Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:946
Civiel recht
Rekestprocedure
10,092 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:946 text/xml public 2026-02-27T08:30:51 2026-02-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-16 442578/442600/442602/442604/442574/442583/442584/442597/443504 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:946 text/html public 2026-02-24T09:19:56 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:946 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-01-2026 / 442578/442600/442602/442604/442574/442583/442584/442597/443504 Verzoeken bekrachtiging schriftelijke aanwijzing. verzoeken vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummers: C/02/442578 / JE RK 25-2131 C/02/442600 / JE RK 25-2142 C/02/442602 / JE RK 25-2144 C/02/442604 / JE RK 25-2145 C/02/442574 / JE RK 25-2130 C/02/442583 / JE RK 25-2132 C/02/442584 / JE RK 25-2133 C/02/442597 / JE RK 25-2140 C/02/443504 / JE RK 25-2321 Datum uitspraak: 16 januari 2026 Uitwerking van de verkorte beschikking van 16 januari 2026 over de schriftelijke aanwijzingen in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] . advocaat: mr. F.A. van den Heuvel, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013, hierna te noemen [minderjarige 2] , De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. R. van Gils-Lessy. 1 Het verloop van de procedure 442584 bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en 442604 verzoek vervallen verklaring 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 26 november 2025; het verzoekschrift van de moeder met bijlage, ontvangen op 28 november 2025. 442578 bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en 442597 verzoek vervallen verklaring 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 26 november 2025; het verzoekschrift van de moeder met bijlage, ontvangen op 28 november 2025. 442583 bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en 442600 verzoek vervallen verklaring 1.3. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 26 november 2025; het verzoekschrift van de moeder met bijlage, ontvangen op 28 november 2025. 442574 bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en 443504 verzoek vervallen verklaring [minderjarige 1] en 442602 verzoek vervallen verklaring moeder 1.4. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 26 november 2025; het verzoekschrift met bijlagen van [minderjarige 1] , ontvangen op 30 december 2025; het verzoekschrift van de moeder met bijlage, ontvangen op 28 november 2025. 1.5. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat, - twee vertegenwoordigsters van de GI, - de advocaat van [minderjarige 1] . 1.6. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. [minderjarige 2] woont bij de moeder. [minderjarige 1] verblijft sinds 27 juni 2025 op [accommodatie] in [plaats 2] . 2.3. Bij beschikking van 11 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 11 september 2026. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 11 september 2026. 442584 onbelast contact tussen de GI en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 2.4. De GI heeft de moeder op 14 november 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen. U maakt het mogelijk, dat de jeugdbeschermers onbelast contact hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dit houdt in: - de jeugdbeschermers kunnen individueel contact leggen met de kinderen via whatsapp, telefonisch of per mail; - de jeugdbeschermers kunnen individuele gesprekken inplannen en uitvoeren met beide Kinderen; - de jeugdbeschermers wegen per kind af welke informatie er met u gedeeld zal worden; - binnen de methodiek van Jeugdbescherming west werken wij met uitvoerdersoverleggen. Deze mogen de jeugdbeschermers inplannen en uitvoeren wanneer zij dit nodig achten. De jeugdbeschermers wegen af welke informatie uit het uitvoerdersoverleg met u gedeeld zal worden. U belemmert de GI en de hulpverlening niet in het uitvoeren van deze overleggen; - u belast de kinderen niet met volwasseninformatie (juridische procedures, afspraken die de GI met u als ouder maken etc.); - u stuurt alle mails richting de GI naar beide jeugdbeschermers; - uw mails worden eenmaal per week gelezen, waarbij, indien nodig, er op de donderdag middagen gereageerd zal worden; - uw vaste jeugdbeschermers zijn mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] , dit blijft zo. U gaat hier niet meer over in discussie; - u laat de regie aan Jeugdbescherming west voor de uitoefening van de ondertoezichtstelling. Dit houdt in dat de rapportages vanuit Jeugdbescherming west leidend zijn en niet de door uzelf opgestelde stukken; - u accepteert dat, in het kader van de veiligheid van uw beide kinderen en de juridische taak van de GI, de door u verzochte rustperiode (februari 2026) niet gehonoreerd wordt en verwachten daarom uw medewerking. 