Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:851
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,633 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:851 text/xml public 2026-03-25T11:14:30 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 25/4114 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl JBO 2026/6 met annotatie van Redactie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:851 text/html public 2026-02-16T09:56:30 2026-02-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / 25/4114 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen acht meter van zeven potentieel waardevolle bomen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: 25/4114 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen [eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1, [eiser 2] , uit [woonplaats] , eiser 2, samen, eisers, (gemachtigde: mr. J.H.D. Elings), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg , het college. Als vergunninghoudster neemt aan het verzoek deel: [stichting] , uit [plaats] , (gemachtigde: mr. A.W.M. Oremans). Procesverloop Eisers hebben op 15 augustus 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 8 juli 2025 (bestreden besluit), over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen acht meter van zeven potentieel waardevolle bomen op percelen aan de [adres 1] (hierna: de percelen). Zij hebben de voorzieningenrechter op 23 december 2025 verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft het verzoek en het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. [eiser 2] was samen met de gemachtigde van eisers aanwezig. Voor hen was ook [naam 1] aanwezig. [eiser 1] was niet aanwezig. Namens het college waren [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] aanwezig. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 2] . Op zitting hebben eisers hun verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer 25/6661) ingetrokken. Zij hebben het verzoek ingetrokken omdat vergunninghoudster en het college op zitting hebben toegezegd dat de werkzaamheden niet zullen worden uitgevoerd, voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) uitspraak heeft gedaan in een hoger beroep over een omgevingsvergunning voor het kappen van een aantal andere bomen op de percelen. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden waarop het bestreden besluit betrekking heeft is vereist dat die andere bomen zijn gekapt. Beoordeling door de rechtbank 1. De feiten Eiser 1 woont aan de [adres 3] . Eiser 2 woont aan de [adres 2] in [woonplaats] . Vergunninghoudster is voornemens om 98 tijdelijke huurwoningen (flexwoningen) te realiseren op de percelen aan de [straatnaam] in [woonplaats] . Vergunninghoudster heeft op 11 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De aanvraag ziet op het uitvoeren van werkzaamheden (bouwrijp maken, bouwplaats inrichting en aanleggen verharding) op de percelen en binnen acht meter van potentieel waardevolle bomen. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning verleend op 12 september 2024 (primair besluit I). In de omgevingsvergunning is toestemming verleend voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Eisers hebben daartegen op 8 oktober 2024 bezwaar gemaakt. Op 9 oktober 2024 hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek in een uitspraak van 9 december 2024 afgewezen. Bij bestreden besluit heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. 2. Belanghebbendheid eisers 2.1 De voorzieningenrechter heeft ambtshalve beoordeeld of eisers aangemerkt kunnen worden als belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. 2.2 Onder belanghebbende wordt op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende bij een besluit in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 2.3 In vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) wordt bij omgevingsrechtelijke besluiten als uitgangspunt gehanteerd: degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een omgevingsrechtelijke activiteit die een besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 2.4 De rechtbank is van oordeel dat eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Eiser 1 woont aan de [adres 3] . Dat perceel grenst aan het perceel waarop de bomen zich bevinden en waarop vergunninghoudster de werkzaamheden wil uitvoeren. Gelet daarop kan hij worden aangemerkt als belanghebbende bij de omgevingsvergunning. Eiser 2 woont aan de [adres 2] op enige afstand van de percelen, maar heeft in de huidige situatie zicht op de bomen. Om die reden kan ook hij worden aangemerkt als belanghebbende bij de omgevingsvergunning. 3. Wettelijk kader 3.1 De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3.2 De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties. 3.3 In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow onder andere gedefinieerd als een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. 3.4 Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Tilburg onder andere uit ‘een tijdelijk deel’. Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was. Dit was het [bestemmingsplan] Daaruit blijkt dat aan de percelen de functie ‘Groen’ is toegekend.
