Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:842
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-111677-23 Parketnummer TUL: 16-188711-22 Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres] , raadsman mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3, 5, 6, 10, 12 en 13 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Op dezelfde zittingsdagen zijn inhoudelijk behandeld de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02/187364-23), [medeverdachte 2] (02/165966-23 en 02/016557-24), [medeverdachte 3] (02/187965-23), [medeverdachte 4] (02/155746-23), [medeverdachte 5] (02/111537-23) en [medeverdachte 6] (02/071660-25 en 16/238608-24). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is op 10 november 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (samen met een of meer anderen): feit 1: in de periode van 13 december 2022 tot en met 6 april 2023 meerdere personen heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude; feit 2: in de periode van 31 juli 2021 tot en met 1 augustus 2023 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Medeplegen oplichting feit 1 4.1.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. 4.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde vanwege het ontbreken van betrokkenheid van verdachte en omdat er geen sprake is van medeplegen. 4.4. Het oordeel van de rechtbank Algemeen De zaak gaat over een omvangrijke bankhelpdeskfraude. Over een periode van een groot aantal maanden zijn honderden meldingen bij banken binnen gekomen van klanten vanuit het hele land die slachtoffer waren geworden van deze specifieke vorm van oplichting. Naast Rabobank, ABN AMRO en ING hebben ook meerdere klanten aangifte gedaan. De politie is strafrechtelijk onderzoek “Lawrencium” gestart om deze fraudegevallen te onderzoeken. De onderzoeksresultaten leidden ertoe dat er uiteindelijk 306 aangiftes met elkaar in verband zijn gebracht, waarbij een dadergroep in beeld is gekomen. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn hierbij als verdachten aangemerkt. 4.4.1. Modus operandi Uit het dossier Lawrencium blijkt dat in een groot aantal gevallen van de tenlastegelegde bankhelpdeskfraudes sprake is van eenzelfde modus operandi. Deze modus operandi was de volgende. De aangevers waren steeds ouderen, met name vrouwen, variërend in de leeftijd van 60 tot en met 90 jaar. Zij werden gebeld met een gespooft of anoniem telefoonnummer. Degene die belde, deed zich voor als medewerker van de fraudeafdeling van de bank en stelde zich voor onder een alias ( [alias 1] , [alias 2] , [alias 3] , [alias 4] ). Tijdens het gesprek werd de aangevers voorgehouden dat er een verdachte transactie op hun rekening had plaatsgevonden of dat was geprobeerd geld van hun rekening af te halen en dat de bank hen wilde helpen om het geld terug te vorderen danwel veilig te stellen. Daarbij werd veelal de naam van [persoon 1] , al dan niet in combinatie met België, gebruikt als degene naar wie het geld zou worden overgemaakt. De aangevers Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat aan dit e-mailadres is gekoppeld, blijkt te kunnen worden toegeschreven aan [medeverdachte 4] . Intussen was elders in het land een cybercrime-onderzoek opgestart genaamd Gamila. In dat onderzoek is [medeverdachte 4] als verdachte aangemerkt en zijn bij een doorzoeking in zijn woning 9 mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder een iPhone 13. Hierin stonden chatgesprekken met “ [alias 5] ” die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Tussen 14 februari 2022 en 11 mei 2022 worden er meerdere foto’s en screenshots gestuurd door “ [alias 5] ”, waarin bijvoorbeeld op de achtergrond een e-mail van “Rabobank” met daarin een vermoedelijke betaallink zichtbaar is. De e-mail komt qua opbouw overeen met de fraudemails die de aangevers ontvingen van [e-mailadres 1] . Uit gestuurde foto’s door “ [alias 5] ” van zichzelf leidt de politie af dat het telefoonnummer toebehoort aan [medeverdachte 2] . Op 24 maart 2023 is [aangever 2] (zaaknummer 102) opgelicht. Zij werd gebeld door ene mevrouw [alias 3] van de fraude-afdeling van de ING. Deze alias was al in meerdere aangiftes naar voren gekomen, waarbij sprake was van eenzelfde modus operandi als hierboven omschreven. Van dat oplichtingsgesprek is een geluidsopname gemaakt. De politie heeft hierop de stem van “mevrouw [alias 3] ” herkend als de stem van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was op dat moment de partner van [medeverdachte 2] . Ook de stem van [medeverdachte 2] wordt hierop