442578 hulpverlening [persoon 3] 2.5. De GI heeft de moeder op 14 november 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hierin is het volgende opgenomen. - u accepteert dat [minderjarige 1] wordt begeleid en ondersteund door [persoon 3] van [hulpverlening] ; - u accepteert dat [minderjarige 1] 16 jaar is en dus dat hij mag en kan beslissen welke informatie hij deelt met u; - u belemmert [persoon 3] niet in zijn hulpverleningstraject met [minderjarige 1] ; - u accepteert dat [persoon 3] aanwezig is bij uitvoerdersoverleggen; - [persoon 3] ontvangt de nodige informatie over [minderjarige 1] vanuit de GI en de [persoon 4] , u belemmert de hulpverlening hier niet in; - u stuurt [minderjarige 1] geen (negatief beladen) berichten m.b.t. de inzet van [persoon 3] ; - u vraagt [minderjarige 1] niet uit over de inzet van [persoon 3] . 442583 inzet en medewerking aan MST-PSB 2.6. De GI heeft de moeder op 14 november 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen. U, als ouder van [minderjarige 2] , werkt mee aan het MST-PSB traject, dit houdt in dat u; - reageert op de berichtjes / telefoontjes van de MST-PSB therapeut; - wekelijks afspraken hebt en volgt met uw MST-PSB therapeut; - u actief aan de slag gaat met het MST-PSB plan; - u geeft [minderjarige 2] de ruimte en de emotionele toestemming om individuele, als ook gezamenlijke gesprekken te hebben met de MST-PSB therapeut. 442574 contactregeling moeder met [minderjarige 1] 2.7. De GI heeft de moeder op 17 november 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hierin is het volgende opgenomen. De omgang zal er als volgt uit gaan zien. - 1 x per twee weken onder begeleiding; - de omgang zal op neutraal terrein plaats gaan vinden, u zult zo snel mogelijk op de hoogte worden gebracht van deze locatie; - u stuurt geen belastende berichten (o.a.
Volledig
volwassen zaken) naar [minderjarige 1] ; - op welke dag en tijdstip het omgangsmoment zal plaatsvinden zal in onderling overleg zijn tussen u, de omgangsbegeleider, [minderjarige 1] zelf en de begeleiding van de [persoon 4] . Op 16 december 2025 heeft de GI ook aan [minderjarige 1] een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hierin is het volgende opgenomen. -1 x per twee weken vindt er een omgangsmoment plaats tussen [minderjarige 1] en moeder; - dit omgangsmoment zal onder begeleiding verlopen; - het omgangsmoment zal plaatsvinden op neutraal terrein. Dit betekent dat het niet op de woongroep zal zijn of in de thuissituatie bij moeder; - op welke dag en tijdstip het omgangsmoment zal plaatsvinden zal in onderling overleg tussen [minderjarige 1] , de omgangsbegeleider, zijn moeder en de begeleider van de [persoon 4] ; - [minderjarige 1] mag zijn moeder geen berichtjes sturen over volwassen (bijv. juridische) zaken of berichtjes van zijn moeder met die inhoud beantwoorden. 3 De verzoeken 442584 en 442604 onbelast contact tussen de GI en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 3.1. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025. 3.2. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025 geheel vervallen te verklaren. 442578 en 442597 hulpverlening [persoon 3] 3.3. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025. 3.4. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025 geheel vervallen te verklaren. 442583 en 442600 inzet en medewerking aan MST-PSB 3.5. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025. 3.6. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025 geheel vervallen te verklaren. 442574 en 443504 en 442602 contactregeling moeder met [minderjarige 1] 3.7. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 17 november 2025 (gericht aan moeder). 3.8. [minderjarige 1] verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 16 december 2025 geheel vervallen te verklaren. 3.9. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 17 november 2025 geheel vervallen te verklaren. 3.10. De GI verzoekt tevens de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten Algemeen 4.1. De GI handhaaft tijdens de zitting alle vier de verzoeken en ziet zich in deze ondertoezichtstelling geconfronteerd met een ernstig vastgelopen samenwerkingsrelatie met de moeder waardoor uitvoering geven aan de ondertoezichtstelling structureel wordt belemmerd. Ondanks herhaalde pogingen tot overleg, bemiddeling en afstemming is er tot op heden geen werkbare samenwerking met de moeder tot stand gekomen. De moeder heeft zich gedurende langere perioden teruggetrokken uit direct contact, stelt strikte voorwaarden aan de communicatie en weigert toestemming voor gesprekken tussen de GI en de minderjarigen zonder haar aanwezigheid of voorafgaande instemming. Hierdoor ontbreekt voor de GI zicht op de opvoedsituatie bij de moeder, de emotionele veiligheid en de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarigen. Tegelijkertijd is sprake van aanhoudende escalaties binnen het gezinssysteem, loyaliteitsconflicten bij de kinderen, wisselende en onvoorspelbare contactpatronen en zorgen rondom school, sociale media en grensoverschrijdend gedrag. De GI acht deze situatie onveilig en onwenselijk mede omdat noodzakelijke hulpverlening niet kan worden opgestart of uitgevoerd zolang de patstelling voortduurt. De schriftelijke aanwijzingen zijn naar het oordeel van de GI niet bedoeld als sanctie maar als ultimum remedium om minimale kaders te stellen waarbinnen rust, voorspelbaarheid en hulpverlening mogelijk worden gemaakt en om de belangen en ontwikkeling van de minderjarigen te beschermen. 