Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:943
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/417935 / HA ZA 24-28 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van 1 [naam 1] , te [plaats] ,2. [naam 2] , te [plaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [partij 1] , advocaat: mr. M. Duurtsema, tegen 1 [naam 3] , voorheen handelend onder de naam [bedrijf 1] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie,2. [naam 4] , voorheen handelend onder de naam [bedrijf 2] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie,3. [B.V. 1] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna samen te noemen: [partij 2] en afzonderlijk: [naam 3] en [naam 4] en het Bouwbedrijf , advocaat: mr. W. van Veldhuizen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: – het tussenvonnis van 11 september 2024 en de daarin genoemde stukken, – de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 124, – de mondelinge behandeling van 27 februari 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt en een kort proces-verbaal, waaruit blijkt dat de op voorhand door [partij 1] toegezonden aktes overlegging producties en vermeerdering van eis niet ter zitting zijn genomen, omdat beide partijen nog een conclusie na mondelinge behandeling mogen nemen, waarbij [partij 1] alsnog de producties in het geding kan brengen, – de conclusie na comparitie van [partij 1] met producties 76 t/m 153, – de antwoord conclusie van [partij 2] met productie 17. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [naam 3] en [naam 4] hebben beiden een eenmanszaak gehad: [naam 3] vanaf 1 januari 2017 en [naam 4] vanaf 22 september 2017. Op 1 maart 2022 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat beide onderneming met ingang van 24 februari 2022 zijn opgeheven. 2.2. [B.V. 1] is opgericht op 24 februari 2022. [B.V. 2] is bestuurder en enige aandeelhouder van deze vennootschap. De eenmanszaken van [naam 3] en [naam 4] zijn op 24 februari 2022 ingebracht in [B.V. 1] 2.3. Op of omstreeks 1 mei 2021 hebben [partij 1] een aannemingsovereenkomst gesloten met [bouwbedrijf] voor de bouw van een nieuwbouwwoning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning). [partij 2] zouden de woning voor [partij 1] gaan bouwen voor een aanneemsom van € 483.164,30 incl. 21% btw. 2.4. [partij 2] hebben voor de bouw een open begroting gemaakt . Het ontwerp en de bouwtekeningen zijn gemaakt door [architect] , de constructieberekening door Kracht Constructief Advies en de BENG-berekeningen door HBA B.V. Voor de nieuwbouwwoning is een voorlopig energielabel afgegeven en een bouwbesluitrapportage opgemaakt. 2.5. [partij 2] hebben bij de uitvoering van de werkzaamheden diverse onderaannemers ingeschakeld. Zo was aan de firma [installatiebureau] B.V. (hierna: [installatiebureau] ) onder meer de opdracht gegeven tot het uitvoeren/maken van de warmte installatie (incl. warmtepomp en boiler) en de WTW-installatie. Aan [stukadoorsbedrijf] V.O.F. (hierna: [stukadoorsbedrijf] ) was opdracht gegeven tot het verrichten van het buitenstucwerk. 2.6. Na de totstandkoming van de overeenkomst zijn partijen een bedrag van € 7.973,30 aan minderwerk overeengekomen. Overeengekomen is dat [partij 1] een aantal onderdelen van de open begroting zelf zouden (laten) uitvoeren. 2.7. [partij 2] zijn op 8 juni 2021 met de bouw van de woning begonnen. 2.8. In mei 2022 is tussen partijen discussie ontstaan over het uitgevoerde buitenmetselwerk inclusief het verdiepte voegwerk, het buitenstucwerk, de verwerkte steenstrips, schades en vervuiling van dakoverstekken (Rockpanel). 2.9. In opdracht van [stukadoorsbedrijf] heeft Afbouw Gevelsupport B.V. de gepleisterde en gelijmde steenstripafwerking op de buitengevelisolatie beoordeeld en daarover op 17 mei 2022 gerapporteerd. In opdracht van [partij 1] heeft [adviesbureau] op 17 juni 2022 gerapporteerd over het metselwerk, buitenstucwerk, Rockpanel en de dakoverstekken. 2.10. Bij brief van 11 juli 2022 hebben [partij 2] dient binnen een week de juiste exemplaren te bestellen. 2.27. Op 9 september 2023 is er een bespreking geweest bij [partij 1] over de aardwarmtepomp en de boiler. 2.28. In opdracht van [partij 1] heeft Trition in augustus/september 2023 een onderzoek verricht naar de oorzaak van stankoverlast. Op 13 oktober 2023 is daarover een rapport uitgebracht. 2.29. Op 7 december 2023 heeft Innax (voorheen [deskundige] ) in opdracht van [partij 1] een memo uitgebracht over de aanpassingen aan de WTW-installatie. Op 12 december 2023 heeft Innax een aanvullend rapport uitgebracht. 2.30. Op 29 december 2023 is de dagvaarding in deze procedure uitgebracht. In deze procedure hebben [partij 1] aangevoerd dat er naast de 53 gebreken die in de dagvaarding staan vermeld, nog 11 nieuwe gebreken zijn ontstaan c.q. ontdekt. Bij brief van 30 augustus 2023 heeft de advocaat van [partij 1] [partij 2] gesommeerd om binnen redelijke termijn tot herstel van de gebreken 54 t/m 64 over te gaan. 2.31. Hangende deze procedure hebben [partij 1] nog rapporten van Lekdetectiecentrale , Drillpro Nederland , BlowerTechnic , Bosch (althans Drillpro ) en Bouwstad Projectmanagement B.V. in het geding gebracht. Bouwstad Projectmanagement B.V. komt in haar rapport tot een begroting van herstelkosten van € 265.280,24 inclusief btw. 3 Het geschil in conventie 3.1. [partij 1] vorderen, na wijziging eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat –: primair: 1.1. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen 4 weken na datum vonnis de gebreken 1, 3, 4, 5, 6, 11, 12, 14, 21, 23, 24, 27, 28, 29, 30, 33, 35, 37, 40, 41, 44, 45, 48, 49, 51, 52, 53, 55, 57, 59, 60, 61, 62 en 64 te herstellen naar eisen van goed deugdelijk werk op straffe van een dwangsom; 1.2. bij gebreke van herstel binnen de onder 1.1. genoemde termijn [partij 1] te machtigen om op kosten van [partij 2] een derde de gebreken te laten herstellen binnen 4 weken na de in 1.1. genoemde termijn; 1.3. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de gebreken aan de aardwarmtepomp, boiler (gebreken 9, 10, 39 en 47), WTW-installatie (gebreken 8, 46 en 54) en de extra WTW-unit te herstellen conform de offerte van [firma] van 14 oktober 2024 en memo herstelplan WTW Innax van 12 december 2023, op straffe van een dwangsom, dan wel bij gebreke van herstel, [partij 1] te machtigen om op kosten van [partij 2] een derde dit herstel te laten uitvoeren; 1.4. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de ontbrekende As Built tekeningen (gebrek 58) aan [partij 1] te leveren, bij gebreke waarvan primair [partij 1] door de rechtbank wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde de tekeningen te laten opstellen en leveren of, subsidiair [partij 2] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom; 1.5. indien de ontbrekende As Built tekeningen niet zijn opgesteld, [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om op eigen kosten de tekeningen te laten opstellen en te leveren aan [partij 1] binnen vier weken bij gebreke waarvan primair [partij 1] door de rechtbank wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde de tekeningen te laten opstellen en leveren of, subsidiair [partij 2] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom; 1.6. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.655,11 aan schadevergoeding inzake gebrek 65, vermeerderd met de wettelijke rente; subsidiair: 2.1. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen 4 weken na datum vonnis de gebreken 1, 3, 4, 5, 6, 11, 12, 16, 21, 23, 24, 27, 28, 29, 30, 33, 35, 37, 40, 41, 44, 45, 49, 51, 52, 53, 57, 60, 61, 62 en 64 te herstellen op straffe van een dwangsom; 2.2. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de gebreken aan de aardwarmtepomp, boiler (gebreken 9, 10, 39 en 47) en WTW-installatie (gebreken 8, 46 en 54) te herstellen conform de offerte van [firma] van 14 oktober 2024 en memo herstelplan WTW Innax van 12 december 2023 [partij 2] voeren als verweer aan dat [naam 3] en [naam 4] geen partij zijn bij de aannemingsovereenkomst en dat de verwijten die [partij 1] [partij 2] maken niet allemaal terecht zijn. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.6. [B.V. 1] vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij 1] te veroordelen tot betaling van € 109.940,72 vermeerderd met rente en kosten. 3.7. [B.V. 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat [partij 1] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst per datum oplevering nog het resterende bedrag van de aanneemsom verschuldigd zijn. Dat bedrag is, na verrekening van meer- en minderwerk, nog € 109.940,72 incl. btw. 3.8. [partij 1] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij 2] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 2] , met veroordeling van [partij 2] in de kosten van deze procedure. 