Volledig
In de planregels staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden uit te voeren binnen een afstand van 8 meter van een potentieel waardevolle boom: het ontgronden, bodem verlagen of afgraven, ophogen, verdichten, verplaatsen, afgraven of egaliseren van grond, inclusief het graven van sleuven en het leggen van (ondergrondse) leidingen; het wijzigen van het grondwaterpeil; het verrichten van werken of werkzaamheden die beschadigingen van wortels, stam of kroon van de betrokken boom tot gevolg kunnen hebben. 3.5 De werkzaamheden zijn volgens artikel 24.2.3 van de planregels slechts toelaatbaar indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de gevolgen daarvan geen onherstelbare schade aan de betrokken boom toegebracht wordt. Het bevoegd gezag is bevoegd om voorwaarden te verbinden aan de omgevingsvergunning ter vermindering of ter voorkoming van schade die de werkzaamheden of de gevolgen daarvan aan de betrokken boom zouden kunnen toebrengen. Onder schade wordt tevens begrepen een vermindering of verslechtering van groeimogelijkheden. Ten behoeve van de omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag een BEA- onderzoek (= bomeneffectanalyse) van een onafhankelijk boomtechnisch adviesbureau eisen. 4. De omgevingsvergunning 4.1 Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow in samenhang met artikel 24.2 van de planregels. Het college heeft toestemming verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen acht meter van zeven potentieel waardevolle bomen. Die toestemming heeft het college gebaseerd op een bomeneffectanalyse van [bedrijf] van 13 september 2023 (hierna: BEA) en een in het primair besluit opgenomen advies van een boomdeskundige van de gemeente Tilburg . Volgens het college biedt de omgevingsvergunning – in het bijzonder met de daarin opgenomen voorschriften – voldoende waarborg dat er geen onherstelbare schade aan de bomen wordt toegebracht. Uit de algemene voorschriften blijkt dat de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd binnen de randvoorwaarden zoals gesteld in de poster ‘werken rond bomen’ en het daarbij behorende handboek. Dat betekent dat voorafgaand aan de werkzaamheden een werkplan moet worden opgesteld en goedgekeurd door een boomdeskundige. 4.2 Het college heeft toestemming verleend om werkzaamheden (aanleg parkeerplaatsen en een rijweg) uit te voeren binnen 8 meter van twee [bomen] (bomen [boomnummer 1] en [boomnummer 2] ). Uit de BEA blijkt dat de bomen – zonder voorzorgsmaatregelen – in conditie zullen afnemen als gevolg van die werkzaamheden, door schade aan beworteling en een beperkte resterende kwalitatieve groeiruimte. Door een verhoogd verdichte bodem is de groeiplaats van de bomen in de huidige omstandigheden van beperkte kwaliteit. Op de huidige grond kunnen de bomen niet doorgroeien. De aanbevelingen uit de BEA zijn niet één op één overgenomen in de omgevingsvergunning. Om de bomen duurzaam te blijven behouden zijn verschillende algemene en boomspecifieke voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden, waaronder de voorwaarden dat de bodem los moet worden gemaakt tijdens de werkzaamheden en dat een kwalitatief ondergronds groeimedium (bodemzand) moet worden aangebracht. De fysieke ondergrondse groeiruimte wordt kleiner door het aanbrengen van terreininrichting, maar de groeiruimte wordt beter van kwaliteit. Van de graafwerkzaamheden kunnen de bomen lijden, maar de bomen zijn in staat om dit – gelet op hun conditie en de groeiplaatsverbetering – zelf te compenseren. Gelet daarop zal volgens het college geen sprake zijn van onherstelbare schade. 