4.2. [minderjarige 2] geeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aan dat het op dit moment goed met haar gaat. Sinds haar terugkeer naar huis voelt zij zich rustiger en prettiger. Haar uithuisplaatsing met name in [plaats 3] heeft zij als onprettig ervaren. Thuis bij haar moeder ervaart zij meer stabiliteit en veiligheid. Het contact met haar moeder verloopt beter en levert op dit moment geen spanningen op. Ook de band met haar broer [minderjarige 1] is hersteld. Volgens [minderjarige 2] hebben zij dingen uitgepraat en het contact binnen het gezin voelt voor haar weer goed. [minderjarige 2] wil zich vooral richten op haar school, vrienden en eigen ontwikkeling. Zij ervaart het als belastend wanneer zij veel wordt benaderd door hulpverleners en geeft aan dat dit soms botst met haar privéleven. Zij begrijpt dat reageren belangrijk is maar wil dat hulpverlening haar leven niet overneemt. Volgens [minderjarige 2] heeft eerdere hulpverlening haar geholpen en speelt de problematiek van toen nu niet meer. Zij voelt zich weerbaarder en beter in staat om grenzen aan te geven. Een nieuwe MST-variant gericht op grensoverschrijdend gedrag vindt zij daarom niet nodig en niet passend. Volgens [minderjarige 2] kan dit meer schade dan hulp opleveren. [minderjarige 2] ontkent betrokkenheid bij socialmedia-accounts, filmpjes of berichten waar zorgen over zijn geuit. Zij herkent zich niet in beschuldigingen over wapens of vechten en begrijpt niet waar deze signalen vandaan komen. 4.3. [minderjarige 1] geeft tijdens het kindgesprek met de kinderrechter aan dat het goed met hem gaat en dat hij optimistisch is over de toekomst. Hij ervaart dat hij anders in de situatie staat dan eerder en beter voor zichzelf kan opkomen. Voor hem is het belangrijkste dat de contactbeperking met zijn moeder wordt opgeheven. Zijn moeder is voor hem de belangrijkste persoon en hij voelt zich alleen zonder haar. Hij vindt dat hij gezien zijn leeftijd zelf moet kunnen bepalen wanneer en hoe hij contact met haar heeft. [minderjarige 1] ervaart dat hij hierin nu te weinig vrijheid heeft. Hij mocht niet bij zijn moeder verblijven en voelde zich hierin beperkt terwijl hij geen onveiligheid heeft ervaren. De politie aanwezigheid bij zijn moeder heeft grote indruk op hem gemaakt en werkt nog steeds door. Volgens [minderjarige 1] was er geen ruzie of incident dat de betrokkenheid van de politie rechtvaardigde. Het contact met zijn moeder en zijn zus [minderjarige 2] is volgens [minderjarige 1] hersteld. Zij hebben op eigen initiatief hun band weer opgebouwd wat [minderjarige 1] prettig vindt. De eerdere spanningen met zijn moeder zijn verdwenen en hij kan nu beter zijn grenzen aangeven. [minderjarige 1] heeft het contact met de GI verbroken omdat hij zich onder druk gezet voelde en uitspraken als bedreigend heeft ervaren onder meer over een mogelijke gesloten plaatsing. Hij heeft hierdoor geen vertrouwen meer in de GI en wil geen contact met hen of het moet met een andere GI zijn. Het contact met zijn coach, [persoon 3] , is voor [minderjarige 1] van groot belang en wil hij graag kunnen aanhouden. Deze begeleiding ervaart hij als steunend en helpend. [minderjarige 1] richt zich op dit moment op zijn verblijf bij [persoon 4] en werkt toe naar zelfstandigheid rond zijn achttiende verjaardag. Tegelijkertijd hoopt hij (gedeeltelijk) weer bij zijn moeder te kunnen wonen. Zijn grootste wens is vrijheid in het contact met zijn moeder zonder angst voor gevolgen voor haar of voor hemzelf. 4.4. De moeder erkent tijdens de zitting dat voor de uitvoering van een ondertoezichtstelling samenwerking nodig is maar dat deze samenwerking wel wederzijds moet zijn. De moeder is van mening dat de GI haar overlegplicht heeft geschonden door besluiten te nemen zonder afstemming met haar en haar achteraf te informeren over ingrijpende ontwikkelingen zoals schoolmaatregelen en contacten met derden. De moeder geeft aan dat zij niet weigert mee te werken aan hulpverlening maar dat zij verlangt dat deze zorgvuldig, transparant en in overleg plaatsvindt. Zolang de moeder het gevoel heeft dat haar grenzen structureel worden overschreden en haar positie als gezaghebbende ouder niet wordt gerespecteerd vindt zij het niet mogelijk om constructief samen te werken met de GI.