3.9. [partij 1] voeren als verweer aan dat [partij 2] eerst de verplichting hebben om de gebreken te herstellen. Nu zij daarin tekort geschoten zijn, hebben [partij 1] bij e-mail van 30 juli 2024 een beroep gedaan op opschorting. [partij 1] voeren verder aan dat [factuurnummer 2] nog niet opeisbaar is, niet is onderbouwd en ook verder wordt betwist, dat zij hebben geklaagd over [factuurnummer 1] omdat het gevelstucwerk en de metselstrips niet voldoen en dat [factuurnummer 3] niet is voldaan omdat er – ook volgens het vonnis in kort geding – sprake is van non-conformiteit. 4 De beoordeling in conventie Inleidende opmerkingen 4.1. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst in de zin van artikel 7:750 BW tot stand is gekomen. Op grond van deze overeenkomst rust op de aannemer de verplichting om het overeengekomen werk overeenkomstig de gemaakte afspraken, tekeningen, bestekken en overige contractuele voorwaarden uit te voeren en op te leveren. Het werk dient niet alleen te beantwoorden aan hetgeen partijen expliciet zijn overeengekomen, maar moet bovendien voldoen aan de maatstaf van goed en deugdelijk werk. Dit houdt in dat het werk geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik, moet beantwoorden aan de redelijke verwachtingen van de opdrachtgever en moet zijn uitgevoerd met de zorgvuldigheid en vakbekwaamheid die van een redelijk handelend en bekwaam aannemer mag worden verwacht. 4.2. Het begrip ‘gebrek’ dient in juridische zin zorgvuldig te worden beoordeeld. Niet iedere technische constatering of beoordeling door een ingeschakelde deskundige leidt automatisch tot een gebrek in juridische zin. Voor de kwalificatie van een gebrek is bepalend of het werk niet overeenkomt met hetgeen partijen zijn overeengekomen en/of niet voldoet aan de kwaliteit die de opdrachtgever in redelijkheid mocht verwachten. Daarbij wordt zowel gekeken naar de contractuele afspraken als naar de functionele eigenschappen die het werk naar maatstaven van de bouwpraktijk behoort te hebben. Een deskundigenrapport kan dienen als bewijsmiddel om de aard, omvang en oorzaak van vermeende tekortkomingen aan te tonen, maar het oordeel van de deskundige is op zichzelf niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie van het werk. 4.3. Bij de beoordeling van een gebrek kan meewegen dat de aannemer een ontwerp van een architect heeft uitgevoerd. Fouten in het ontwerp kunnen een oorzaak zijn van het gebrek. Dit ontslaat de aannemer echter niet direct van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering: de aannemer moet het werk nog steeds vakbekwaam en zorgvuldig uitvoeren en eventuele zichtbare, of voor de vakman herkenbare, tekortkomingen in het ontwerp onderkennen. 4.4. Van een gebrek is sprake indien het werk niet aan deze eisen voldoet, bijvoorbeeld omdat het werk afwijkt van de overeenkomst, niet voldoet aan geldende technische normen, ondeugdelijk is uitgevoerd of niet geschikt is voor het beoogde gebruik. Daarbij is niet vereist dat het gebrek reeds bij oplevering zichtbaar was. Ook verborgen gebreken d Uit de processtukken maakt de rechtbank op dat het in deze procedure gaat om de door [partij 1] gestelde gebreken met de volgende nummers en korte omschrijvingen : 1 buitenmetselwerk 3 steenstrips 4 alle rockpanel beschadigingen verhelpen 5 alle rockpanel schoonmaken van stuc- en plakbandresten 6 stucwerk 11 hemelwaterafvoer 12 overstek pannendak ter plaatse van platdak afwerken 14 gevelbetimmering aansluiting stucwerk 21 bakgoot/gevelafwerking 23 voor- en achterdeur 24 garagedeur 27 overstek atelier 28 rockpanel plafond overstekken, carport en overkapping 29 rockpanel afdak 30 stalen kolom overkapping achter 33 lekkage ouderslaapkamer 35 pannen komen los 37 twee douches tegelijk gebruiken 40 diverse vochtplekken hellend dak 14-09-2022 41 diverse vochtplekken muur slaapkamer 10-09-2022 44 muffe lucht begane grond 45 geluidsoverlast waterleidingen/riool 48 geluidsoverlast afzuiging atelier 49 ontbreken isolatie in de nok 50 ontbreken airco 51 luchtbellen in/onder dakbedekking 52 niet geventileerde spouwmuur 53 tocht/lucht op eerste verdieping/zolder 55 afzuiging atelier 57 geluidsoverlast van buitenaf 58 ontbrekende as built tekening [installatiebureau] 59 luchtlekkage metselplint en gevelstuc 60 metselwerk opvoegen voorkant 61 zinken dakrand loopt verkeerd af 62 kit verweerd 63 koeling 64 stucwerk schoonmaken 65 risaliet Daarnaast is volgens [partij 1] sprake van gebreken aan de aardwarmtepomp en boiler: 9 aardwarmtepomp plaatsen en afstellen 10 aardwarmtepomp thermostaten installeren en afregelen 39 aardwarmtepomp en boiler niet geleverd conform opgave 47 non conformiteit aardwarmtepomp en boiler Tot slot zijn er volgens [partij 1] ook gebreken aan de WTW-installaties: 8 WTW plaatsen en afstellen 46 geluidsoverlast WTW 54 WTW boven is niet goed en deugdelijk opgeleverd 4.11. De gebreken met nummers 1 t/m 36 zijn volgens [partij 1] de opleverpunten van 7 september 2022. De gebreken 37 t/m 53 zijn volgens [partij 1] na oplevering ontdekt. Gedurende deze procedure hebben [partij 1] de eis vermeerderd met de gebreken 54 t/m 65. Gebreken die inmiddels zijn hersteld, zijn door de rechtbank niet in het bovenstaande overzicht vermeld. 4.12. De rechtbank zal hierna per gesteld gebrek beoordelen of het Bouwbedrijf tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst en zo ja, of zij gehouden is tot herstel. Waar een gesteld gebrek onder meerdere nummers valt, zullen deze gebreken gezamenlijk worden besproken. Daarbij zal worden beoordeeld of sprake is van een gebrek in het uitgevoerde werk en of dit gebrek voor rekening en risico van het Bouwbedrijf als aannemer komt. Voor de overzichtelijkheid hanteert de rechtbank bij haar beoordeling de door [partij 1] gebruikte nummering van de gestelde gebreken. Buitenmetselwerk: gebreken 1 en 60 4.13. Al voor de oplevering zijn partijen met elkaar in discussie geraakt over het buitenmetselwerk en het verdiept voegwerk. [partij 1] stellen dat de buitengevels moeten worden schoongemaakt omdat er metselmortelresten zichtbaar zijn in de lintvoegen en op de betonstenen en dat er een voeg hersteld moet worden (gebrek 1). Een poging om dit schoon te maken (waarvoor GevelGoeroe is ingeschakeld) heeft geleid tot kleurverschil aan de voorzijde van de linkergevel naast de carport. Ter onderbouwing verwijzen [partij 1] naar een rapport van TechnoConsult . 4.14. In het rapport van TechnoConsult valt op pagina 11 te lezen dat op steenvlakken aansluitend aan de voegen smet van specie op de stenen zichtbaar is. Daarnaast merkt TechnoConsult op dat sprake is van variatie in diepte van de lintvoegen en kalkafzetting bij een keukenraam. Uit het rapport kan echter niet worden opgemaakt dat deze bevindingen een dusdanige ernst en omvang hebben dat gezegd kan worden dat het Bouwbedrijf het metselwerk ondeugdelijk heeft uitgevoerd en daarmee tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. TechnoConsult schrijft namelijk onder haar b Door deze oplevering is ingevolge artikel 7:758 lid 3 BW het Bouwbedrijf ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die [partij 1] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. In het onderhavige geval gaat het om een gebrek dat ten tijde van de oplevering zichtbaar was en had moeten worden meegenomen in de lijst met opleverpunten. Dat is niet gebeurd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom het Bouwbedrijf aansprakelijk is voor dit gebrek. Dat partijen hebben afgesproken dat Gevelreiniging Benelux dit op kosten van het Bouwbedrijf zou herstellen is door [partij 1] niet onderbouwd. 4.18. Concluderend is ten aanzien van het buitenmetselwerk enkel herstel van het kleurverschil aan de voorzijde van de linkergevel naast de carport toewijsbaar. Steenstrips: gebrek 3 4.19. [partij 1] stellen dat de verlijmde steenstrip tussen de ramen op de eerste verdieping gebreken vertonen. Deze gebreken zien vooral op de dikte van de steenstrips en de voegdiepte, waardoor de gevelafwerking niet vlak is. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij naar de bevindingen van TechnoConsult op pagina 13 en 29 van het rapport . TechnoConsult komt op pagina 29 met betrekking tot de vlakheid van de gevels tot de volgende conclusie: “Uitgaand van beoordeling op basis van de PBL0357, groep 1 (zie tabel 4.1) wordt vastgesteld dat de onvlakheid buiten de maximaal toegestane afwijking valt. Op grond van bovenstaande beoordeling dienen de maatafwijkingen in zowel vlakheid van het gemetselde gevelvlak als de diepte van de voegen te worden hersteld.” 