herkend, terwijl hij zich voordoet als bankmedewerker onder de naam “ [alias 1] ”. Op 16 september 2022 is aangeefster [aangeefster 2] opgelicht en op 12 april 2023 is aangeefster [aangeefster 3] slachtoffer geworden van oplichting. In beide zaken zijn de aangevers gebeld door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker met de naam “ [alias 4] ”. Hierbij is gebruik gemaakt van twee verschillende IMEI nummers, namelijk IMEI nummer [IMEI 1] (iPhone 7) en IMEI nummer [IMEI 2] (iPhone 11). Van beide IMEI nummers werd de telecommunicatie opgenomen om live oplichtingsgesprekken mee te kunnen luisteren en de gebruiker te kunnen lokaliseren. Voornoemde telefoons blijken in gebruik te zijn geweest bij [medeverdachte 3] . Op 25 juli 2023 is met aangeefster [aangeefster 4] (zaaknummer 1) een oplichtingsgesprek gevoerd, met genoemde iPhone 11, waarvan een geluidsopname is gemaakt. Zij werd gebeld door “ [alias 4] ”. Verbalisanten herkennen hierop de stem van [medeverdachte 3] in dat geluidsfragment. Uit de bankafschriften van beide rekeningen van [verdachte] blijkt dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar Coinbase, buitenlandse rekeningen en naar diverse rekeningen in gebruik bij [medeverdachte 6] . [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn op 1 augustus 2023 aangehouden. Daarbij zijn hun woningen doorzocht en zijn telefoons en laptops in beslag genomen en door de politie onderzocht. Sinds hun aanhouding is er geen enkele aangifte meer binnengekomen van bankhelpdeskfraude door medewerkers van banken met de namen [alias 1] , [alias 4] , [alias 2] en [alias 3] . Op een later moment zijn [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aangehouden, waarbij ook gegevensdragers in beslag zijn genomen. Op de in beslag genomen gegevensdragers zijn zaken aangetroffen die direct te relateren zijn aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. De bevindingen hiervan alsmede overige onderzoeksbevindingen (gebruikte telefoonnummers, e-mailadres, aliassen) zullen hierna worden besproken en dienen als vertrekpunt bij de beoordeling van het bewijs. 4.4.2. Gebruikte telefoonnummers Het nummer waarmee aangevers werden gebeld, betrof vaak een gespooft telefoonnummer. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij de bankhelpdeskfraude van onderstaande gespoofte telefoonnummers gebruik hebben gemaakt. [medeverdachte 2] Te 1749 [medeverdachte 3] E-mailadres Aangetroffen op/in - [e-mailadres 13] - [e-mailadres 14] - [e-mailadres 15] - [e-mailadres 16] - [e-mailadres 17]- [e-mailadres 8]- [e-mailadres 1]- [e-mailadres 18] - [e-mailadres 19] IMEI [IMEI 2] IMEI [IMEI 2] IMEI [IMEI 2] en IMEI [IMEI 1] IMEI [IMEI 2] IMEI [IMEI 1] IMEI [IMEI 1] IMEI [IMEI 1] IMEI [IMEI 1] IMEI [IMEI 1] E-mailadressen waarop was ingelogd Op de telefoons en laptops zijn chatgesprekken, belscripts, leads, notities met daarin namen van aangevers en e-mailadressen waarin de namen van ABN AMRO, ING en Rabobank zijn verwerkt, in combinatie met de term “fraudeafdeling”, aangetroffen. De rechtbank gaat er vanuit dat de e-mailadressen die op die telefoons zijn aangetroffen en in de diverse aangiftes zijn genoemd bij die oplichtingsgesprekken zijn gebruikt. Uit afbeeldingen op de telefoon van [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 2] in die periode zelf met de e-mailadressen [e-mailadres 6] , [e-mailadres 7] , [e-mailadres 8] en [e-mailadres 20] was ingelogd. Ten aanzien van de e-mailadressen die zijn aangetroffen op de laptop van [medeverdachte 2] en in chatgesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn genoemd, gaat de rechtbank er vanuit dat die ook door [medeverdachte 1] zijn gebruikt. De rechtbank wordt in die gedachte gesterkt doordat [medeverdachte 1] in een chatgesprek aan [medeverdachte 2] om inloggegevens heeft gevraagd en [medeverdachte 2] in reactie daarop de inloggegevens van de e-mailadressen [e-mailadres 21] , [e-mailadres 7] , [e-mailadres 6] en [e-mailadres 10] met haar heeft gedeeld. E-mailadressen waarvan een afbeelding is aangetroffen op gegevensdragers Van sommige e-mailadressen zijn enkel afbeeldingen aangetroffen en heeft de verdediging het verweer gevoerd dat dit niet direct betekent dat iemand dan ook daadwerkelijk van dat e-mailadres gebruik heeft gemaakt. De rechtbank verwerpt dit verweer. In het licht van het voorgaande en in combinatie met de overige onderzoeksbevindingen kan de rechtbank het voorhanden hebben van een afbeelding van zo’n bankgerelateerd e-mailadres niet anders uitleggen dan dat daar ook daadwerkelijk gebruik van werd