4.3 Het college heeft daarnaast toestemming verleend om werkzaamheden (verhardingen, infiltratiekratten en leidingen) uit te voeren binnen 8 meter van vijf bomen aan de noordwestzijde van het perceel (boomnummers: [boomnummer 3] , [boomnummer 4] , [boomnummer 5] , [boomnummer 6] en [boomnummer 7] ). De aanbevelingen uit de BEA zijn ook ten aanzien van deze bomen niet één op één overgenomen. Ook ten aanzien van deze bomen zijn algemene en boomspecifieke voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden. Deze werkzaamheden kunnen volgens het college duurzaam worden uitgevoerd, omdat zij aan maximaal twee zijden van de bomen plaatsvinden en op de rand van de kroonprojectie. Uit de BEA blijkt dat op die rand (op 5 meter vanaf de bomen) nauwelijks of geen beworteling aanwezig is. Omdat niet dichterbij dan 4,5 meter van de stam van de bomen wordt ontgraven, wordt geschat dat het kluitverlies minder dan 5% is. Doordat dit hooguit wat fijne wortels betreft, heeft dit volgens het college geen merkbare invloed op de bomen. 5. Gronden 5.1 In het beroepschrift hebben eisers verschillende stukken herhaald en ingelast. De rechtbank heeft de gronden uit het bezwaarschrift (en de aanvullingen daarop) uitsluitend meegenomen voor zover eisers in beroep hebben aangeduid waarom de reactie van het bestuursorgaan op het bezwaarschrift onjuist is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan voor de beroepsgronden namelijk niet louter worden verwezen naar eerder ingediende bezwaarschriften, zonder dat is aangeduid waarom de reactie van het bestuursorgaan op het bezwaarschrift onjuist is. 5.2 Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit niet heeft mogen verlenen, omdat door de uitvoering van die werkzaamheden onherstelbare schade wordt toegebracht aan de bomen met boomnummers [boomnummer 1] en [boomnummer 2] . De werkzaamheden zullen leiden tot wortelsterfte en een verslechtering en vermindering van de groeimogelijkheden. 5.3 De graafwerkzaamheden vanaf één meter afstand zullen leiden tot wortelschade. Uit de BEA blijkt dat met graafwerkzaamheden minimaal 2,5 meter afstand tot de bomen moet worden aangehouden. Dit wordt bevestigd in de notitie ‘Reactie op Beslissing op bezwaar’ van [naam 3] ( [naam 1] ) van 29 september 2025 (hierna: [Notitie] ). In de voorschriften van de omgevingsvergunning staat een minimale afstand van één meter voorgeschreven, vanaf waar minimaal 15 cm diep mag worden gegraven. Dat zal leiden tot forse wortelschade, in een mate dat niet uitgesloten kan worden dat de bomen af zullen sterven. Het beschermen van de verschillende wortels is ook niet geborgd in de voorschriften en 40% van de wortels bevinden zich ook tot 15 cm. Dit blijkt ook uit de [Notitie] . Uit de BEA blijkt ook dat het regeneratievermogen van de bomen – in het bijzonder boom [boomnummer 2] – beperkt is. De poster geeft slechts algemene richtlijnen voor graafwerkzaamheden. Een werkplan is bedoeld om de maatregelen uit de BEA voor de aannemer vast te leggen en in aanvulling daarop logistieke maatregelen te nemen zoals rijroutes en hekken rond bomen. De randvoorwaarden uit de poster en het conform die richtlijnen vast te stellen werkplan zullen daarom onvoldoende waarborg bieden om graafwerkzaamheden die verder gaan dan de BEA toe te staan. 5.4 Volgens eisers zal daarnaast sprake zijn van een verslechtering en vermindering van de groeimogelijkheden. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de [Notitie] . De groeiruimte van de bomen is in de huidige situatie ruim voldoende (circa 200 m3) om tot volwassen bomen uit te groeien en oud te worden. Er heeft geen bodemonderzoek dieper dan 60 cm plaatsgevonden en er zijn geen verdichtingsmetingen dieper dan 60 centimeter uitgevoerd, waaruit zou blijken dat er na die 60 cm een verdichte laag volgt. Dat de groeiruimte nu beperkt is tot 60 cm volgt dus niet uit de profielkuilen. Als gevolg van de werkzaamheden wordt de groeiruimte ver onder het minimum uit het ‘Handboek bomen’ beperkt (circa 16 m3 en 38 m3). Het losploffen van de grond leidt niet tot een kwalitatief betere groeiruimte. Dat sprake zal zijn van een verbetering in de zuurstofhouding en vochtsituatie is niet onderbouwd en is gebaseerd op aannames. Zeker niet omdat de groeiruimte verdicht vanwege de nog aan te leggen infrastructuur en parkeerplaatsen. Er wordt een onjuiste voorstelling van zaken gegeven ten aanzien van de kwaliteiten van bomenzand.