4.20. Het Bouwbedrijf betwist dat er sprake is van een gebrek. Zij voert daartoe aan dat [partij 1] er op enig moment voor hebben gekozen om geen steenstrips te kopen maar deze zelf te zagen uit de bakstenen die door het Bouwbedrijf waren aangeleverd, omdat dit een besparing van de kosten zou opleveren. Na het zagen van de steenstrips bleek er sprake te zijn van een dikteverschil. Het Bouwbedrijf heeft met [partij 1] besproken dat dit tot een onregelmatig resultaat zou kunnen leiden. Het Bouwbedrijf zou proberen om de steenstrips zo vlak mogelijk aan te brengen. Uiteindelijk heeft dit tot een resultaat geleid waar [partij 1] niet tevreden mee zijn, maar dat, gelet op het al aanwezige dikteverschil in de door [partij 1] gezaagde steenstrips, binnen de marges valt. Ter onderbouwing daarvan verwijst het Bouwbedrijf naar het rapport van Afbouw Gevelsupport , waar op pagina 4 staat: “De strippen zijn verlijmd op een wapeningslaag van het gevelisolatiesysteem. Dit is in principe een vlakke ondergrond. Afwijkingen langs randen en in het vlak van de steenstrippen ontstaan dan door dikteverschil in verlijming of door dikteverschil/maatvariatie in de steenstrippen. (…) Op het werk is aan een restant partij van de betonstrippen een dikteverschil bepaald tot 3 mm. In de verlijmde steenstrippen is zodoende een tolerantie van 6 mm (3+3) toegestaan. (…) De maximale afwijking die daar is aangetroffen in 5 mm, en dus binnen de tolerantie.” Op pagina 7 komt Afbouw Gevelsupport tot de volgende conclusie: “Het opnieuw aanbrengen/verlijmend van steenstrippen met eenzelfde maatvariatie zal naar verwachting ook geen verbetering opleveren.” 4.21. Het Bouwbedrijf heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de diepte van de voegen. In het rapport van Afbouw Gevelsupport wordt daarover op pagina 4 opgemerkt: “Het voegwerk is hier golvend aangebracht en bij de aansluiting tegen de gepleisterde geveldelen is het voegoppervlak niet goed glad gestreken.” Op pagina 7 komt Afbouw Gevelsupport tot de conclusie dat het aangebrachte voegwerk erg slordig is. Afbouw Gevelsupport geeft het advies om het voegwerk te verbeteren (vervangen), maar merkt daarbij op dat dit in combinatie met de diktevariatie van de steenstrippen in het eindresultaat geen direct zichtbare verbetering zal geven. 4.22. [partij 1] erkennen de steenstrips zelf te hebben gezaagd en hebben niet weersproken dat zij met het Bouwbedrijf Een onderbouwing van deze conclusie ontbreekt, zodat niet duidelijk is waarom TechnoConsult tot deze conclusie komt. Het Bouwbedrijf betwist ook de conclusie van TechnoConsult dat dat er sprake is van onvoldoende ventilatie, nu ook deze conclusie niet is onderbouwd. Dat er sprake is van condensvorming wordt eveneens betwist. TechnoConsult heeft dit ook niet onder de bevindingen opgenomen. – Het Bouwbedrijf stelt dat zij op instructie van [partij 1] de Rockpanel platen naadloos heeft gemonteerd. Daarbij is niet te voorkomen dat er enige beschadiging aan de Rockpanel platen ontstaat (gebreken 4 en 5). Volgens TechnoConsult zijn deze beschadigingen enkel esthetisch en niet van invloed op de duurzaamheid van de platen, zodat er geen reden is om de platen te vervangen. – Met betrekking tot gebrek 12 voert het Bouwbedrijf aan dat niet duidelijk is wat [partij 1] precies bedoelen. Voor zover het gaat om de bevindingen van TechnoConsult op pagina 14 onder 2.2.3, onderdeel b) biedt het Bouwbedrijf aan om de onderzijde van de dakoverstek van de westgevel (aansluitend aan de berging) over een lengte van 10 meter af te werken met Rockpanel, als partijen dat ook zijn overeengekomen en dat niet in strijd is met de bestektekeningen. Voor wat betreft de overstek bij het atelier (gebrek 27) wacht het Bouwbedrijf nog op [partij 1] , omdat eerst de screens nog moeten worden geplaatst. Voor zover er sprake is van een gebrek/tekortkoming, is er sprake van schuldeisersverzuim. – Met betrekking tot gebrek 29 voert het Bouwbedrijf aan dat zij niet precies begrijpt wat [partij 1] hier bedoelen. In het rapport van TechnoConsult wordt hierover ook niets opgemerkt. Het Bouwbedrijf betwist dan ook dat er sprake is van enig gebrek. 4.25. Naar de rechtbank begrijpt, betwist het Bouwbedrijf niet de bevindingen van TechnoConsult zoals weergeven op pagina’s 14 tot en met 16, noch de bevindingen van Bouwstad zoals weergegeven op pagina 15, maar wel hun conclusie dat de Rockpanelen niet zijn aangebracht volgens de montagevoorschriften en daarom volledig vervangen moeten worden. De rechtbank is het met het Bouwbedrijf eens dat het enkele feit dat de montagevoorschriften niet zijn gevolgd nog niet leidt tot het oordeel dat er sprake is van een gebrek. Van belang is welke gevolgen dit heeft voor de duurzaamheid en stabiliteit van de Rockpanelbeplating. Zowel TechnoConsult als Bouwstad heeft een visuele inspectie verricht en omschreven welke afwijkingen zij hebben gezien. Naar de rechtbank begrijpt zien van de geconstateerde afwijkingen alleen het naadloos monteren en het verlijmen van de platen op hout in plaats van op stroken Rockpanel op het niet volgen van de montagevoorschriften. De andere afwijkingen hebben een andere oorzaak. Zo zijn volgens TechnoConsult de beschadigingen aan de Rockpanel platen ontstaan tijdens het uitvoeren van het gevelpleisterwerk en de afwijkingen in de glansgraad van het oppervlak van de Rockpanel platen veroorzaakt door het aanbrengen van tape op de platen. TechnoConsult beschouwt de wijze waarop de Rockpanel platen zijn gemonteerd als een gebrek ten aanzien van de duurzaamheid en stabiliteit. Volgens Bouwstad leidt de wijze waarop de Rockpanel platen zijn aangebracht tot een verkorting van de levensduur en schade als gevolg van uitzetting. Hoewel geen van beide deskundigen de oorzaken van de andere afwijkingen aanmerkt als een gebrek, is de rechtbank van oordeel dat de (onvoldoende betwiste) gevolgen van het niet monteren van de Rockpanel platen volgens de daarvoor geldende voorschriften voldoende reden is om de Rockpanel platen volledig te vervangen. Bij de vervanging van de Rockpanel platen kan het Bouwbedrijf tevens de platen aanbrengen die zij vergeten zijn om aan te brengen. Aan een beoordeling van de overige gebreken komt de rechtbank dan niet meer toe, omdat vervanging van de Rockpanel platen tevens het herstel omvat van de overige gestelde gebreken aan de panelen. Stucwerk: gebrek 6, 14 en 64 4.26. [partij 1] stellen dat h [partij 1] stellen dat de grondverf op een stalen kolom bij de overkapping aan de achterzijde van de woning bellen vertoont en loslaat. Ter onderbouwing verwijzen zij naar foto’s en de reactie van Bouwstad , opgenomen onder producties 46 en 98. Het Bouwbedrijf heeft niet aannemelijk gemaakt dat het loslaten van de verf het gevolg is van omstandigheden buiten haar invloedssfeer. Zij heeft wel aangegeven dat dit probleem waarschijnlijk onder de garantie van de leverancier valt en dat zij hierover contact zal opnemen met de leverancier. 4.33. Het op zo’n korte termijn loslaten van de verf duidt erop dat de kolom niet voldoet aan de eigenschappen die op grond van de aannemingsovereenkomst redelijkerwijs mochten worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een gebrek dat voor rekening en risico van het Bouwbedrijf komt. Het Bouwbedrijf is gehouden dit gebrek kosteloos te herstellen. Zij zal hiertoe worden veroordeeld, waarbij het haar vrijstaat de leverancier al dan niet bij het herstel te betrekken. Twee douches tegelijk gebruiken: gebrek 37 4.34. [partij 1] stellen dat bij het gebruik van twee douches tegelijk de waterdruk aanzienlijk wegvalt en lager is dan zij redelijkerwijs mochten verwachten. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de rapporten van TechnoConsult en Bouwstad . Die schrijven daarover het volgende: TechnoConsult : “De beoordeling van de capaciteit van de warmwatervoorziening is uitgevoerd op basis van de indeling in comfort klassen warm tapwater. De laagste comfortklasse is klasse M. voor deze klasse geldt dat per minuut minimaal 10 liter water geleverd dient te worden met een temperatuur van 40 °C. Aan deze eis wordt met een capaciteit van 8,1 l/min niet voldaan. De capaciteit van de warmwatervoorziening wordt op grond van het uitgevoerde onderzoek aangemerkt als onvoldoende.” Bouwstad : “De meting werd uitgevoerd op de handdouches. Bij gebruik van één douche was de doorstroom (bij 43°C) 8,6 liter per minuut. Indien een tweede douche werd aangezet leverden deze beide douches per stuk nog slechts 6,1 liter warm water per minuut. Dit is voor een handdouche weinig, en onvoldoende voor een regendouche. Op het moment dat de boiler gevuld is, zouden de douches volop warm water moeten kunnen leveren. Aandachtspunt is derhalve de leidingdiameter van de watertoevoer. (…) voor een hoofdleiding is een diameter van 20 mm gebruikelijk, zeker bij een hoog warmwaterverbruik. De leiding achter het boilervat heeft een kleinere diameter (max 14 mm, meting Bouwstad ). Op diverse locaties zijn koppelingen en bochtstukken aangebracht. De leidingen dienen in zijn geheel te worden nagezien op voldoende leidingdiameter en consistentie in de leidingdiameter, om er zeker van te zijn dat de tappunten voldoende wateraanvoer hebben (c.q. kunnen ontvangen) voor de gewenste doorstroomsnelheid.” 