gemaakt in het kader van bankhelpdeskfraude door de verdachten. De rechtbank merkt daarbij op dat de betreffende e-mailadressen ook terugkomen in zaken waarin de aangevers hebben gesproken met bankmedewerkers die zich onder de aliassen uitgaven van [alias 1] , [alias 2] en/of mevrouw [alias 3] , aliassen die – zoals hieronder zal blijken - door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werden gebruikt. Een voorbeeld hiervan vormt het e-mailadres [e-mailadres 7] . Dit e-mailadres komt in negen zaken (zaken 35, 38, 51, 53, 55, 100, 107, 118 en 122) terug in combinatie met de door [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] gebruikte aliassen. Overigens is een plausibele andere verklaring over de reden waarom deze afbeeldingen op de gegevensdragers zijn aangetroffen uitgebleven. Gelijkende e-mailadressen De rechtbank gaat er vanuit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook gebruik hebben gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres 11] . Dit e-mailadres vertoont namelijk grote gelijkenissen met het e-mailadres [e-mailadres 7] dat op de telefoon en laptop van [medeverdachte 2] is aangetroffen. Het e-mailadres [e-mailadres 11] komt daarnaast voor in de aangiftes met zaaknummers 39, 40, 64, 65 en 67. De aangevers in die zaken verklaren te hebben gesproken met [alias 1] (of een variant daarop) (zaken 39, 64 en 65), [alias 2] (zaken 40 en 67) en/of mevrouw [alias 3] (zaken 64 en 67), aliassen waarvan de rechtbank hierna zal overwegen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hiervan gebruik maakten. De rechtbank schrijft ook het e-mailadres [e-mailadres 12] aan [medeverdachte 2] toe. Dit e-mailadres wordt in de aangiftes met zaaknummers 32 en 33 genoemd. De beller stelde zich ook in die zaken voor als [alias 1] (zaak 32) respectievelijk E. [alias 2] (zaak 33). De aangever in zaak 33 heeft geld overgeboekt naar ee De rechtbank zal daarom enkel tot een bewezenverklaring komen indien er naast het noemen van de alias [alias 2] nog andere bewijsmiddelen in het dossier aanwezig zijn, waaruit betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de betreffende aangifte blijkt. Conclusie: Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van de aliassen [alias 1] en [alias 2] , dat [medeverdachte 1] zich heeft voorgedaan als [alias 3] en dat [medeverdachte 3] de alias [alias 4] heeft gebruikt (dan wel op genoemde aliassen gelijkende namen). Bovendien zijn er na de aanhouding van deze verdachten geen aangiftes van oplichting meer in het politiesysteem voorgekomen waarbij door bellers de aliassen “ [alias 1] ”, “mevrouw [alias 3] ” of “ [alias 4] ” zijn gebruikt en is er geen enkele aanwijzing in het dossier dat een ander deze aliassen gebruikte. 4.4.5. Verschillende rollen De rechtbank stelt vast dat verdachten betrokken zijn geweest bij de ten laste gelegde oplichting en komt nu toe aan de bespreking van de wijze waarop en de mate waarin de verschillende verdachten betrokken zijn geweest bij de bankhelpdeskfraude. Die betrokkenheid blijkt uit het volgende. [medeverdachte 2] Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] zijn onder andere meerdere iPhones en laptops in beslag genomen. In de kelder was een soort “belcentrum” ingericht, waarin alle voorzieningen waren getroffen voor het plegen van bankhelpdeskfraude. Er stonden twee bureautafels, drie bureaustoelen, een PC met monitor, twee laptops, drie headsets, vier mobiele telefoons en er lagen meerdere simkaarten die nog in de verpakking zaten. Op de telefoons en de laptops van [medeverdachte 2] zijn zaken aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Hierbij valt te denken aan chatgesprekken met medeverdachten over aangevers, belscripts, leads en notities met persoonsgegevens en e-mailadressen van aangevers en daarbij de namen van ABN AMRO, ING en Rabobank en aanwijzingen dat van een spoof-programma gebruik werd gemaakt. In een ander strafrechtelijk onderzoek Gamila is een iPhone 13 bij [medeverdachte 4] in beslag genomen. Hierin stonden chatgesprekken met “ [alias 5] ” die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Tussen 14 februari 2022 en 11 mei 2022 worden er meerdere foto’s en screenshots gestuurd door “ [alias 5] ”. Uit gestuurde foto’s door “ [alias 5] ” van zichzelf blijkt dat het telefoonnummer toebehoort aan [medeverdachte 2] . Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 4] degene was die dingen kon “fiksen”. Uit de opgevraagde gegevens van Thuisbezorgd.nl volgt voorts dat medeverdachten, op dagen waarop oplichtingsgesprekken zijn gevoerd, eten bestelden op het adres van [medeverdachte 2] , alwaar het belcentrum was ingericht. