Rechtspraak 1999-03-03
ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3406
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Reg.nr.: WW 98/1848 UITSPRAAK in het geschil tussen: A, geboren op [...] 1971, wonende te B, eiser, gemachtigde: mw mr M.B.W.G. Beutener, advocaat en procureur te Deventer, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: het GUO, dk Arnhem), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 18 februari 1998. 2. Zitting Datum: 8 februari 1999. Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. 3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt Eiser is op 21 september 1992 werkzaamheden gaan verrichten voor X te Y, verder te noemen X. In de jaren 1992 tot en met 1995 zijn die werkzaamheden gedurende de wintermaanden telkens onderbroken geweest in verband met het seizoensgebonden karakter ervan. Het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven (de rechtsvoorganger van verweerder) heeft eiser op basis van de onderbrekingsregeling telkens voor de winterperiode, voor het eerst met ingang van 21 december 1992, een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Aldus is aan eiser uitkering op grond van de WW betaald gedurende de periode van 21 december 1992 tot 22 maart 1993, van 19 november 1993 tot 14 maart 1994 en van 12 december 1995 tot 20 maart 1995 Uit een terzake ingesteld onderzoek is gebleken dat eiser in deze perioden van werkloosheid werkzaamheden heeft verricht voor X, zonder dat hij daarvan mededeling heeft gedaan aan verweerder. Bij besluit van 27 februari 1997 (medegedeeld bij brief d.d. 13 maart 1997) heeft het bestuur van de Bedrijfsvereniging het volgende besloten. 1. Ingaande 21-12-1992, 19-11-1993, en 12-12-1994 bestaat er geen recht meer op uitkering omdat eiser niet werkloos c.q. beschikbaar voor de arbeidsmarkt is. 2. Over de periode 23-01-1995 tot en met 29-01-1995 en 06-03-1995 t/m 19-03-1995 dient de uitkering gedeeltelijk te worden beëindigd. 3. Ingaande 21-12-1992, 19-11-1993, en 12-12-1994 voorzover eiser werkloos is te achten, de uitkering krachtens de Werkloosheidswet blijvend geheel te weigeren in verband met de door eiser gepleegde benadelingshandeling. 4. De ten onrechte verstrekte uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet over de perioden: 21-12-1992 t/m 21-03-1992, 19-11-1993 t/m 13-03-1994, 12-12-1994 t/m 19-03-1995 tot een totaal bedrag van fl. 16.516,32 inclusief fl. 4248,33 loonheffing terug te vorderen dan wel te verrekenen met later te betalen uitkeringen krachtens de WW, ZW AAW/WAO en/of de Toeslagenwet. 5. Vanwege het plegen van een benadelingshandeling gedurende de periode 12-12-1994 t/m 05-03-1995 een bedrag van fl. 10.432,43 inclusief fl. 2543,14 loonheffing terug te vorderen dan wel te verrekenen met later te betalen uit keringen krachtens de WW, ZW, AAW/WAO en/of de Toeslagenwet. Op grond daarvan vordert verweerder fl. 26.948,75 van eiser terug. Namens eiser is bij brief van 22 april 1997 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft op 18 februari 1998 besloten dit bezwaar ongegrond te verklaren en zijn besluit van 13 maart 1997 te handhaven. Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 1 april 1998 beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit, aangevuld bij een op 16 juli 1998 ter griffie van de rechtbank ingekomen brief. Verweerder heeft bij brief van 3 september 1998 een verweerschrift ingediend en bij schrijven van 16 november 1998 door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. 4. Bewijsmiddelen De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. 