Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:974
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummers: 02-127065-24 en 02-243326-21 / 99-001290-43 (VI) Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Angola) op [geboortedag] 1990, niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] , raadsman mr. I. Azarkan , advocaat te Roosendaal . 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.S. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: 1) het voorhanden hebben van een pistool en Semtex ; 2) het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een feit als bedoeld in artikel 9, 26 en 31 van de Wet wapens en munitie en van het verhandelen van de in deze artikelen bedoelde wapens en munitie een gewoonte maken; 3) het medeplegen van een poging tot uitlokking van afpersing van € 40.000,00; 4) het medeplegen van invoer van en handel in cocaïne, subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe; 5) het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor invoer van en handel in cocaïne; 6) het medeplegen van (gewoonte)witwassen van geld en horloges en 7) het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor invoer van en handel in cocaïne. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De procesafspraken Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM) en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak inclusief de daarbij behorende ontnemingsvordering zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 26 januari 2026 is ondertekend door de officier van justitie en door verdachte en zijn raadsman. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak. Het afdoeningsvoorstel houdt, in de kern, voor de strafzaak het volgende in: De verdediging - De verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen en/of (inhoudelijke) verweren voeren. Dit geldt zowel in de hoofdzaak als ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;- Verdachte erkent geen schuld buiten datgeen hij reeds in zijn politieverhoren heeft erkend. De verdachte legt, buiten datgeen dat hij reeds in zijn politieverhoren heeft bekend, geen bekennende verklaring af; doch de verdediging en verdachte geven door ondertekening van deze procesafspraken richting rechtbank en OM aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen OM en verdediging vastgesteld in de bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd;- Verdachte doet schriftelijk afstand van de in bijlage C benoemde in beslag genomen goederen, conform de als bijlage D bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;- De verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging alsmede toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;- De verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg met betrekking tot de voorlopige hechtenis geen opheffings- of schorsingsverzoeken indienen (ook niet tot aan de uitspraak);- De verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indi De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken. 5 De beoordeling van het bewijs 5.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert vrijspraak van feit 1 en acht de onder feiten 2 tot en met 7 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken. 5.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd. 5.3. Het oordeel van de rechtbank 5.3.1. De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. 5.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank volgt de door de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken en komt tot vrijspraak van feit 1 vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank acht de feiten 2 tot en met 7 wettig en overtuigend bewezen. 5.4. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 2.op tijdstippen in de periode van 3 januari 2020 tot en met 17 oktober 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het eerste lid van artikel 9 en/of het eerste lid van artikel 26 en/of het eerste lid van artikel 31 van de Wet wapens en munitie, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het voorhanden hebben van (een) wapen(s) en/of munitie van categorie II en/of III, en/of (zonder erkenning) een of meerdere wapen(s) en/of munitie van categorie II en/of III overdragen en/of verhandelen en/of anderszins ter beschikking te stellen en daarvan een beroep en/of gewoonte maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en verdachtes mededaders:- een encrypted telefoontoestel met het beveiligingsprogramma SKY-ECC voorhanden gehad en - met dat encrypted telefoontoestel aan meerdere encrypted Skychats deelgenomen die (vrijwel uitsluitend) betrekking hadden op de (internationale) handel in wapens en munitie, en in voornoemde berichten wapens en/of munitie aangeboden en getracht wapens en/of munitie aangeboden te krijgen, door aan en/of van die personen afbeeldingen en/of specificaties van de betreffende wapens te hebben gestuurd en/of te hebben ontvangen en/of het verkoopbedrag en/of aankoopbedrag van de betreffende wapens door te hebben gegeven en/of over de verkoopprijs en/of aankoopprijs te hebben onderhandeld, en - bankbiljetten en/of geldbedragen voorhanden te hebben gehad ten behoeve van de aankoop/verkoop van deze wapens en/of munitie; 3.in de periode van 7 maart 2020 tot en met 10 maart 2020 in Nederland heeft gepoogd om anderen, te weten onbekend gebleven personen, door een der in artikel 47, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door giften, beloften, en het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen, te bewegen om een misdrijf te begaan,te wetenhet met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld ene zogenoemde [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] te dwingen tot de afgifte van 40.000 euro, dat aan die ene zogenoemde [naam 1] toebehoorde, door die onbekend gebleven personen meerdere personen/uithalers opgehaald en vervoerd naar Antwerpen ten behoeve van het uithalen en/of vervoeren van (deze) cocaïne en- afspraken gemaakt over de tijd en locatie waar deze personen/uithalers moesten zijn ten behoeve van het uithalen van (deze) cocaïne en- afspraken gemaakt over de (praktische) wijze van uithalen van (deze) cocaïne en- afspraken gemaakt over de geldelijke vergoeding voor het uithalen/vervoeren van (deze) cocaïne. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 6 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 7 De strafoplegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert, conform het afdoeningsvoorstel, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van voorarrest. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ingestemd met de door de officier van justitie gevorderde straf. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen invoeren van cocaïne en aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en de handel in cocaïne. Aan deze feiten tilt de rechtbank bijzonder zwaar. Het is immers algemeen bekend dat dergelijke harddrugs middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt veel overlast en genereert andere vormen van criminaliteit. Verdachte is bij de invoer van partijen harddrugs in Nederland een essentiële schakel geweest en heeft aan die invoer ook een wezenlijke bijdrage geleverd. Dat het criminele handelen van verdachte voor hem ook zeer lucratief is geweest, blijkt onder meer uit de door verdachte gepleegde witwasactiviteiten. Van witwassen is bekend dat dit doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Om al deze gevolgen heeft verdachte zich niet bekommerd en hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag. Dit alles is de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld. Daarnaast bemiddelde verdachte in wapens en heeft hij een begin gemaakt met het anderen uitlokken om een afpersing voor hem te plegen, vanwege een onbetaalde hoeveelheid verdovende middelen. Uiteindelijk is het gewelddadige plan, waarbij het voornemen onder andere was om een woning te doorzeven met kogels, niet voltooid. De gepleegde feiten op het gebied van drugs gingen dus gepaard met een poging tot het laten plegen van fors geweld. Al met al gaat het om een verontrustende en kwalijke combinatie van strafbare feiten, waarbij verdachte een rol heeft gespeeld in meerdere facetten van criminaliteit. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat sprake is van recidive. Verdachte blijkt na zijn veroordeling in België voor het plegen van drugsfeiten hier gewoon mee door te zijn gegaan. Gelet op deze omstandigheden en de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Bij de bepaling van de duur en de hoogte heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en is ook rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die l Daarom zal de rechtbank gelasten dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 793 dagen, alsnog moet worden ondergaan. 9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 46, 46a, 47, 57, 317, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10 Beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 2: medeplegen van voorbereiding van: handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens en munitie een gewoonte maken; feit 3: poging om een ander door beloften en door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen te bewegen een afpersing te begaan; feit 4: eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, een in artikel 2 onder B en het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 5: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door - een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en - voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; feit 6: van het plegen van witwassen een gewoonte maken; feit 7: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 maanden ; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling - wijst de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.-zaaknummer: 99/001290-43) toe en gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 793 dagen , alsnog wordt ondergaan. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting, op 17 februari 2026. De oudste en jongste rechter alsmede de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging 1.Feit A1hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 januari 2020tot en met 6 januari 2020 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , in elk geval in Nederland eenwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten eenpistool, van een onbekend merk, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer,revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad; en Feit A4hij op of omstreeks 10 februari 2020 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , in elk geval inNede naam 2] , [naam 3] en/of eenderde toebehoorden, door die een of meer onbekend gebleven personen - geld te bieden om geld te incasseren bij die [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] ,- te vragen of zij beschikken over een pistool en, als dat niet zo mocht zijn, aan tebieden die van hem, verdachte, te gebruiken,- een omschrijving van het uiterlijk van die [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] te gevenen/of een foto van hen te sturen,- een foto van het huis van die [naam 1] en/of het adres van die [naam 1] testuren,- meermalen, althans eenmaal naar het adres van die [naam 1] te laten gaan,- het adres en/of het kenteken van de auto van die [naam 2] en/of [naam 3] door te geven,- naar het adres van die [naam 2] en/of [naam 3] te laten gaan,- geld te bieden om de woning aan de [adres] te doorzeven / beschieten en/of- een voorverkenning op dit adres te laten doen;(Artt. 46a jo. 47 jo. 317 Sr)( art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 46a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 4.Feit C1 en C2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot enmet 17 maart 2020 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland en/of teAntwerpen en/of [plaats 1] , althans in België,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld inartikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/ofverwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/ofopzettelijk aanwezig heeft gehad,ongeveer 650 kilogram en/of 400 kilogram en/of 585 kilogram cocaïne, in elk gevaleen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middelals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtenshet vijfde lid van artikel 3a van die wet;( artt. 