Volledig
De moeder stelt zich dan ook op het standpunt dat de samenwerking met de GI zodanig is vastgelopen dat een voortzetting van het contact op dit moment niet langer uitvoerbaar meer is voor haar. Dit is volgens de moeder niet het gevolg van onwil maar van een opeenstapeling van gebeurtenissen waarin zij zich structureel buitenspel gezet, overvraagd en onvoldoende serieus genomen voelt in haar positie als gezaghebbende ouder. Overleggen met de kinderen vonden plaats zonder aankondiging en zonder haar aanwezigheid of die van een kindbehartiger waardoor de moeder het gevoel kreeg haar kinderen niet langer te kunnen beschermen tegen loyaliteitsconflicten en druk van buitenaf. De moeder geeft aan dat de werkwijze van de GI heeft geleid tot ernstige mentale en fysieke overbelasting waardoor zij genoodzaakt was een herstelperiode aan te kondigen. Zij heeft daarbij expliciet kenbaar gemaakt dat zij wel bereid bleef tot schriftelijke communicatie maar dat zij tijdelijk geen ruimte had voor intensieve gesprekken. De moeder ervaart dat deze grenzen niet zijn gerespecteerd wat het vertrouwen verder heeft geschaad. De moeder wil de herstelperiode dan ook verlengen. onbelast contact tussen de GI en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 4.5. De GI acht het noodzakelijk dat [minderjarige 1] rechtstreeks contact kan hebben met de GI en kan deelnemen aan gesprekken die betrekking hebben op zijn situatie. Het structureel blokkeren of beperken van deze contacten door de moeder leidt ertoe dat [minderjarige 1] klem komt te zitten tussen volwassenen en dat zijn stem onvoldoende gehoord wordt. De GI heeft oog voor de kwetsbaarheid van [minderjarige 1] en staat open voor ondersteuning door een vertrouwenspersoon, maar acht het niet in het belang van [minderjarige 1] dat gesprekken uitsluitend schriftelijk plaatsvinden of alleen onder door de moeder gestelde voorwaarden. 4.6. De moeder kan zich niet verenigen met de schriftelijke aanwijzing die toestaat dat de GI zelfstandig contact heeft met [minderjarige 1] . Zij stelt dat gesprekken met haar zoon onaangekondigd plaats hebben gevonden en dat [minderjarige 1] hierdoor onder druk werd gezet om akkoord te gaan met voorstellen waarvan hij de gevolgen niet kon overzien. De moeder vindt deze gesprekken onveilig zolang zij of een onafhankelijke kindbehartiger niet aanwezig is. Zij stelt dat zij als gezaghebbende ouder de verantwoordelijkheid heeft haar zoon te beschermen tegen loyaliteitsconflicten en dat het structureel buitensluiten van haar rol hierin strijdig is met die verantwoordelijkheid. hulpverlening [persoon 3] 4.7. De GI vindt het belangrijk dat [persoon 3] betrokken blijft bij de begeleiding van [minderjarige 1] . De GI ziet dat [persoon 3] voor [minderjarige 1] van groot belang is en bijdraagt aan zijn emotionele stabiliteit. [persoon 3] fungeert als steunfiguur en signaleert wanneer het minder goed gaat met [minderjarige 1] zonder inhoudelijke vertrouwelijke gesprekken te delen. De GI erkent de zorgen van de moeder over de rol van [persoon 3] en in hoeverre hij betrokkenen kan zijn met bijvoorbeeld schoolzaken rondom [minderjarige 1] maar is van mening dat deze zorgen onvoldoende reden zijn om de betrokkenheid van [persoon 3] te beëindigen. De GI acht het in het belang van [minderjarige 1] dat hij deze ondersteuning ook zonder voorafgaande toestemming van de moeder voor ieder afzonderlijk contactmoment kan hebben. 4.8. De moeder erkent de betrokkenheid van [persoon 3] en waardeert zijn inzet en ziet het vertrouwen dat [minderjarige 1] in hem heeft. De moeder richt haar bezwaar dan ook niet tegen [persoon 3] als persoon maar tegen de wijze waarop hij functioneert binnen het kader van de ondertoezichtstelling. De moeder stelt dat [persoon 3] haar gezag heeft ondermijnd door zonder overleg met haar beslissingen te nemen, contacten te leggen met de school van [minderjarige 1] en betrokken te raken bij overleggen waarin besluiten over [minderjarige 1] werden genomen. Daarnaast maakt de moeder bezwaar tegen het delen van informatie door [persoon 