Volledig
Enerzijds wordt opgemerkt dat door bomenzand verdichting wordt voorkomen, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat verdichting na enige tijd alsnog plaatsvindt. Dat de wortels in de tijd tot het opnieuw verdichten van de bodem kunnen groeien, is een aanname die niet is onderzocht. De doorontwikkelde wortels zullen afsterven door het opnieuw verdichten van de grond. 6. Omvang van het geding 6.1 De beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd hebben betrekking op de omgevingsvergunning voor zover deze ziet op het verlenen van toestemming voor werkzaamheden binnen acht meter van de bomen [boomnummer 1] en [boomnummer 2] . In de beroepsgronden hebben eisers namelijk uitsluitend argumenten aangedragen die zien op de voorschriften die in de omgevingsvergunning zijn verbonden ten aanzien van die twee bomen. 6.2 Gelet daarop concludeert de rechtbank dat het beroepschrift van eisers niet is gericht tegen de omgevingsvergunning voor zover die ziet op het verlenen van toestemming voor werkzaamheden binnen acht meter van de overige bomen. Dat deel van de omgevingsvergunning valt buiten de omvang van dit geding. 7. Relativiteitsvereiste 7.1 De bestuursrechter vernietigt op grond van artikel 8:69a van de Awb een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 7.2 In dit geval beroepen eisers zich op een norm uit het omgevingsplan. Het omgevingsplan is vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kent veel aspecten en strekt tot bescherming van een veelheid van ruimtelijk relevante belangen, zoals het belang van individuele eisers bij het behoud en/of herstel van een goed leef-, woon- werk en ondernemingsklimaat. Deze norm strekt ook tot bescherming van algemene belangen. De norm waar eisers zich op beroepen strekt tot bescherming van het algemeen belang bij het behouden van potentieel waardevolle bomen binnen de gemeente Tilburg. 7.3 Voor zover de norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties strekt tot bescherming van een dergelijk algemeen belang, strekt deze niet tot de bescherming van individuele belangen van natuurlijke personen. Onder omstandigheden kan echter worden aangenomen dat het belang van een natuurlijke persoon zodanig verweven is met het algemene belang dat deze rechtsnorm beoogt te beschermen dat niet kan worden gezegd dat de rechtsnorm kennelijk niet beoogt het belang van deze natuurlijke persoon te beschermen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van die natuurlijk persoon, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van de natuurlijk persoon en het desbetreffende gebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het desbetreffende gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het desbetreffende gebied. 7.4 De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de beroepsgronden van eisers. Het belang van eisers is – gelet op het hiernavolgende – niet zodanig verweven met het algemeen belang dat deze planregels beogen te beschermen dat kan worden gezegd dat de rechtsnorm kennelijk niet beoogt het belang van deze natuurlijke personen te beschermen. De afstand tussen de woning van eiser 1 aan de [adres 3] en de twee bomen waarover het in beroep gaat bedraagt ongeveer 100 meter. Gelet op die afstand en de tussen de woning en de bomen gelegen andere bomen en onder begroeiing, acht de rechtbank niet aannemelijk dat hij vanuit zijn woning zodanig zicht heeft op die twee bomen dat geoordeeld kan worden dat ook zijn belang verweven is met het belang dat door de ingeroepen norm wordt beschermd. De afstand tussen de woning van eiser 2 aan de [adres 2] en de twee bomen bedraagt ongeveer 130 meter. Gelet op die afstand en de tussen de woning en het perceel waarop de bomen staan gelegen wijkontsluitingsweg acht de rechtbank voornoemde verwevenheid ook niet aanwezig. 