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 toten met 17 maart 2020 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland en/of teAntwerpen en/of [plaats 1] , althans in België,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van deOpiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekkenen/of vervoeren en/of bewerken en/of verwerken en/of binnen het grondgebiedvan Nederland brengen, dan wel aanwezig hebben vanongeveer 650 kilogram en/of 400 kilogram en/of 585 kilogram cocaïne,, althanstelkens (een) aanzienlijke (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde cocaïne eenmiddel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of zijnde een andermiddel zoals genoemd in lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of tebevorderen,(telkens)-één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, tedoen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijnen/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot hetplegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of-voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderebetaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had tevermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoeldefeit(en),hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens):- één of meer mobiele (organisatie)telefoon(s), met het beveiligingsprogrammaSKY-ECC, voorhanden gehad en/of verstrekt, en/of- in persoon, telefonisch en/of via (SKY)chatberichten contact met één of meermededaders(s) en/of contactperso(o)n(en) onderhouden en/of informatieuitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het transporteren en/of afleveren en/ofopslaan en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren 10 lid 4 Opiumwet, 10 lid 5 Opiumwet, 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet)( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 alineaOpiumwet ) 6.Feiten E1 tot en met E5hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 september 2020 toten met 9 februari 2021 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland en/of teAntwerpen, althans in België en/of te Oslo althans in Noorwegen,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenvan het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldigheeft gemaakt aan (eenvoudig) (schuld)witwassen,immers heeft/hebben hij/zij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s)van één of meerdere (contante) geldbedrag(en) en of horloge(s), te weten:• een geldbedrag van 315.810 euro en/of• een geldbedrag van 70.000 euro en/of• een geldbedrag van 740.000 (Noorse)Kroon dan/wel 72.000 euro en/of• Een Audemars Piquet en/of Rolex horloge en/of• een geldbedrag van 132.000 dan wel 134.000 euro,• althans van enig geldbedrag en/of enig horlogede werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemdingen/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/ofverborgen en/of verhuld, wie de rechthebbende op dit/dezegeldbedrag/geldbedrag(en) en/of horloge(s) is/zijn en/of wie dit/dezegeldbedrag/geldbedragen en/of horloge(s) voorhanden had en/ofdit/deze geldbedrag/geldbedrag(en) en/of horloge(s) verworven en/of voorhandengehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,terwijl hij verdachte en/of diens mededader(s) wist(en) dan wel redelijkerwijsmoest(en) vermoeden, dat dit/deze geldbedrag/geldbedrag(en) en/of horloge(s)geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig(eigen) misdrijf;(art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond bWetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420ter lid 1 Wetboek vanStrafrecht, art 420ter lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht)( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond bWetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420ter lid 1 Wetboek vanStrafrecht, art 420ter lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht ) 7.Feit Ghij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 oktober 2024 toten met 17 oktober 2024 te [plaats 2] en/of [plaats 4] en/of [plaats 3] , althans inNederland en/of te Antwerpen, althans in België,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van deOpiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekkenen/of vervoeren en/of bewerken en/of verwerken en/of binnen het grondgebiedvan Nederland brengen, dan wel aanwezig hebben van(een) aanzienlijke (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde cocaïne een middelvermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of zijnde een ander middelzoals genoemd in lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,(telkens)-één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, tedoen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijnen/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot hetplegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of-voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderebetaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had tevermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoeldefeit(en),hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens):- in persoon en/of telefonisch en/of via internetbell