3] met de GI zonder haar instemming. Zij acht dit strijdig met haar gezag en met de privacywetgeving. De moeder is bereid [persoon 3] te accepteren als vertrouwenspersoon voor [minderjarige 1] enkel als zijn rol beperkt blijft tot het luisteren naar en ondersteunen van [minderjarige 1] onder haar gezag en als hij geen uitvoerende of besluitvormende rol meer heeft namens de GI. inzet en medewerking aan MST-PSB 4.9. De GI merkt hierover op dat deze vorm van hulpverlening is geadviseerd door zowel de Raad als betrokken hulpverleningsinstanties. De keuze is gebaseerd op zorgen over grensoverschrijdend gedrag, sociale media en de kwetsbare positie van [minderjarige 2] binnen het gezinssysteem. De GI benadrukt dat MST-PSB niet is bedoeld als straf of forensische maatregel maar als intensieve, systemische hulp om patronen te doorbreken, veiligheid te vergroten en herhaling te voorkomen. Het ontbreken van volledige samenwerking en het recente escaleren van grensoverschrijdend gedrag rondom de mentor van [minderjarige 2] op school maken dat de GI deze interventie noodzakelijk en proportioneel acht. 4.10. De moeder maakt bezwaar tegen de inzet van MST-PSB en verzoekt dan ook om vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI. De moeder stelt dat deze vorm van hulpverlening een zware interventie betreft waarvoor onvoldoende feitelijke grondslag bestaat. Volgens de moeder is er sprake van aannames en vermoedens maar niet van bewezen of vastgestelde feiten die deze interventie rechtvaardigen. De moeder benadrukt dat [minderjarige 2] reeds gesprekken heeft gevoerd met school en de POH en dat zij openstaat voor passende hulp maar niet voor een interventie die zij als disproportioneel en stigmatiserend ervaart. De moeder vindt de inzet van MST-PSB strijdig met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals neergelegd in de Jeugdwet. contactregeling moeder met [minderjarige 1] 4.11. De GI handhaaft de schriftelijke aanwijzing waarin het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] tijdelijk is gereguleerd en gestructureerd. Aan deze aanwijzing ligt ten grondslag dat het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] herhaaldelijk heeft geleid tot escalaties, emotionele overbelasting en stress bij [minderjarige 1] . Hij werd belast met informatie en verantwoordelijkheden die niet passend zijn voor zijn leeftijd wat zichtbaar bij hem leidde tot ontregeling. De aanwijzing beoogt niet het verbreken van contact maar het op een veilige en duurzame manier opbouwen daarvan met duidelijke kaders. Incidenteel is ruimte geboden voor extra contact onder meer tijdens de feestdagen. De GI wil maatwerk leveren binnen een verantwoord kader. De GI blijft bereid om afhankelijk van de stabiliteit en het verloop van het contact, uitbreiding te bespreken als dit zorgvuldig en in overleg gebeurt. 4.12. De moeder verzoekt om vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing waarin het contact tussen haar en [minderjarige 1] wordt beperkt en gereguleerd. Zij stelt dat deze aanwijzing is opgelegd zonder voorafgaand overleg en zonder dat sprake was van acute onveiligheid of een concrete onderbouwing die een dergelijke ingrijpende maatregel rechtvaardigt. De moeder benadrukt dat het contact met [minderjarige 1] altijd intensief en hecht is geweest en dat zij in het vrijwillig kader ruime omgang had die niet tot structurele onveiligheid leidde. Zij betwist dat zij [minderjarige 1] heeft belast met ongeschikte informatie en stelt dat de beperking van het onderlinge contact juist leidt tot extra stress, verwarring en angst bij [minderjarige 1] . Volgens de moeder wordt hiermee het ouder-kindcontact niet beschermd maar eerder beschadigd. 4.13. De advocaat van [minderjarige 1] geeft tijdens de zitting aan dat [minderjarige 1] inmiddels zestien jaar is en heel duidelijk kan aangeven wat hij nodig heeft en hoe hij de situatie ervaart. Hij heeft tijdens het kindgesprek laten weten dat hij zich vooral gespannen en onrustig voelt door de huidige situatie en door de schriftelijke aanwijzingen die zijn opgelegd.
