit besluit in rechte in stand kan blijven. wettelijk kader Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder d van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984, zoals deze luidde op 1 januari 1985, (hierna te noemen: de Beschikking) wordt de jaarlijkse bijdrage verstrekt onder de voorwaarde dat de bescheiden en gegevens, die nodig zijn voor de richtige toepassing van deze beschikking, worden verstrekt. Ingevolge artikel 27, aanhef en sub a van de Beschikking kan de jaarlijkse bijdrage worden ingetrokken indien wordt of is gehandeld in strijd met de bepalingen van deze beschikking dan wel met de aan de verstrekking verbonden voorwaarden. standpunten van partijen Het besluit van verweerder steunt op de overweging dat (de gemachtigde van) eiser ondanks twee herhaalde verzoeken in 1996 van verweerder heeft verzuimd tijdig aan verweerder de inkomensgegevens over de kalenderjaren 1991 en 1992 te verstrekken ten behoeve van het uitvoeren van de reguliere inkomenstoets die betrekking heeft op de bijdrageverstrekking voor de periode na 1996. Eiser heeft daarmede in strijd gehandeld met de bepalingen van de genoemde Beschikking dan wel met de aan de verstrekking verbonden voorwaarden. Op een tijdig verzoek wordt de inzendtermijn in de regel verlengd. Laat men niets van Hoewel formeel sprake lijkt te zijn van een intrekking van de subsidie omdat niet is voldaan aan de subsidievoorwaarden, is materieel veeleer sprake van een sanctie op het niet (tijdig) inzenden van stukken. De rechtbank leidt dit af uit de circulaire MG 94-28 die de Staatssecretaris van VROM op 22 juni 1994 het licht heeft doen zien en waarin het sanctiebeleid voor subsidieregelingen op het vlak van de volkshuisvesting is aangepast aan het evenredigheidsbeginsel in verband met de invoering van de Awb. In die circulaire wordt gesproken van sancties en sanctiebeleid waar het gaat om intrekking van subsidies bij termijnoverschrijdingen. De mate van de termijnoverschrijding en het financiële belang van de betrokkene zijn bepalend voor de omvang van het in te trekken deel van de subsidie. Ter zitting is namens verweerder gesteld dat voornoemde circulaire slechts geldt voor wettelijk geregelde termijnen. Dit doet echter naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het punitieve karakter van de onderhavige intrekking ex artikel 27 van de Beschikking. Sancties mogen ingevolge artikel 3.4, tweede lid, van de Awb niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De rechtbank zal eerst het beleid in zijn algemeenheid hierop beoordelen en vervolgens bezien, of de onderhavige intrekking aan het evenredigheidsbeginsel voldoet. Verweerder voert terzake van zijn bevoegdheid ex artikel 27 van de Beschikking wat betreft het niet (tijdig) overleggen van door hem gevraagde en voor de subsidietoetsing benodigde (inkomens)gegevens het beleid dat bij nalatigheid van een subsidieverkrijgende in dezen de jaarlijkse bijdrage steeds in zijn geheel wordt ingetrokken. Een tijdig uitstelverzoek pleegt doorgaans te worden gehonoreerd. De rechtbank is van oordeel, dat dit beleid te categorisch is om de rechterlijke toets te kunnen doorstaan. Er is geen enkele nuance; zowel bij een geringe termijnoverschrijding als in het geval van een forse fraude is de "straf" hetzelfde: algehele intrekking van de subsidie voor de rest van de looptijd. Aldus strekken de gevolgen van een eenmalige tekortkoming zich over vele jaren uit, waaronder jaren waarop die tekortkoming helemaal geen betrekking heeft. In het kader van een dergelijk beleid kunnen geen besluiten worden genomen die voldoen aan de vereisten, neergelegd in artikel 3:4 van de Awb: afweging van de betrokken belangen en geen onevenredigheid tussen doel en middel. Bovendien acht de rechtbank het door verweerder in dit verband gemaakte onderscheid tussen wettelijke en niet wettelijke termijnen in rechte volstrekt niet verdedigbaar. Het gaat immers niet aan het evenredigheidsbeginsel dat in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is opgenomen voor alle besluiten, te beperken tot besluiten inzake sancties met betrekking tot in de wet geregelde termijnen. Er is geen redelijke grond voor dit onderscheid en de rechtbank acht het maken van dit onderscheid dan ook in strijd met het willekeurverbod als neergelegd in artikel 3:4 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank zal verweerder met betrekking tot zijn bevoegdheid ex artikel 27 van de Beschikking een beleid dienen te ontwikkelen dat voldoet aan de vereisten van artikel 3:4 van de Awb. De tekst van artikel 27 ("kan") biedt alle ruimte voor een genuanceerde benadering. Wat de onderhavige sanctie betreft overweegt de rechtbank het volgende. In het onderhavige geval is sprake van een termijnoverschrijding door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, die niettemin aan eiser en zijn gemachigde is toe te rekenen. Van kwade trouw is evenwel geen sprake. In januari 1997, ruim twee maanden te laat, zijn de gegevens verstrekt. Bovendien is door verweerder verklaard, dat een tijdig gevraagd uitstel hoogst waarschijnlijk zou zijn verleend, waaruit de rechtbank afleidt, dat verweerders belang om twee maanden eerder over de gegevens te beschikken niet zo heel zwaar weegt. De rechtbank oordeelt, dat in het onderhavige geval de algehele intrekking eiser ha