4.35. Het Bouwbedrijf betwist dat het douchedebiet bij gebruik van twee douches te ver terugloopt en verwijst naar een rapport [deskundige] . In dat rapport schrijft [deskundige] weliswaar dat het gebruikelijk is dat het debiet zakt bij gebruik van twee douches tegelijk en dat dit effect binnen de normen valt, maar in dat rapport valt ook te lezen dat dit niet door meting is vastgesteld. Het Bouwbedrijf verwijst dus naar een rapport waarin staat dat geen meting door [deskundige] is verricht. Gelet hierop heeft het Bouwbedrijf de rapporten van Bouwstad en TechnoConsult , waarin wel aan de hand van metingen is vastgesteld dat het douchedebiet te laag is, onvoldoende weersproken. Dat de oorzaak hiervan gelegen is in de leidingdiameter, zoals Bouwstad in haar rapport schrijft, heeft het Bouwbedrijf ook onvoldoende weersproken. De rechtbank is van oordeel dat het te lage douchedebiet een gebrek is dat het Bouwbedrijf gehouden is te herstellen. Van een woning met twee douches mag immers worden verwacht dat deze met voldoende doorstroomsnelheid tegelijkertijd gebruikt kunnen worden. Als de oorzaak gelegen is in te smalle leidingen, zal [deskundige] schrijft immers in haar rapport dat met de door haar aanbevolen aanpassingen de snelheid en weerstand in de kanalen sterk verminderen waardoor niet alleen debietseisen gehaald kunnen worden maar ook het geluidsoverlast sterk zal reduceren en bij goede uitvoering binnen de normen zullen blijven. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De stelling van [partij 1] dat de installatie bovendien gebrekkig is omdat deze een te [naam 2] stroomverbruik zou hebben, wordt evenwel niet gevolgd omdat dit niet uit het overgelegde rapport blijkt. 4.41. Dat de installatie-werkzaamheden zijn uitgevoerd door onderaannemer [installatiebureau] en dat [partij 1] daarover rechtstreeks met [installatiebureau] hebben gecommuniceerd, ontslaat het Bouwbedrijf niet van haar gehoudenheid de geconstateerde gebreken te verhelpen. Bij de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst heeft onderaannemer [installatiebureau] een offerte uitgebracht voor onder andere het plaatsen van een WTW-installatie in de berging. Deze offerte maakte integraal onderdeel uit van de open begroting (post [kenmerk] ) en komt daarmee volledig voor rekening en risico van het Bouwbedrijf als aannemer. Dit volgt ook uit het wettelijke stelsel van aanneming van werk. Op grond van artikel 7:751 BW is de aannemer jegens de opdrachtgever volledig aansprakelijk voor tekortkomingen van door hem ingeschakelde onderaannemers, alsof hij het werk zelf heeft uitgevoerd. De opdrachtgever heeft daarmee uitsluitend de hoofdaannemer als contractspartij en mag deze aanspreken op de deugdelijkheid van het gehele werk. De stelling van het Bouwbedrijf dat [installatiebureau] (uiteindelijk) het herstel dient te verrichten, is dus niet juist. Het Bouwbedrijf blijft verantwoordelijk voor het herstel en indien zij daarvoor een onderaannemer inschakelt, rust op haar de verplichting ervoor zorg te dragen dat die onderaannemer het herstel deugdelijk uitvoert. 4.42. In de betreffende offerte van [installatiebureau] is overigens opgenomen dat de WTW-installatie, anders dan op de tekening van de architect was voorzien, niet op zolder maar in de berging op de begane vloer zou worden geplaatst. [partij 1] hebben met deze wijziging ingestemd en kunnen daarvan nu geen punt meer maken. Dat deze opstelplaats niet fout is geweest, blijkt overigens ook uit het rapport van [deskundige] . 4.43. Partijen zijn naar aanleiding van het kort geding vonnis, waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld, met elkaar in gesprek gegaan. Dat heeft geresulteerd in een herstelplan inhoudende dat de bestaande installatie wordt aangepast vanwege geknepen aansluitflexibels en op de eerste verdieping/zolderetage een extra WTW-unit wordt geïnstalleerd. Innax (voorheen genaamd [deskundige] ) heeft daarover op 12 december 2023 een memo opgesteld waarin onder andere is opgenomen: “(…)Besproken is om het ventilatiesysteem te splitsen door het stijgkanaal te onderbreken en vanaf de zolderruimte met een nieuwe WTW-unit de verdieping te ventileren. De WTW-unit in de garage dient ook te worden aangepast vanwege afgeknepen aansluitflexibels. Daarnaast is men in voorbereiding om de gehele installatie in de garage (warmtepomp en boiler) aan te passen. Dit heeft verdere studie nodig. Omdat de aanpassingen aan de WTW op de verdieping los uitgevoerd kan worden van de ‘garage installatie’ wordt nu vanwege de voortgang alleen deze aanpassingen in deze memo behandeld. (…)” Verder beschrijft Innax in haar memo hoe en waar de unit op zolder geplaatst moet worden, welke geluidwerende maatregelen daarbij genomen dienen te worden, hoe de condensafvoer dient te worden aangebracht en op welke wijze kanalen op de bovenverdiepingen aangepast dienen te worden. 4.44. In januari 2024 is op zolder een extra WTW-installatie geïnstalleerd. Dit werk is uitgevoerd door [bedrijf 4] die daartoe door onderaannemer [installatiebureau] was ingeschakeld. [partij 1] stellen dat ook deze installatie niet goed en deugdelijk is uitgevoerd Innax adviseerde het condenswater van de WTW af te voeren naar de standleiding, met een klein afvoerbuisje onder afschot. In werkelijkheid is een opvangbak onder de installatie geplaatst en wordt condenswater/lekwater met een luidruchtige vlotterpomp afgepompt naar riool. Op de markt zijn condensaatpompen verkrijgbaar speciaal voor dergelijke doeleinden, die een beperkte geluidsproductie hebben. Ons advies is om de huidige opstelling te vervangen door een product dat geschikt (geschikter) is om het condenswater af te voeren en niet storingsgevoeling en/of veel geluid produceert. 4.45. De rechtbank is van oordeel dat uit de rapporten van Innax en Bouwstad voldoende blijkt dat zowel de WTW-unit op de begane grond als de unit op de verdieping gebreken vertoont die herstel noodzakelijk maken. Het Bouwbedrijf heeft deze rapporten niet gemotiveerd weersproken, maar enkel aangevoerd dat het rapport van Bouwstad de door [partij 1] ervaren problemen niet, althans niet in zodanige mate, bevestigt dat vervanging van de volledige installatie gerechtvaardigd zou zijn. Dat standpunt kan het Bouwbedrijf niet baten. [partij 1] vorderen immers in het petitum geen volledige vervanging, maar herstel van de installaties conform het door Innax opgestelde herstelplan. Uit dit herstelplan blijkt niet dat de installatie opnieuw moet worden ontworpen en in zijn geheel zou moeten worden vervangen. 4.46. Ten aanzien van de WTW-unit op de begane grond staat op basis van het herstelplan vast dat de aansluitflexibels moeten worden aangepast. Deze werkzaamheden zijn tot op heden niet uitgevoerd. Weliswaar is reeds een extra WTW-unit op zolder geplaatst zoals het herstelplan voorschrijft, maar uit het rapport van Bouwstad blijkt overtuigend dat de installatie hiervan onjuist is uitgevoerd waardoor nieuwe klachten zijn ontstaan. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat de huidige situatie niet voldoet aan de eisen die het herstelplan stelt. 4.47. [partij 1] hebben het herstelplan van Innax als uitgangspunt genomen voor hun vordering. Dit plan is in overleg tussen partijen opgesteld en geen van hen heeft aangevoerd dat herstel overeenkomstig dit plan de bestaande problemen niet zou oplossen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid, uitvoerbaarheid en afdoende werking van het herstelplan. Het Bouwbedrijf zal daarom worden veroordeeld tot herstel van beide WTW-installaties overeenkomstig het Innax -herstelplan. Door wie het Bouwbedrijf dit herstel laat uitvoeren, staat haar in beginsel vrij, zolang het herstel maar volledig en deugdelijk wordt uitgevoerd in overeenstemming met het Innax -herstelplan van 12 december 2023. Het Bouwbedrijf blijft daarbij verantwoordelijk voor het eindresultaat. 4.48. Het Bouwbedrijf heeft nog gesteld dat [partij 1] het verhelpen van gebreken aan de WTW-units zouden koppelen aan het oplossen van problemen aan de aardwarmtepomp en dat hierdoor sprake zou zijn van schuldeisersverzuim aan de zijde van [partij 1] De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de vordering van [partij 1] blijkt niet dat zij het herstel van de WTW-installaties afhankelijk stellen van het oplossen van de gebreken aan de aardwarmtepomp, die hieronder afzonderlijk worden beoordeeld. Ook uit de overgelegde rapporten blijkt niet dat het herstel van de WTW-units daaraan gekoppeld zou zijn. [partij 1] vorderen herstel van de WTW-units conform het Innax -herstelplan en het is niet aannemelijk dat zij, nadat zij dit herstel hebben gevorderd, vervolgens zouden weigeren mee te werken aan de uitvoering daarvan. Van schuldeisersverzuim met betrekking tot de WTW-installaties is derhalve geen sprake. Aardwarmtepomp: gebreken 9, 10, 39, 47, 50 en 63 4.49. Onderdeel van de aannemingsovereenkomst was de levering en installatie van een aardwarmtepompinstallatie. Het Bouwbedrijf heeft daarvoor [installatiebureau] als onderaannemer ingeschakeld. Vast staat dat in oktober 2022 een ander type aardwarmtepomp en bijbehorende boiler is geleverd Zij stellen dat het Bouwbedrijf hen niet heeft gewaarschuwd voor deze tekortschietende koelcapaciteit en evenmin heeft gewezen op de noodzaak van aanvullende koeling door middel van airco’s, terwijl de tekeningen van de architect onderdeel uitmaakten van de aanbieding. Naar de mening van [partij 1] voldoet het nieuwe ontwerp daarom niet aan de eisen die aan de koeling van de woning mochten worden gesteld en is het Bouwbedrijf tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. 