Volledig
De advocaat merkt op dat [minderjarige 1] deze aanwijzingen niet als helpend ervaart maar juist als iets wat extra druk oplevert. In zijn beleving is er weinig ruimte en voelt hij zich vastgezet in regels die hij niet goed begrijpt en die voor hem vooral stress veroorzaken. Dat is ook de reden dat hij moeite heeft met het contact met de GI en dat hij daar afstand van heeft genomen. De advocaat geeft verder aan dat wat [minderjarige 1] vooral nodig heeft, is rust, duidelijkheid en het gevoel dat hij zelf enige regie heeft over zijn leven en zijn relaties. Het contact met zijn moeder is daarin voor hem van groot belang. Hij geeft aan dat dit contact voor hem steunend is en dat hij zich daar veilig bij voelt. De advocaat benadrukt dat maatregelen die bedoeld zijn om rust te brengen in de praktijk niet het tegenovergestelde effect mogen hebben. In de beleving van [minderjarige 1] betekent de schriftelijke aanwijzing vooral dat hij zijn moeder minder mag zien en minder vrij contact met haar kan hebben. Dat levert hem spanning op en zorgt ervoor dat hij voortdurend twijfelt over wat wel en niet mag. Zo heeft hij zelfs de angst ontwikkeld dat zijn moeder in de problemen zou kunnen komen als hij naar haar toe gaat, wat laat zien hoeveel onrust deze verzoeken bij hem veroorzaken. [minderjarige 1] wil graag vaker contact met zijn moeder ook buiten vaste momenten om. Hij wil haar kunnen appen wanneer hij dat nodig heeft en als het zo uitkomt ook bij haar kunnen verblijven. Voor [minderjarige 1] voelt het onlogisch en pijnlijk dat juist dit contact wordt beperkt terwijl hij dit ervaart als een steun. De advocaat benadrukt dat als de rechtbank toch van oordeel is dat er enige vorm van structuur rondom het contact met de moeder nodig is het voor [minderjarige 1] essentieel is dat dit heel duidelijk en concreet wordt vastgelegd. Voor hem moet helder zijn wat wel kan en mag zodat hij niet langer in onzekerheid hoeft te leven en niet het gevoel heeft dat hij telkens iets fout kan doen. Het uitgangspunt zou daarbij moeten blijven dat het contact met zijn moeder zoveel mogelijk wordt behouden en ondersteund en niet verder onder druk komt te staan. 5 De beoordeling Ontvankelijkheid 5.1. Uit artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen kan geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien een met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:264 lid 1 BW op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. Op grond van het derde lid bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. 5.2. De kinderrechter stelt vast dat de verzoeken tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzingen door de moeder voortijdig zijn ingediend, maar in ieder geval niet na afloop van de termijn, zodat de verzoeken van de moeder ontvankelijk zijn. Het verzoek van [minderjarige 1] tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 10 december 2025 aan hem is tijdig ingediend, zodat ook dit ontvankelijk is. Inhoudelijke overwegingen 5.3. Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de beoordeling van de verzoeken dient de kinderrechter te beoordelen of het besluit van de GI volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Dit betekent dat het besluit zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen en dat het voldoende is gemotiveerd. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht. De kinderrechter kan de aanwijzing vervolgens slechts marginaal toetsen. 5.4. Een schriftelijke aanwijzing moet beschouwd worden als een ultimum remedium dat enkel ingezet dient te worden in gevallen waarin medewerking van de ouder niet door middel van overleg en overreding kan worden bereikt. Uit de overgelegde stukken en de zitting is het de kinderrechter gebleken dat het al geruime tijd aan samenwerking tussen de moeder en de GI ontbreekt. Door de moeder is de samenwerking per 11 november 2025 beëindigd met dien verstande dat zij een rust/herstelperiode heeft aangekondigd tot 26 februari 2026 (welke door haar naar eigen zeggen inmiddels is verlengd zo blijkt ter zitting voor onbepaalde duur) waarbinnen zij enkel nog schriftelijk, per mail, wil reageren. Dit maakt dat elke vorm van constructief overleg, huisbezoeken en dergelijke niet mogelijk zijn voor de GI. Het is zelfs nog niet gekomen tot de vaststelling van een plan van aanpak, zoals voorgeschreven, omdat dit overleg niet mogelijk is. Er wordt daarom nog steeds gewerkt vanuit het eerder opgestelde veiligheidsplan voor beide kinderen. 5.5. De verzoeken van de GI ter bekrachtiging van een viertal schriftelijke aanwijzingen gaan gepaard met een viertal verzoeken tot vervallenverklaring door de moeder en een verzoek van [minderjarige 1] . Nu deze verzoeken steeds betrekking hebben op de zelfde inhoud zullen deze steeds per onderwerp worden besproken. 