5. Motivering In geschil is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Eiser heeft doen aanvoeren enerzijds dat hij in de betreffende perioden weliswaar heeft gewerkt maar slechts gedurende een deel van de tijd en dat verweerder zulks niet nauwkeurig genoeg heeft uitgezocht en anderzijds dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de druk waaraan hij werd blootgesteld door zijn Eiser heeft immers bij herhaling en naar zijn eigen opgave in elk winterseizoen telkens voor een tijdsduur variërend van vier tot acht weken gewerkt en daaruit inkomsten genoten naast zijn uitkering zonder daarvan melding te maken, in het besef dat zulks in strijd met de regels was en wetend daarmee verweerder te benadelen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid, overeenkomstig het terzake geformuleerde beleid, gebruik kunnen maken van de bevoegdheid de uitkering over de onderscheidene perioden blijven geheel te weigeren, met één uitzondering, waarop hierna zal worden teruggekomen. Van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten doen besluiten af te zien van het weigeren van de uitkering is niet gebleken. Als zodanige omstandigheid merkt de rechtbank niet aan dat, naar eiser stelt, door de werkgever druk op hem is uitgeoefend. Uit het procesverbaal van verhoor van eiser d.d. 26 februari 1996 blijkt dat hij is ingegaan op het voorstel van de werkgever om zwart te gaan werken. Hij heeft wel gevraagd aan de werkgever hoe dat kon naast zijn uitkering, maar heeft genoegen genomen met het antwoord "daar komen we wel uit" of woorden van gelijke strekking, want hij kon het geld goed gebruiken en alle andere personeelsleden van X deden hetzelfde. Dat duidt niet op grote pressie van de zijde van de werkgever. Voorzover er anderszins sprake is geweest van sociale druk had van eiser verwacht mogen worden dat hij daaraan weerstand bood. De blijvende gehele weigering over de hier in geding zijnde perioden kan in één opzicht geen stand houden en wel op grond van het volgende. Blijkens het overzicht van gewerkte weken zoals dat door eiser bij de rechtbank is ingebracht heeft hij in de periode 22 december 1992 tot en met 21 maart 1993 vier weken gewerkt op een project te Z. Volgens de agenda die eiser in het kader van de bezwarenprocedure heeft overgelegd, zouden die werkzaamheden zijn aangevangen op 12 januari 1993. Dat stemt geheel overeen met hetgeen eiser bij zijn verhoor op 26 februari 1996 heeft verklaard: "De eerste keer dat ik in verband met onderbrekingswerkloosheid door X werd aangemeld bij de bedrijfsvereniging was op 22 december 1992. Ik heb toen aaneengesloten een uitkering ontvangen tot 21 maart 1993. Al vrij snel nadat ik in de onderbreking zat, voorzover ik mij herinner ergens in de maand januari 1993, nam W. X telefonisch contact met mij op. Hij vroeg aan mij of ik zaagwerkzaamheden kon verrichten binnen een project alwaar hij al sinds enige tijd werkzaam was te Z-V. Ik ben daar toen mee accoord gegaan. Dit betroffen dus werkzaamheden die ik deed tijdens mijn uitkeringsperiode." Op grond daarvan mag naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat eiser na het ontstaan van zijn werkloosheid op 22 december 1992 eerst werkzaamheden is gaan verrichten op 12 januari 1993, zodat met ingang van week 2 (aanvangend op 11 januari 1993) de werkloosheid gedeeltelijk en met ingang van week 3 van 1993 de werkloosheid geheel is geëindigd. Dat betekent dat er geen grond is om over de periode tussen 22 december 1992 en 11 januari 1993 de uitkering te weigeren op grond van het eindigen van de werkloosheid. Evenmin kan over die periode de uitkering worden geweigerd bij wege van sanctie. Immers eiser heeft niet eerder dan op 12 januari 1993 melding hoeven maken van zijn op die datum aangevangen werkzaamheden. Pas op die datum is hij, door zulks na te laten, in overtreding van het bepaalde in artikel 25 van de WW en pas op dat moment is voor verweerder de bevoegdheid ontstaan de uitkering blijvend geheel te weigeren over de (dan nog resterende) uitkeringsperiode tot en met 21 maart 1993. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de blijvende gehele weigering over de periode van 22 december 1992 tot en met 21 maart 1993 in rechte geen stand kan houden en bij het bestreden besluit ten onrechte is gehandhaafd. Aangezien het teruggevorderde bedrag niet is gespecificeerd naar de onderscheidene perioden betekent dit dat