4.51. [partij 1] hebben een vernieuwingsofferte van [firma] van 14 oktober 2024 overgelegd. Deze offerte gaat uit van hetzelfde type aardwarmtepomp en boiler als het eerdere ontwerp van 21 januari 2024. [partij 1] vorderen dat het Bouwbedrijf wordt veroordeeld de aardwarmtepomp en boiler conform deze offerte te herstellen, alsmede dat het Bouwbedrijf bijdraagt aan de kosten van de aanschaf van airco’s waartoe zij een offerte van [bedrijf 3] hebben overgelegd. 4.52. Het Bouwbedrijf stelt dat er sinds januari 2024 een deugdelijk voorstel gereed ligt om [partij 1] te voorzien van het juiste type aardwarmtepomp en boiler. Volgens het Bouwbedrijf is de voorgestelde installatie wél geschikt voor koeling. Een aardwarmtepomp biedt passieve koeling, waarbij de mate van koeling afhankelijk is van de temperatuur van het bronwater en dus naar zijn aard beperkt is. Dit betekent echter niet dat de installatie ongeschikt is om de woning te koelen. Ook uit de door [partij 1] zelf overgelegde BENG-berekening blijkt dat met uitsluitend koeling via de aardwarmtepomp aan de geldende normen wordt voldaan, terwijl ook het energielabel uitgaat van alleen bodemkoeling. Dat [partij 1] meer koeling wensen dan een aardwarmtepomp kan bieden, levert volgens het Bouwbedrijf geen tekortkoming aan haar zijde op. Er zijn hiervoor geen bijzondere eisen overeengekomen en evenmin is een waarschuwingsplicht geschonden. Het deugdelijk uitvoeringsplan ligt al sinds januari 2024 klaar, maar [partij 1] weigeren dit te laten uitvoeren omdat zij kosteloos plaatsing van airco’s verlangen. Volgens het Bouwbedrijf is daarom sprake van schuldeisersverzuim, nu [partij 1] de nakoming verhinderen. 4.53. Vast staat dat een andere aardwarmtepomp en boiler is geïnstalleerd dan partijen zijn overeengekomen en dat de oorspronkelijk overeengekomen typen bovendien niet met elkaar kunnen worden gecombineerd. Dit betekent dat de huidige aardwarmtepomp en boiler moeten worden vervangen door andere exemplaren. Partijen zijn het er op zich over eens dat de door [firma] geoffreerde typen aardwarmtepomp en boiler een passend alternatief vormen. Niet is gesteld of gebleken dat deze offerte niet aansluit bij hetgeen partijen zijn overeengekomen. Desondanks zijn de betreffende onderdelen nog niet besteld. 4.54. [partij 1] hebben ter zitting toegelicht dat de offerte van [firma] nog niet is opgevolgd omdat enkel een aardwarmtepomp volgens hen onvoldoende koeling kan leveren. Daarnaast stellen zij dat plaatsing van een nieuwe aardwarmtepomp en boiler pas mogelijk is nadat de WTW-installatie is aangepast. Het Bouwbedrijf betwist dit en voert aan dat de werkzaamheden aan de WTW-installatie los staan van het vervangen van de aardwarmtepomp en boiler. De rechtbank volgt dit standpunt van het Bouwbedrijf . [partij 1] hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat de vervanging van de warmtepomp en boiler afhankelijk zou zijn van aanpassingen aan de WTW-installatie. Nu die afhankelijkheid niet aannemelijk is geworden, moet worden aangenomen dat de offerte van [firma] zonder belemmeringen had kunnen worden uitgevoerd. 4.55. De enige reden dat nog geen uitvoering is gegeven aan de offerte, is dat [partij 1] vasthouden aan hun standpunt dat een aardwarmtepomp op zichzelf onvoldoende koeling biedt en dat het Bouwbedrijf hen had moeten waarschuwen dat het architectonisch ontwerp – met grote glaspartijen op het zuiden en hoge plafonds – zou leiden tot oververhitting en de noodzaak van aanvullende airco’s. De rechtbank volgt dit Bouwstad schrijft over de dakgoot op pagina 38 van haar rapport het volgende: “(…) De aansluiting van de goot op de dakplaten is niet juist. De naden van de platen zijn niet, of niet voldoende dichtgezet. Ventilatiepannen ontbreken. De onderste panlat verhindert dat water achter de pannen in de goot kan komen, waardoor lekkages ontstaan. Bij de kilgoot ontbreekt dampremmende folie, waardoor de gootconstructie nat wordt. Het kitwerk bij het zink is verweerd. De naad tussen dakplaten en binnenmuur (gevel) is niet luchtdicht. (…)” 4.62. Het Bouwbedrijf betwist dat hieruit kan worden afgeleid dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van enige verbintenis en dat sprake is van een gebrek. Volgens het Bouwbedrijf is de dakgoot uitgevoerd conform de bouwtekeningen van de architect en kan eventueel daaruit voortvloeiende gevoeligheid voor condensatie niet aan haar worden toegerekend. 4.63. Niet gebleken is dat de dakgoot niet conform de bestektekening is uitgevoerd. [partij 1] stellen wel dat de dakgoot anders zou zijn uitgevoerd omdat daaronder een plateau is gemaakt waar vocht zich onder zou kunnen ophopen, maar zij hebben dit niet onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de rapporten van TechnoConsult of Bouwstad . De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de dakgoot conform de bestektekening is uitgevoerd. Nu niet is toegelicht dat sprake was van een zodanig voorzienbaar ontwerpgebrek dat het Bouwbedrijf dit had moeten signaleren, is de rechtbank van oordeel dat eventuele nadelige gevolgen van de uitvoering van de dakgoot conform tekening niet aan het Bouwbedrijf kunnen worden toegerekend. Het gebrek wordt derhalve niet aangenomen. 4.64. [partij 1] stellen dat de zinken dakrand over een lengte van een halve meter verkeerd af loopt (gebrek 61). Het Bouwbedrijf betwist dat. Volgens haar is het zeer onwaarschijnlijk dat de gehele zinken dakrand juist geplaatst is, behalve een halve meter terwijl bovendien nergens uit blijkt dat en waar dit zich zou voordoen. [partij 1] verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar punt 3.3. van het rapport van Bouwstad , maar daaruit blijkt niet dat de zinken dakrand over een halve meter verkeerd afloopt. Bij gebreke van een nadere onderbouwing staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet vast dat op dit punt sprake is van een gebrek, zodat het Bouwbedrijf niet tot herstel zal worden veroordeeld. 4.65. Bouwstad schrijft in haar rapport dat het kitwerk bij het zink is verweerd (gebrek 62). Volgens [partij 1] kan het verweerde kitwerk tot vocht en lekkages leiden. Het Bouwbedrijf betwist dit, stellende dat uit de overgelegde rapporten niet blijkt wat de oorzaak is of de gevolgen zijn van het verweerde kitwerk en dit ook een puur esthetische afwijking kan zijn. De rechtbank merkt op dat Bouwstad onder het kopje ‘te ondernemen actie’ niet heeft opgenomen dat het kitwerk moet worden hersteld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het Bouwbedrijf daartoe te veroordelen. 4.66. Ten aanzien van losgekomen dakpannen (gebrek 35) heeft het Bouwbedrijf aangevoerd dat dit als akkoord op de opleverlijst genoteerd stond en begin 2023 al hersteld is. [partij 1] hebben dit niet weersproken. De rechtbank neemt daarom aan dat dit inmiddels opgelost is en beschouwt dit gebrek als hersteld. 4.67. [partij 1] stellen dat sprake is van vochtplekken op een aantal slaapkamers (gebreken 33, 40 en 41). Het gaat om de kamers 1.03 (ouderslaapkamer), 1.05 en 1.08. TechnoConsult heeft die vochtplekken ook geconstateerd. Zij schrijft daarover in haar rapport op pagina 32 het volgende: “(…) Bedacht moet worden dat gedurende een periode van zeker een jaar nog veel vocht in de woning aanwezig kan zijn vanuit de bouw. Hier dient bij het beoordelen van de thermografische beelden rekening mee te worden gehouden. Mogelijk heeft ook de aanwezigheid van vocht invloed op het temperatuurbeeld. In verband met de hoogte van de plafonds is het meten en beoordelen van vocht niet uitgevoerd. Aan de plaatsing van de dakpannen zijn geen gebre Voor het aannemen van een tekortkoming is vereist dat óf vaststaat dat het aanbrengen van ventilatiepannen tot de overeengekomen werkzaamheden behoorde óf dat het Bouwbedrijf gehouden was [partij 1] te wijzen op de noodzaak daarvan. Geen van beide omstandigheden zijn gesteld of gebleken. [partij 1] hebben niet aangevoerd dat het plaatsen van ventilatiepannen onderdeel uitmaakte van de opdracht, noch dat op het Bouwbedrijf de verplichting rustte hen te wijzen op de noodzaak van aanvullende ventilatie die (kennelijk) in het ontwerp ontbrak. Reeds hierom kan het ontbreken van ventilatiepannen niet worden aangemerkt als een toerekenbare tekortkoming van het Bouwbedrijf . 4.72. