Rechtspraak 1999-01-27
ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3438
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE DE PRESIDENT reg. nr. : Awb 99/189 uitspraak : 27 januari 1999 U I T S P R A A K van de president van de rechtbank betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen: A te B, verzoeker, en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) te Rijswijk, verweerder, gemachtigde: de heer B. Huijts. 1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft Het verzoek betreft het uitblijven van een besluit door verweerder op verzoekers aanvraag om toegelaten te worden tot de opvang op basis van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers (RVA). 2. De feiten en het verloop van de procedure Op 11 december 1998 is verzoeker op het Aanmeldcentrum te Zevenaar verschenen voor het indienen van een herhaalde asielaanvraag. Op dezelfde dag heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker medegedeeld dat hij zich op 31 maart 1999 op het Aanmeldcentrum kan melden voor het indienen van een tweede asielaanvraag. Bij schrijven van 21 december 1998 heeft verzoeker de IND uitdrukkelijk verzocht om hem in aanmerking te doen komen voor verstrekkingen op basis van de RVA. Een gelijkluidend schrijven heeft verzoeker toegezonden aan verweerder. Bij brief van 11 januari heeft verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder ingediend tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem te doen opnemen in de opvang op basis van het RVA. Voorts heeft verzoeker bij de president van de rechtbank bij schrijven van dezelfde datum een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij schrijven van 19 januari 1998, heeft de IND verzoeker laten weten dat het enkel maken van een afspraak voor het indienen van een herhaald asielverzoek niet automatisch recht geeft op opvang. Daarnaast wordt in genoemd schrijven vermeld dat verzoeker ten tijde van het maken van de afspraak geen recht op opvang in Nederland had en dat derhalve is besloten om hem niet in de opvang op te nemen. 3. Overwegingen Algemeen Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit in aanmerking genomen dient te worden nagegaan of met betrekking tot het uitblijven van een besluit op de aanvraag van verzoeker hem te doen opnemen in de opvang op basis van het RVA, het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening opweegt tegen het belang van verweerder in dezen. Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. Standpunt verzoeker Verzoeker stelt dat hij gezien zijn nieuwe aanmelding op 11 december 1998 rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij derhalve vanaf die datum in aanmerking komt voor verstrekkingen in het kader van de RVA, welke dan ook met terugwerkende kracht dienen te worden toegekend. Dit klemt te meer nu hij afkomstig is uit Sierra Leone, een land waarvoor een zogenaamd VVTV-beleid geldt, althans waar naartoe niet wordt uitgezet. Het feit dat hij zijn tweede aanvraag volgens een afspraak met de IND officieel eerst op 31 maart 1999 in mag dienen doet hieraan niet af, immers, verzoeker heeft zich op 11 december 1998 persoonlijk tot de IND gewend om kenbaar te maken dat hij een tweede asielaanvraag wenst in te dienen. Verzoeker is voorts van mening dat het Coa een eigen onderzoeksplicht heeft in het kader van de marginale toetsingsplicht en bij zijn beoordeling ten aanzien van aanvragen omtrent opvang niet blind mag varen op hetgeen de IND aan informatie verschaft. Daarnaast stelt verzoeker dat de Staatssecretaris niet over de bevoegdheid beschikt om bepaalde categorieën asielzoekers uit te sluiten van opvang. Gelet op de wet Coa kan de Minister van Justitie slechts regels stellen met betrekking tot de aard van de verstrekkingen. Verzoeker is voorts van mening dat voornoemde regeling ongenuan De grondslag voor het onthouden van opvang aan verzoeker is derhalve gelegen in het bepaalde in de RVA, een algemeen verbindend voorschrift gebaseerd op de Wet COA. Gelet op het bovenstaande dient te worden aangenomen dat het onthouden van opvang aan verzoeker een beslissing is welke is genomen door het daartoe bevoegde gezag, zijnde het COA. Het feit dat het Coa in dezen gebonden is aan een beoordeling door de IND van de aanvraag doet hieraan niet af. De bevoegdheid van de bestuursrechter is hiermee gegeven en daarmee die van de president van de rechtbank Zwolle met betrekking tot het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening. Ten aanzien van de redelijke termijn. Op grond van artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld: a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen; b. het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 6:12 van de Awb is het bezwaar niet aan een termijn gebonden indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en kan het worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Blijkens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Gelet op artikel 4:13, tweede lid, is bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan. In het onderhavige geval heeft verzoeker op 21 december 1998 aan de IND en aan verweerder, een verzoek gedaan hem opvang te bieden in het kader van de RVA en hierop binnen een week te beslissen. De president ziet dit schrijven als een vraag aan verweerder om een (voor bezwaar en beroep vatbaar) besluit te nemen. Een bestuursorgaan behoort in beginsel aan een dergelijk verzoek te voldoen. Dit betekent, dat verweerder de plicht heeft een schriftelijk gemotiveerd besluit te nemen, waarmee verzoeker desgewenst de rechter kan adiëren. Op 11 januari 1999 heeft verzoeker, naar aanleiding van het uitblijven van een beslissing, hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij verweerder alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft derhalve aangenomen dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn nadat drie weken waren verstreken na de datum van indiening van de aanvraag. Gelet op het elementaire karakter van de opvang het gaat om eerste levensbehoeften en in aanmerking genomen hetgeen verweerder ter zitting heeft kenbaar gemaakt, namelijk dat schriftelijke beslissingen omtrent de opvang in de regel binnen een week na de aanvraag genomen kunnen worden, is de president van oordeel, dat de redelijke termijn is overschreden, zodat er sprake is van het uitblijven van een besluit. Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding de voorziening te treffen dat het COA binnen een week na dagtekening van deze uitspraak een besluit neemt op verzoekers aanvraag, dat voldoet aan de eisen, die de Awb aan besluiten stelt. Tegen dat besluit kan verzoeker dan desgewenst bezwaar maken. Ten aanzien van het verzoek om opvang. Een voorlopige voorziening bij het uitblijven van een besluit beperkt zich in de regel tot de opdracht aan het bestuursorgaan het besluit binnen een bepaalde termijn te nemen. Aan een oordeel over het te nemen besluit komt de rechter niet toe. Desondanks heeft verweerder uitvoerig uiteengezet dat de gevraagde beslissing slechts een weigering zou behelzen. Verzoeker heeft, uitgaande van een (fictieve) weigering, met name daartegen geageerd. Gezien de moeilijke situatie waarin verzoeker verkeert en uit oogpunt van proceseconomie zal de president in dit geval tevens het materiële geschilpunt, te weten het recht op opvang aan zijn (voorlopig) oordeel onderwerpen. Allereerst merkt de presiden