7.5 Ondanks dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit, ziet de rechtbank in het kader van de finale geschilbeslechting wel aanleiding voor een beoordeling van de beroepsgronden. 8. De beoordeling 8.1 Tussen partijen is niet in geschil dat vergunninghoudster voornemens is om werkzaamheden te verrichten binnen acht meter van de twee potentieel waardevolle bomen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat daar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor is vereist op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow in samenhang met artikel 24.2.1 van de planregels. 8.2 Het college is bevoegd om die omgevingsvergunning te verlenen, wanneer door de werkzaamheden (de uitvoering of de gevolgen ervan) geen onherstelbare schade aan de bomen wordt toegebracht. Onder schade wordt tevens begrepen een vermindering of verslechtering van groeimogelijkheden. Tussen partijen is in geschil of het college voldoende heeft gemotiveerd dat geen onherstelbare schade aan de bomen [boomnummer 1] en [boomnummer 2] wordt toegebracht door de werkzaamheden. Meer specifiek is tussen partijen in geschil of dergelijke schade optreedt als tussen 1 en 2.5 meter van de bomen op maximaal 0,15 cm wordt gegraven en of er in de nieuwe situatie voldoende groeiruimte resteert voor de bomen. 8.3 De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat geen onherstelbare schade zal optreden aan de twee bomen door de werkzaamheden. 8.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat graafwerkzaamheden tussen 1 en 2.5 meter van de bomen op maximaal 0,15 cm niet zal leiden tot onherstelbare schade aan de wortels van de bomen. Aan de omgevingsvergunning is namelijk het voorschrift verbonden dat de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd conform de bomenposter en hoofdstuk 2 van het handboek bomen. Werkzaamheden in afwijking van de randvoorwaarden zoals daarin gesteld, mogen onder begeleiding van een European Tree Technician plaatsvinden, mits dit geen nadelig effect heeft op de duurzame instandhouding van de bomen. Daaruit volgt dat de graafwerkzaamheden pas tussen 1 en 2.5 meter van de bomen mogen plaatsvinden, wanneer een ter plaatse zijnde boomdeskundige dat goedkeurt. Onder die omstandigheden wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat de graafwerkzaamheden op 1 meter afstand van de bomen uitsluitend zullen plaatsvinden, wanneer de boomdeskundige op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse heeft vastgesteld dat de graafwerkzaamheden niet zullen leiden tot onherstelbare schade voor de bomen. Uit het advies van de boomdeskundige van de gemeente Tilburg – dat is opgenomen in het primaire besluit – blijkt daarnaast dat de bomen eventuele kleine aantastingen van de wortels aankunnen en dat zij daarvan kunnen herstellen. De rechtbank acht dit gelet op de verbeterde conditie van de bomen ook aannemelijk. Dat die conditie verbeterd is, blijkt ook uit pagina 2 van de [Notitie] . 8.5 Daarnaast heeft het college ook voldoende gemotiveerd voldoende groeiruimte zal resteren na de werkzaamheden. Uit het BEA blijkt dat de huidige ondergrondse groeiruimte en beworteling van de twee bomen in kaart is gebracht. Er zijn vijf profielkuilen gegraven en er is een grondboring gedaan om een indruk te krijgen van de bodemopbouw en de wortelspreiding. De bodem bestaat tot een diepte van 60 tot 80 cm uit humusarm, matig fijn zand. In alle bodemonderzoeken wordt een verdichte laag aangetroffen die in diepte varieert. De beworteling van de bomen bevindt zich overwegend boven de verdichte laag. Dat sprake is van een dergelijke verdichte laag is ook bevestigd door de boomdeskundige van de gemeente Tilburg, zoals blijkt uit het primaire besluit. Ter zitting heeft hij dat ook bevestigd.