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan dat de vochtplekken het gevolg zijn van ondeugdelijk werk van het Bouwbedrijf . De vochtplekken zijn na oplevering ontstaan en kunnen – zoals ook TechnoConsult als mogelijke verklaring noemt – evenzeer zijn veroorzaakt door normaal bouwvocht dat in een nieuwbouwwoning aanwezig is. Gesteld noch gebleken is dat de vochtplekken in de daaropvolgende jaren zijn toegenomen, hetgeen wél te verwachten is indien sprake zou zijn van voortdurende vochtindringing van buitenaf. Bij deze stand van zaken zal het gevorderde herstel van de gestelde gebreken 33, 40 en 41 worden afgewezen. 4.73. Op 17 november 2023 hebben [partij 1] een nieuwe lekkage gemeld in de muur van de keuken die zich uit op de buitengevel. Zij stellen dat dit het gevolg is van het ontbreken van spouwmuurventilatie (gebrek 52). MBI, de leverancier van de gevelstenen, heeft de muur op 11 december 2023 onderzocht en schrijft hierover in een e-mail : “(…) De witte vlekken op de stenen wijzen op kalkuitloei en dit wordt geïnitieerd door vocht of water. Bij het gevelfragment ter plaatse van de garage is ook te zien dat de gevel op plekken nat is. Mijn advies is om in dit en andere gevelsegmenten, te zorgen voor ventilatieopeningen. Hierdoor kan het vocht dat nu in de spouw, achter de steen, zit op natuurlijke wijze weg. (…)” 4.74. Anders dan [partij 1] lijken te betogen volgt uit deze e-mail niet dat de spouwconstructie ondeugdelijk of onzorgvuldig is uitgevoerd, noch dat er (in het geheel) geen spouwventilatie aanwezig zou zijn. MBI constateert enkel de aanwezigheid van vocht in de spouw als verklaring voor kalkuitbloei en adviseert ventilatieopeningen te realiseren. Dat advies impliceert nog niet dat ten aanzien van de spouwmuur sprake is van een bouwkundig gebrek. 4.75. Naar aanleiding van het bezoek van MBI heeft het Bouwbedrijf vervolgens op enkele plaatsen proefsgewijs ventilatieopeningen aangebracht. [partij 1] stellen dat hierdoor stenen en voegen zijn beschadigd en dat mondeling is overeengekomen dat een nadere beoordeling pas plaatsvindt nadat gebrek 44 (muffe geur begane grond) is verholpen. Het bouwbedrijf betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt en dat sprake is van beschadigingen. Er is sprake van schuldeisersverzuim nu [partij 1] weigeren mee te werken aan het plaatsen van ventilatieopeningen, aldus het Bouwbedrijf . 4.76. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld dat het aanbrengen van (aanvullende) ventilatieopeningen – conform het advies van MBI – geen deugdelijk of toereikend herstel zou opleveren. Evenmin is gesteld of gebleken dat de muur op dit moment nog steeds nat is of dat sprake is van voortgaande (vocht)schade. Uit het door [partij 1] ingenomen standpunt blijkt bovendien dat zij op dit moment geen verdere ventilatieopeningen wensen omdat zij vinden dat de bij het proefsgewijs aanbrengen van bijenbekjes stenen zijn beschadigd en zij eerst gebrek 44 opgelost willen zien. Daarmee blijft onduidelijk welk concreet herstel zij thans van het Bouwbedrijf verlangen. 4.77. Nu [partij 1] niet duidelijk hebben gemaakt welke herstelmaatregel zij op dit moment van het Bouwbedrijf vorderen en evenmin is gebleken dat het voorgestelde herstel dat het Bouwbedrijf bereid is ui Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat de tocht veroorzaakt wordt door het type deur en dus alleen verholpen kan worden door de deuren te vervangen, zoals [partij 1] stellen. Om die reden zal de vordering tot herstel worden afgewezen. 4.83. Op 7 juli 2023 hebben [partij 1] een nieuw gebrek aan het Bouwbedrijf gemeld, te weten een muffe lucht op de begane grond (gebrek 44). [partij 1] hebben vervolgens Trition ingeschakeld om de stankoverlast die zij ondervinden nader te onderzoeken. Trition schrijft in een rapport het volgende: “(…) Op basis van de uitgevoerde onderzoeken concluderen wij dat de stankoverlast wordt veroorzaakt door vochtige lucht die vanaf de kruipruimte tot in de woning penetreert ter plaatse van de doorvoeren die zich in de begane grondvloer bevinden. Dit verklaart ook dat de stank het meest wordt waargenomen rondom het bijkeuken/toilet en het atelier. Wij adviseren u om het volgende te verbeteren: Het aanbrengen van kruipruimte ventilatie vanaf de buitengevels (middels roosters). Hoewel de kruipruimte gecompartimenteerd is, zal ventilatie van de kruipruimte de situatie enigszins verbeteren. Het luchtdicht afwerken van de verschillende doorvoeren in de begane grondvloer waardoor er geen lucht vanuit de kruipruimte tot de begane grondvloer kan doordringen. (…)” Trition heeft ook luchtvochtigheidmetingen uitgevoerd en schrijft daarover in haar rapport het volgende: “(…) Voor de verblijfsruimtes geldt dat de gemeten waarden zich gedurende de meetperiode zich grotendeels binnen de ‘normale’ meetwaarden bevinden die men kan verwachten in deze periode van het jaar. Echter de meetwaarden in de kruipruimte (pag. 13) laten zien dat er sprake is van een volledig verzadigde lucht (luchtvochtigheid 100%!). Dit is wellicht een gevolg dat in de kruipruimte de ventilatie ontbreekt e.e.a. zoals ook is verklaard door bewoners. Dit betekent dat er onder omstandigheden vochtige (muffe) lucht vanuit de kruipruimte tot in de woning penetreert. Het risico hierop bestaat wanneer als gevolg van een (lichte) onderdruk in de woning t.o.v. de kruipruimte, lucht via de doorvoeren in de begane grondvloer tot in de woning doordring. Dit verklaart ook waarom de stank niet constant wordt waargenomen. (…)” 4.84. Ook Drillpro is ingeschakeld om de stank te beoordelen. Zij schrijft daarover in een rapport van 16 december 2023 : “(…) 1. Tijdens inspectie is er geen stank overlast geconstateerd. 2. Staand water van circa 20 cm in kruipruimte bij voordeur. Wanden kruipruimte vochtig. Condens tegen begane grondvloer. x overige compartimenten niet begaanbaar x in zomer geen staand water (…) De kruipruimte heeft staand water met natte wanden en condens vorming. Water heeft een hogere dampdruk waardoor dit makkelijk door luchtlekken in de vloer naar de woning kan migreren. Het lijkt of de stank uit de bodem komt en minder waarneembaar is als het wordt afgedekt door staand water. Echter als dit het geval is, mengt de stank ook in het water en zal de dampdruk ook nu de stank naar boven migreren. Echter was in de kruipruimte ook bij het openen van het luik geen stank waarneembaar. Wij sluiten een stank probleem niet uit. Maar ons vermoeden is dat de stank niet uit de kruipruimte komt of anders gezegd niet door de kruipruimte wordt geproduceerd. Zo loopt er een steenmarter rond. Hoe weet je dat je een steenmarter hebt? dit wordt vaak ontdekt door stank overlast geproduceerd door dode kadavers en uitwerpselen. (…) Ook kan de stank worden geproduceerd van uit bouwmaterialen door resente bouw, uit niet drogend stucwerk, of chemische verbinding die verf aangaat met de muur. De metingen in extern rapport hebben ook invloed op de voorgaand genoemde problemen. Luchtverplaatsing en luchtvochtigheid door lucht lekken kan een reactie van verfoverlast of bouwmaterialen opwekken. Stank van een steenmarter kan in de woning raken. Door al deze factoren kunnen wij geen unaniem antwoord vormen door het geringe onderzoek wat is gedaan. Pas als de stank is opgelost do De meest opvallende plekken waar rook uitkwam zijn: De verlichting in het plafond van de chillruimte Onder de plinten Uit stopcontacten Langs leidingen door vloer garage warmtepomp Kozijnen achterzijde langs achterdeur Via de achterdeur zelf Op meerdere plaatsen aan de zijgevel links aangrenzende garage uit voegen. Uit de zinkkappen op het dak (…) De vele luchtlekken die in de woning gevonden zijn betreffen vaak luchtlekken vanuit de spouw naar de woning. In de gevel zijn veel plaatsen gevonden waar muizen en andere kleine dieren hun weg kunnen vinden naar de spouw. Indien er een potlood in een dergelijke opening past, dan kan er een muis doorheen. Dieren die in de spouw komen en doodgaan veroorzaken een penetrante geur die veelal weken aanhoudt. De in de woning geroken lucht komt hiermee overeen. Ook is er een grondlucht uit de kruipruimte waar te nemen. De lucht van dode dieren en grond kan door de vele openingen op vele plekken de woning binnenkomen. (…) Ofschoon artikel 3.21 lid 4 [rechtbank: Bouwbesluit 2012] ziet op de beperking van toevoer van lucht uit de kruipruimte vanwege ongewenste toevoer van lucht met een verhoogde luchtvochtigheid, is de gestelde eis aan de toegestane luchtvolumestroom relevant. (…) Kortom, afgezien van het kruipluik dient er vanuit de kruipruimte (vrijwel) geen luchtstroom te zijn een woning in. Het is evident dat aan deze eis niet voldaan wordt als er diverse luchtstromen naar het interieur van de woning mogelijk zijn via de aansluiting van fundering op de begane grondvloer en de wanden van de ruimtes. In het geval dat de binnenkomende luchtstroom een onaangename geur heeft, is duidelijk dat dit niet alleen in strijd is met de eisen uit het oogpunt van gezondheid, maar tevens direct leidt tot een aantasting van wooncomfort. (...) Bouwstad komt tot de conclusie dat stank de woning kan indringen doordat er een open verbinding is tussen de spouw en de kruipruimte, doorvoeringen in de begane grondvloer niet zijn gedicht, de spouwmuur niet luchtdicht is en doordat ongedierte in de spouw kan komen. Verder merkt Bouwstad op dat de aansluitingen van alle kozijnen niet luchtdicht zijn. Bouwstad adviseert naden tussen de begane grondvloer en de fundering vanuit de kruipruimte dicht te zetten, alle openingen waardoor ongedierte in de spouw kan dicht te zetten, aansluitingen bij kozijnen luchtdicht te maken en doorvoeringen in de begane grondvloer luchtdicht te maken. 