442584 en 442604 onbelast contact tussen de GI en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 5.6. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025 terecht door de GI is gegeven en bekrachtigd dient te worden. Vast is komen te staan dat de GI haar wettelijke taak in het kader van de ondertoezichtstelling niet naar behoren kan uitvoeren zolang zij geen direct en onbelast contact kan hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Voor een zorgvuldige uitvoering van de ondertoezichtstelling is het noodzakelijk dat de GI zelfstandig met beide kinderen kan spreken, hun situatie kan volgen en signalen kan duiden, zonder dat zij daarbij wordt belemmerd. Ten aanzien van [minderjarige 2] stelt de kinderrechter vast dat de GI thans geen contact met haar kan krijgen terwijl zij bij de moeder verblijft en er sprake is van zorgen over haar welzijn en ontwikkeling. Het ontbreken van zicht op haar situatie acht de kinderrechter onwenselijk en onverenigbaar met de beschermende taak van de GI. Wat betreft [minderjarige 1] is gebleken dat hij wel bereid was tot contact met de GI en hier ook zelf initiatief in toonde maar dat dit contact op dit moment onvoldoende tot stand komt door de bestaande patstelling tussen de GI en moeder. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de GI rechtstreeks contact kan onderhouden met beide minderjarigen, individuele gesprekken kan voeren en de benodigde overleggen kan plannen, teneinde hun veiligheid en ontwikkeling te kunnen waarborgen. De schriftelijke aanwijzing is naar het oordeel van de kinderrechter proportioneel en noodzakelijk om de uitvoering van de ondertoezichtstelling mogelijk te maken. Het belang van de minderjarigen vergt dat de GI haar regietaak ook echt kan uitoefenen. De schriftelijke aanwijzing zal dan ook worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring zal worden afgewezen. 442578 en 442597 hulpverlening [persoon 3] 5.7.
Volledig
De kinderrechter overweegt dat de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025, inhoudende de inzet en voortzetting van de hulpverlening aan [minderjarige 1] door [persoon 3] van [hulpverlening] noodzakelijk en in het belang van [minderjarige 1] is en daarom dient te worden bekrachtigd. Uit het dossier en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat deze hulpverlening reeds voor de ondertoezichtstelling was ingezet, dat deze structureel heeft plaatsgevonden en dat [minderjarige 1] deze begeleiding als steunend en helpend ervaart. [minderjarige 1] heeft nadrukkelijk te kennen gegeven dat hij deze hulp wil houden en dat hij baat heeft bij de vertrouwensband die met de hulpverlener is opgebouwd. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige 1] zestien jaar oud is en op grond van zijn leeftijd en ontwikkeling in staat is om zelf een weloverwogen beslissing te nemen over de hulpverlening die hij ontvangt. Het voortzetten van deze hulp sluit aan bij zijn behoeften en draagt bij aan zijn emotionele stabiliteit en ontwikkeling. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de bezwaren van de moeder tegen de inzet van deze hulpverlening. Zij heeft aangevoerd dat besluiten zonder haar instemming zijn genomen, dat zij meent dat de hulpverlener geen wettelijke basis heeft, dat haar instemmingsrecht wordt geschonden en dat zij zorgen heeft over gegevensdeling, overleg en de rol van de hulpverlener in relatie tot haar gezag. Daarnaast heeft zij voorwaarden gesteld aan de voortzetting van de hulp waaronder dat de hulpverlener uitsluitend als vertrouwenspersoon zou optreden en niet betrokken zou zijn bij overleggen of besluitvorming. 5.8. Hoewel de kinderrechter ziet dat de moeder zich zorgen maakt over haar positie als moeder vindt de kinderrechter deze bezwaren onvoldoende zwaarwegend om de hulpverlening te beëindigen. Doorslaggevend is dat de hulpverlening aantoonbaar in het belang van [minderjarige 1] is, dat hij deze zelf wenst voort te zetten en dat beëindiging daarvan een reëel risico zou vormen voor zijn welzijn en ontwikkeling. Daarbij komt dat de ondertoezichtstelling juist tot doel heeft om noodzakelijke hulpverlening veilig te stellen wanneer deze niet langer in vrijwillig kader tot stand kan komen. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing proportioneel is en noodzakelijk om te voorkomen dat de hulpverlening aan [minderjarige 1] wordt belemmerd. De aanwijzing strekt er niet toe het gezag van de moeder verder te beperken dan noodzakelijk maar beoogt de continuïteit van voor [minderjarige 1] belangrijke ondersteuning te waarborgen. Om die reden zal de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring worden afgewezen. 442583 en 442600 inzet en medewerking aan MST-PSB 5.9. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025 inhoudende de verplichting voor de moeder om mee te werken aan het MST-PSB-traject terecht is gegeven en dient te worden bekrachtigd. Uit het dossier en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat zich recent ernstige incidenten hebben voorgedaan rondom de minderjarigen op school waarbij sprake is geweest van het delen en/of plaatsen van grensoverschrijdende berichten en beelden over de mentor van school via sociale media. Deze incidenten hebben geleid tot grote onrust, zorgen vanuit school en betrokken instanties en hebben zelfs geresulteerd in schorsing en dreigende verwijdering van school. De kinderrechter vindt dat de GI gemotiveerd heeft aangegeven dat er concrete zorgen bestaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag en digitale weerbaarheid, zowel bij [minderjarige 2] als in de gezinscontext als geheel. Daarbij is niet alleen relevant wie feitelijk verantwoordelijk is voor het delen van de berichten maar vooral dat beide minderjarigen hiermee in aanraking zijn gekomen en dat zij onvoldoende beschermd lijken tegen de risico’s van online gedrag, beïnvloeding en escalatie. De kinderrechter volgt de GI in haar standpunt dat deze signalen een duidelijke indicatie vormen voor het inzetten van specialistische en intensieve hulpverlening. 5.10. De kinderrechter acht MST-PSB daarom een passende en geschikte vorm van hulpverlening. Deze behandelvorm is specifiek gericht op het verminderen van seksueel grensoverschrijdend en risicovol gedrag, het vergroten van toezicht en opvoedvaardigheden en het versterken van veilige gezinsstructuren. MST-PSB biedt de moeder concrete ondersteuning bij het stellen van grenzen, het vergroten van haar handelingsvermogen en het herstellen van regie binnen het gezin terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan het welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Daarnaast vindt de kinderrechter het van belang dat deze vorm van hulpverlening relatief snel kan worden opgestart en dat de wachttijd korter is dan bij andere vormen van jeugdhulp. Gelet op de actuele zorgen, de recente escalaties en de noodzaak om verdere schade voor de ontwikkeling van de minderjarigen te voorkomen, is tijdige inzet van passende hulpverlening essentieel. Hoewel de moeder heeft aangevoerd dat zij deze hulpverlening niet noodzakelijk acht en dat zij meent dat de zorgen gebaseerd zijn op aannames is de kinderrechter van oordeel dat het geheel aan signalen, incidenten en zorgen maakt dat afwachten niet verantwoord is. De ondertoezichtstelling brengt met zich dat in een situatie als deze mag worden ingegrepen om de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de minderjarigen te waarborgen. Vanwege het voorgaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk, proportioneel en in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is. De schriftelijke aanwijzing zal daarom worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring zal worden afgewezen. 442574 en 443504 en 442602 contactregeling moeder met [minderjarige 1] 5.11. Ter beoordeling staat de vraag centraal of er redenen zijn om de schriftelijke aanwijzing van de GI ten aanzien van de beperking van de contacten van de moeder met [minderjarige 1] vervallen te verklaren of juist te bekrachtigen. Op grond van artikel 1:265f lid 1 BW kan de GI voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. De beslissing van de GI geldt op grond van lid 2 als een schriftelijke aanwijzing, in welk kader artikel 1:263 BW en artikel 1:264 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Artikel 1:265f lid 2 BW bepaalt bovendien dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. 5.12. De kinderrechter stelt voorop dat ook bij een uithuisplaatsing het uitgangspunt bij de vaststelling van de omgang dient te zijn dat deze bijdraagt aan het welzijn van [minderjarige 1] en ruimte laat voor een zorgvuldige en bij zijn ontwikkeling passende opbouw. De schriftelijke aanwijzingen van de GI van 17 november 2025 gericht aan de moeder en van 16 december 2025 gericht aan [minderjarige 1] zijn naar het oordeel van de kinderrechter te vastomlijnd en laten onvoldoende ruimte om in te spelen op veranderingen in de situatie en belemmert een geleidelijke uitbreiding en opbouw van het contact. Juist gelet op de kwetsbare positie van [minderjarige 1] en de nog lopende ontwikkelingen rondom zijn belastbaarheid vindt de kinderrechter het niet in zijn belang dat de omgang zonder overleg dermate wordt beperkt. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzingen af te wijzen en deze vervallen te verklaren. Daarbij acht de kinderrechter het wel van belang dat de regie over de (begeleide) omgang bij de GI blijft liggen. Door deze regierol kan de GI meebewegen met de moeder en [minderjarige 1] en kan tijdig worden aangesloten bij de ontwikkelingen rondom [minderjarige 1] en op een wijze die aansluit bij zijn tempo en zijn behoefte aan prettig contact met zijn moeder.