Volledig
Gelet op die verdichte laag acht de rechtbank aannemelijk dat de groeiruimte van de twee bomen in de huidige situatie in verticale richting beperkt is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, gelet op het BEA en op de het advies van de eigen boomdeskundige kunnen oordelen dat met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, voldoende wordt gewaarborgd dat de groeiruimte van de bomen na de werkzaamheden zal verbeteren. In de voorschriften staat namelijk voorgeschreven dat de bodem rondom de bomen geploft moet worden, waardoor meer doorwortelbare ruimte wordt gecreëerd. Naar de rechtbank begrijpt gaat het daarbij met name om de groeiruimte in verticale richting. Bij ploffen wordt met een holle lans een hoeveelheid lucht de grond in geperst, waardoor verdichte grond en storende lagen worden opengebroken. De bomen kunnen daardoor dieper in de grond een humusrijkere laag bereiken met een goede vocht- en luchthuishouding. Daarnaast heeft het college gelet op het advies van de boomdeskundige kunnen oordelen dat met het voorschrift dat per boom 22 m3 bodemzand moet worden aangebracht, wordt gewaarborgd dat, de groeiplaats voor de bomen wordt verbeterd ten behoeve van een goede zuurstofhuishouding en groeiruimte voor de wortels. 9. Conclusie 9.1 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. 9.2 Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding. De beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 12 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Omgevingswet (Ow) Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit. Artikel 22.1 van de Ow In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit: de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet, de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Omgevingsplan gemeente Tilburg Artikel 24.2.1 van de planregels Het is verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren binnen een afstand van 15m van een 'monumentale boom' respectievelijk 8m bij een 'potentieel waardevolle boom', gemeten uit het hart van de boom, en voorzover deze bomen zijn aangegeven op de bij dit plan gevoegde Bijlage 3 Boomwaardekaart: het ontgronden, bodem verlagen of afgraven, ophogen, verdichten, verplaatsen, afgraven of egaliseren van grond, inclusief het graven van sleuven en het leggen van (ondergrondse) leidingen; het wijzigen van het grondwaterpeil; het verrichten van werken of werkzaamheden die beschadigingen van wortels, stam of kroon van de betrokken boom tot gevolg kunnen hebben. Artikel 24.2.2 van de planregels Het bepaalde in 24.2.1 is niet van toepassing indien: een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de boom; de houtopstand om andere, van overmacht getuigende redenen reeds eerder is geveld, danwel door een calamiteit teniet is gegaan; werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of beheer betreffen; werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis. Artikel 24.2.3 van de planregels De werken en werkzaamheden als bedoeld in 24.2.1 zijn slechts toelaatbaar indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de gevolgen daarvan geen onherstelbare schade aan de betrokken boom toegebracht wordt. Het bevoegd gezag is bevoegd om: voorwaarden te verbinden aan de in 24.2.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter vermindering of ter voorkoming van schade die de in 24.2.1 genoemde werken of werkzaamheden of de gevolgen daarvan aan de betrokken boom zouden kunnen toebrengen. Onder schade wordt tevens begrepen een vermindering of verslechtering van groeimogelijkheden. ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voor de onder 24.2.1 genoemde werken/werkzaamheden een BEA- onderzoek (= bomeneffectanalyse) van een onafhankelijk boomtechnisch adviesbureau te eisen. Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 24.2.1 en 24.2.3 van het omgevingsplan. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8801. ABRvS 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1434, r.o. 11. Artikel 2.4 van de Omgevingswet (Ow). Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow. Artikel 22.1 van de Ow. Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow. Artikel 24.2.1 van de planregels in samenhang met de als bijlage 3 bij het bestemmingsplan gevoegde boomwaardekaart. Met European Tree Technician certificaat. ABRvS 29 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5187, r.o. 7; ABRvS 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2122, r.o. 15 en ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1180, r.o. 133. Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. ABRvS 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3493, r.o. 5.4 en 5.5 en ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.5, 10.14 en 10.15. Artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang met artikel 24.2.3 van de planregels.