4.87. Vooropgesteld wordt dat bij een luchtdichtheidsmeting vrijwel iedere woning in meer of mindere mate luchtlekken zal vertonen. Het enkele bestaan van luchtlekken betekent dan ook niet zonder meer dat sprake is van een gebrek waarvoor de aannemer aansprakelijk is. Evenmin leidt het enkele feit dat de gemeten luchtdoorlatendheid hoger is dan de in de BENG-berekening gehanteerde ontwerpwaarde tot de conclusie dat sprake is van een gebrek, nu niet is gesteld noch gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat de in de BENG-berekening opgenomen waarden als gegarandeerde prestaties hebben te gelden. 4.88. Daar staat tegenover dat het feit dat de gemeten waarde voldoet aan de in het Bouwbesluit voorgeschreven grenswaarde niet zonder meer meebrengt dat de geconstateerde luchtlekkages niet als gebrek kunnen worden aangemerkt. Ook indien wordt voldaan aan publiekrechtelijke minimumeisen, kan immers sprake zijn van een dermate aantasting van het gebruiksgenot van een woning dat sprake is van een gebrek. 4.89. In dit geval hebben [partij 1] voldoende onderbouwd dat de geconstateerde luchtlekkages, in samenhang met de open verbindingen in de gevel- en vloerconstructie en openingen waardoor ongedierte de woning kan binnendringen, leiden tot structurele stankoverlast. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor het wooncomfort dermate wordt aangetast dat sprake is van een gebrek. 4.90. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Bouwbedrijf gehouden is maatregelen te treffen om stankoverlast vanuit de kruipruimte (gebrek 44) te verhelpen. Dit herstel dien Ontbrekende As Built tekeningen van [installatiebureau] : g ebrek 58 4.97. [partij 1] stellen dat de ‘As Built tekeningen’ van [installatiebureau] ontbreken en dat dit een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst oplevert. Het Bouwbedrijf betwist dat. Volgens het Bouwbedrijf volgt uit productie 130 van [partij 1] dat zij wel tekeningen van [installatiebureau] hebben ontvangen. Bovendien hebben [partij 1] daarbij alleen belang voor zover zij een derde zouden inschakelen om de werkzaamheden te laten verrichten, aldus het Bouwbedrijf . 4.98. De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of [partij 1] al dan niet (correcte) As Built tekeningen van [installatiebureau] ontvangen hebben. Het ontbreken van deze tekeningen kan immers alleen dan een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst opleveren indien de verstrekking daarvan tussen partijen is overeengekomen. Niet gebleken is dat verstrekking van tekeningen onderdeel uitmaakt van de aannemingsovereenkomst, zodat op dat punt geen sprake kan zijn van een tekortkoming zijdens het Bouwbedrijf . De vorderdingen die strekken tot het leveren dan wel het laten opstellen van ontbrekende As Built tekeningen zullen dan ook worden afgewezen. Herstelkosten risaliet: gebrek 65 4.99. Tot slot vorderen [partij 1] een bedrag van € 1.655,11 aan kosten die zij zelf hebben gemaakt om het hout van het risaliet te laten verwijderen en het risaliet te herstellen. Deze vordering zal worden afgewezen. Het risaliet diende nog afgewerkt te worden met staal. Het hout van het risaliet is gaan rotten doordat [partij 1] er voor hebben gekozen het risaliet na de oplevering niet verder te (laten) afwerken in afwachting van herstel van een aantal van de door hen gestelde gebreken, waaronder de luchtlekkages. Door het risaliet twee en half jaar lang onafgewerkt te laten en daarmee bloot te stellen aan weersinvloeden hebben [partij 1] hun verplichting tot schadebeperking geschonden. De als gevolg daarvan veroorzaakte kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Conclusie te herstellen gebreken 4.100. Uit voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat het Bouwbedrijf op een aantal onderdelen toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en gehouden is de vastgestelde gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen naar eisen van goed en deugdelijk werk. De rechtbank zal het Bouwbedrijf veroordelen om: gebrek 1, voor wat betreft het kleurverschil aan de voorzijde van de linkergevel naast de carport te herstellen, gebreken 4, 5, 12, 27, 28 en 29 te herstellen door alle rockpanel te vervangen, gebrek 30 (stalen kolom bellen onder lak) te herstellen, gebrek 37 (het gelijktijdig gebruik van twee douches) te herstellen, gebreken 8, 46 en 54 (WTW-installaties) overeenkomstig het memo van Innax van 12 december 2023 te herstellen, gebrek 44 (stankoverlast vanuit de kruipruimte) te verhelpen door luchtlekkages die deze overlast veroorzaken te dichten, alsmede openingen waardoor ongedierte toegang tot de spouw kan krijgen af te sluiten. Beroep op opschorting/verrekening 4.101. Het Bouwbedrijf stelt dat voor zover op haar de verplichting zou rusten om enige herstelwerkzaamheden te verrichten, zij zich op opschorting beroept en subsidiair op verrekening. Op dit moment dienen [partij 1] namelijk nog een bedrag van € 109.940,72 te betalen, aldus het Bouwbedrijf . 4.102. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk wat het Bouwbedrijf met dit beroep op opschorting dan wel verrekening beoogt te bereiken. Zoals hiervoor onder 4.100. is overwogen, zal het Bouwbedrijf worden veroordeeld tot herstel van een aantal gebreken. Zij kan zich in verband met de daaruit voortvloeiende herstelverplichting niet op opschorting beroepen. Mochten [partij 1] nog een bedrag aan het Bouwbedrijf verschuldigd zijn in verband met de resterende aanneemsom, dan zullen zij daartoe in reconventie worden veroordeeld. Er is voor het Bouwbedrijf geen reden om zich op opschorting van 4.112. De rechtbank stelt voorop dat [partij 1] op grond van artikel 6:96 BW recht hebben op vergoeding van redelijke en noodzakelijke onderzoekskosten ter vaststelling van gebreken. De rechtbank acht het inschakelen van meerdere deskundigen noodzakelijk om de diverse gebreken objectief vast te laten stellen. Tegelijkertijd is duidelijk dat Bouwstad grotendeels de bevindingen van TechnoConsult heeft overgenomen, waardoor sprake is van gedeeltelijke dubbeltelling in kosten. Dit rechtvaardigt een matiging van de kosten voor TechnoConsult en Bouwstad . Dat het Bouwbedrijf mogelijk onvoldoende bij het onderzoeksproces betrokken is geweest, weegt bij de beoordeling mee, maar sluit de vergoeding van onderzoekskosten niet uit. Alles overwegende zal de rechtbank de onderzoekskosten als volgt toewijzen. De kosten van [adviesbureau] en Triton zullen volledig worden toegewezen. De kosten van TechnoConsult en Bouwstad zullen voor 50% worden toegewezen. Daarmee wordt uitgekomen op het door de rechtbank redelijk geachte bedrag van in totaal van € 11.270,10. 4.113. [partij 1] vorderen wettelijke rente over de onderzoekskosten vanaf de datum van oplevering of de datum van melding van de gebreken, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum. De rechtbank overweegt dat de wettelijke rente slechts verschuldigd is vanaf het moment waarop de onderzoekskosten feitelijk zijn gemaakt en opeisbaar zijn. Bij oplevering en bij de melding van de gebreken bestond er nog geen vordering tot vergoeding van onderzoekskosten. De vordering kan derhalve niet met terugwerkende kracht vanaf die data worden verhoogd met rente. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 april 2025, de datum van de conclusie na comparitie waarbij aanspraak op de totale onderzoekskosten is gemaakt. Overige (gevolg)schade 4.114. [partij 1] vorderen onder 3.1 en 3.2 van hun petitum ten titel van schadevergoeding een bedrag van € 3.320,19 plus rente. Zij verwijzen daarbij naar randnummers 146 en 157-159 van de dagvaarding. Blijkens die randnummers is dit bedrag als volgt opgebouwd: € 1.411,67 voor het drogen van het platdak doordat dakbedekking niet werd aangebracht, € 972,00 aan kosten voor het opstoken van de vloer doordat de aardwarmtepomp niet tijdig kon worden geplaatst, € 181,50 voor het inschakelen van een elektricien voor het aansluiten van de huidige aardwarmtepomp op krachtstroom, € 458,31 aan kosten voor gordijnen ter verduistering omdat zonnenscreens nog niet konden worden bevestigd, € 296,80 aan kosten van extra tussen- en elektrameters. 4.115. Het gevorderde bedrag van € 1.411,67 wegens dakdroogkosten is op geen enkele wijze onderbouwd. Er is geen inzicht gegeven in de omvang van de schade en de aansprakelijkheid van het Bouwbedrijf . Hetzelfde geldt voor de gevorderde opstookkosten van € 972,00. De verwijzing naar een enkel e-mailbericht kan hiervoor geen grondslag vormen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. 4.116. Ook de gevorderde elektricienkosten van € 181,50 worden afgewezen. [partij 1] hebben onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd, dat het aansluiten van de aardwarmtepomp op krachtstroom noodzakelijk was en op welke grondslag deze kosten voor rekening van het Bouwbedrijf zouden moeten komen. [partij 1] stellen wel hogere stroomkosten te hebben gehad doordat de WTW-installatie en aardwarmtepomp niet goed functioneerden, maar deze schade is niet concreet gespecificeerd en onderbouwd. 4.117. Ter onderbouwing van de kosten voor gordijnen stellen [partij 1] dat het afwerken van het stucwerk en het schoonmaken van de muur nodig was om de screens te kunnen plaatsen. Het Bouwbedrijf betwist dit. Nu niet is komen vast te staan dat het plaatsen van screens daarvan afhankelijk was, [partij 1] er ook voor hadden kunnen kiezen deze werkzaamheden zelf te laten uitvoeren en het Bouwbedrijf bovendien heeft aangevoerd dat de gordijnen niet tijdelijk waren daar deze reeds vóór oplevering zijn aangeschaft, wordt de vo Onder verwijzing naar productie 67 stellen zij dat het om 40 vrije dagen gaat. De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende hebben onderbouwd dat de afspraken/werkzaamheden waarvoor zij stellen vrij te hebben genomen niet konden worden gepland op dagen waarop vrij waren. Verder hebben zij onvoldoende onderbouwd dat het opnemen van deze dagen volledig kan worden toegerekend aan de tekortkoming van het Bouwbedrijf . Proceskosten in conventie 4.125. Hoewel de vorderingen van [partij 1] niet op alle onderdelen worden toegewezen, is een substantieel gedeelte van het gevorderde wel toewijsbaar gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat [partij 1] als de in overwegende mate in het gelijk gestelde partij hebben te gelden. Dit brengt mee dat het Bouwbedrijf als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 134,55 - griffierecht € 1.325,00 - salaris advocaat € 1.535,00 (2,5 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.172,55 4.126. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.127. Het Bouwbedrijf stelt dat [partij 1] per datum oplevering (7 september 2022) het resterende bedrag van de aanneemsom verschuldigd zijn van € 109.940,72. Dit bedrag is gefactureerd middels drie facturen . Het Bouwbedrijf gaat daarbij uit van een aanneemsom van € 483.164,30, overeengekomen meerwerk ten bedrage van € 7.973,30 en € 45.255,21 aan minderwerk. [partij 1] hebben € 355.941,67 betaald zodat nog een te betalen bedrag van € 109.940,72 resteert. [partij 1] schieten tekort in de nakoming van de op hen rustende betalingsverplichting en beroepen zich ten onrechte op opschorting, aldus het Bouwbedrijf . 4.128. [partij 1] stellen zich primair op het standpunt dat [factuurnummer 2] , met omschrijving restant aanneemsom inclusief verrekening meer- en minderwerk, pas op 16 juli 2024 verzonden is zodat de betalingstermijn ten tijde van het indienen van de eis in reconventie nog niet verstreken was. Er is derhalve geen opeisbare vordering zodat de reconventie moet worden afgewezen. 4.129. De rechtbank volgt [partij 1] niet in hun redenering. Dat de betalingstermijn van [factuurnummer 2] ten tijde van het instellen van de reconventionele vordering nog niet verstreken was, betekent alleen dat er nog geen sprake was van verzuim. Dit brengt mee dat wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn over de periode vóór het verstrijken van de betalingstermijn. Dit leidt er niet toe dat de reconventionele vorderingen voor afwijzing gereed liggen. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling toe. 4.130. Partijen zijn het erover eens dat tussen hen een aanneemovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 483.164,30. Eveneens staat vast dat partijen meerwerk zijn overeengekomen ter hoogte van in ieder geval € 7.973,30. Daarmee bedraagt het uitgangspunt voor de eindafrekening € 491.137,60. 4.131. Partijen verschillen van mening over de omvang van het minderwerk. Het Bouwbedrijf stelt dat sprake is van overeengekomen minderwerk ter hoogte van € 45.255,21, zodat de aangepaste aanneemsom (€ 483.164,30 + € 7.973,30 - € 45.255,21 = ) € 445.882,39 bedraagt. [partij 1] stellen dat het minderwerk aanzienlijk hoger is en dat na verrekening van meer- en minderwerk de aangepaste aanneemsom € 405.191,75 bedraagt. 4.132. Vaststaat dat door [partij 1] een bedrag van € 335.941,67 is voldaan. 4.133. Volgens het Bouwbedrijf moeten [partij 1] nog een resterende aanneemsom van (€ 445.882,39 - € 335.941,67 = ) € 109.940,72 betalen. Volgens [partij 1] moeten zij nog € 58.779,58 betalen. [partij 1] stelt dat dit het verschil is tussen de nieuwe aanneemsom van € 405.191,75 en de betaalde facturen van € 335.941,67. [partij 1] doen met betrekking tot dit door hen erkende bedrag een b [partij 1] stellen dat zij betaling van (een deel van) het openstaande bedrag mogen opschorten wegens niet uitgevoerd herstel en dit mogen verrekenen met door hen gestelde herstelkosten wegens tekortkomingen in het uitgevoerde werk. Beroep op opschorting en verrekening 4.141. De rechtbank stelt voorop dat een beroep op opschorting en verrekening slechts kan slagen indien vaststaat dat [partij 1] een opeisbare en voldoende bepaalbare tegenvordering hebben, die in zodanig verband staat met de betalingsverplichting dat opschorting gerechtvaardigd is. Het is aan [partij 1] om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, te bewijzen waaruit het bestaan en de omvang van een dergelijke tegenvordering volgt. [factuurnummer 1] 4.142. Ten aanzien [factuurnummer 1] van 12 juli 2022, de laatste termijn van de gevelstukadoor, voeren [partij 1] aan dat zij deze factuur niet hebben betaald omdat zij geklaagd hebben over de kwaliteit van het stucwerk en de steenstrips (gebreken 3 en 6). [partij 1] stellen dat deze gebreken eerst moeten worden hersteld voordat betaling verschuldigd is. 4.143. De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat ten aanzien van het stucwerk en de steenstrips geen sprake is van een gebrek. Nu de vermeende gebreken niet zijn komen vast te staan, ontbreekt de grondslag voor de opschorting van de betaling van deze factuur. Het beroep op opschorting faalt daarom. [factuurnummer 3] 4.144. [factuurnummer 3] heeft betrekking op de door [installatiebureau] geleverde en geplaatste aardwarmtepomp. [partij 1] stellen dat zij betaling van deze factuur mogen opschorten wegens non-conformiteit. 4.145. De rechtbank volgt [partij 1] niet in hun standpunt. Weliswaar is in kort geding geoordeeld dat de huidige aardwarmtepomp niet aan de overeenkomst beantwoordt, maar het Bouwbedrijf is bereid dit te herstellen door levering en montage van een nieuwe aardwarmtepomp. Daartoe ligt reeds geruime tijd een uitvoerbaar herstelplan gereed. De uitvoering van dit plan wordt thans, zoals in conventie is overwogen, door [partij 1] verhinderd. 4.146. De rechtbank gaat ervan uit dat het Bouwbedrijf zal overgaan tot herstel van de aardwarmtepomp, zodra [partij 1] daaraan hun medewerking verlenen. Zolang zij hun medewerking daaraan niet verlenen, is er sprake van schuldeisersverzuim en zijn zij niet bevoegd om hun betalingsverplichting op te schorten. Dat betekent dat [partij 1] gehouden zijn om de factuur te voldoen. [factuurnummer 2] 4.147. [factuurnummer 2] ten bedrage van € 87.101,14 heeft als omschrijving ‘restant aanneemsom inclusief verrekening meer- en minderwerk’. De juistheid van deze factuur wordt door [partij 1] betwist. Uit de processtukken van het Bouwbedrijf , in onderlinge samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen over de aanneemsom, het overeengekomen meer- en minderwerk en de reeds door [partij 1] verrichte betalingen, blijkt voldoende hoe het Bouwbedrijf tot dit restantbedrag is gekomen. De rechtbank acht de factuur derhalve voldoende gespecificeerd en het daarin genoemde bedrag in beginsel toewijsbaar. 4.148. [partij 1] voeren echter als verweer aan dat betaling van deze factuur kan worden opgeschort dan wel verrekend omdat de gebreken nog niet zijn hersteld en de begrote herstelkosten minimaal € 260.000,00 zouden bedragen. Dit verweer faalt. 4.149. Voor het beroep op verrekening geldt dat er geen herstelkosten zijn gevorderd, zodat er geen bestaande en opeisbare vordering is waarmee het restant van de aanneemsom kan worden verrekend. [partij 1] vorderen immers geen vervangende schadevergoeding, maar nakoming in de zin van herstel van gebreken. Zolang een dergelijke vordering niet is omgezet in een geldvordering, ontbreekt een rechtsgrond voor verrekening. 4.150. Voor het beroep op opschorting geldt dat opschorting leidt tot uitstel van betaling en niet tot het vervallen van de betalingsverplichting. [partij 1] hebben hun betalingsverplichting opgeschort, zo begrijpt de rechtbank, totdat de gebreken zijn herstel