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op de aangiftes van [aangever 5] en [aangever 6] , waarvan de rechtbank concludeert dat deze oplichtingsgesprekken zijn gevoerd door [medeverdachte 3] , onder de alias [alias 4] . In veel gevallen werd aan de aangevers ook een code verstrekt beginnend met het woord ‘Thylon’. De aangevers werden verzocht om met die code naar het dichtstbijzijnde filiaal van de bank te gaan om het geld veilig te stellen. De code ‘Thylon’ komt vaak voor in combinatie met een door [medeverdachte 2] gebruikte alias. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 2] als enige gebruik heeft gemaakt van deze code. Omdat de code ‘Thylon’ zo specifiek en kenmerkend is, gaat de rechtbank er ook vanuit dat [medeverdachte 2] zich als bankmedewerker heeft uitgegeven in die zaken waarin deze code is verstrekt en aangevers hebben gesproken met een mannelijke bankmedewerker, maar geen alias hebben genoemd. De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in s Op 16 september 2022 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] hoe het bij [medeverdachte 3] gaat. [medeverdachte 2] antwoordt daarop met ‘ Die had ook 1. Maar nu heeft die iemand met 2 rekeningen ’. Op 17 november 2022 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] ‘ [medeverdachte 3] moet ook bellen toch ’, waarop [medeverdachte 2] reageert met ‘ 10K gegooid. [medeverdachte 3] gooit nu 10 ’. Daarnaast blijkt uit de opgevraagde gegevens van Thuisbezorgd.nl dat [medeverdachte 3] , op dagen waarop oplichtingsgesprekken zijn gevoerd, eten bestelde op het adres van [medeverdachte 2] , alwaar het belcentrum was ingericht. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op de aangiftes van [aangever 5] en [aangever 6] , waarvan de rechtbank concludeert dat deze oplichtingsgesprekken zijn gevoerd door [medeverdachte 3] , onder de alias [alias 4] . Op de iPhone 12 van [medeverdachte 3] zijn data aangetroffen die gerelateerd konden worden aan aangiftes van bankhelpdeskfraude waarin melding werd gemaakt van “ [alias 4] ”. Tevens blijkt uit deze telefoon dat gesprekken zijn gevoerd over leads, is een mapje met nieuwe leads (van Essent en Energiedirect) aangetroffen, is een afbeelding van een e-mail van “Rabobank Hoofdkantoor” aangetroffen en wordt gesproken (met [medeverdachte 4] onder de naam “ [alias 12] ”) over onder andere bestellingen bij MediaMarkt en Amazon. De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in samenhang bezien met de vaststellingen ten aanzien van de gebruikte e-mailadressen, telefoonnummers en aliassen, dat [medeverdachte 3] - onder de alias [alias 4] - als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, hetgeen nader is uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Ook zijn rol bestond niet louter uit het voeren van oplichtingsgesprekken, maar strekte zich ook uit tot het voortraject (onder andere het verkrijgen van leads) en het natraject (bijvoorbeeld het bestellen en/of het laten ophalen van pakketjes bij MediaMarkt en Amazon). Hij heeft daarbij e-mailberichten naar aangevers gestuurd door gebruikmaking van verschillende e-mailadressen van zogenaamde fraudeafdelingen van diverse banken. Hierbij onderhield hij - in periodes - nauw contact met meerdere medeverdachten, waaronder met name [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] Op de iPhone 13 die in onderzoek Gamila in beslag is genomen zijn meerdere berichten, foto’s en screenshots aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Zo zijn er op de telefoon de gegevens van [persoon 2] aangetroffen. Op 28 december 2021 heeft slachtoffer [aangever 8] (zaak 297) geld overgemaakt naar een bankrekening op naam van [persoon 2] . Daarnaast blijkt uit de berichten met [persoon 3] , uit november 2021, dat [medeverdachte 4] zich als een regelaar/verbinder heeft gedragen en verschillende schakels in de keten van bankhelpdeskfraude heeft verzorgd. Zoals hiervoor al is vastgesteld, waren aan het rekeningnummer van [medeverdachte 5] twee e-mailadressen gekoppeld, te weten: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Deze e-mailadressen zijn gebruikt voor Marktplaatsadvertenties waarmee betaallinks zijn gecreëerd. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 2] heeft zich geregistreerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 43] . Dat telefoonnummer komt terug in de telefoongegevens van [medeverdachte 6] , onder de naam ‘ [alias 13] ’. Van [alias 13] kreeg [medeverdachte 6] opdrachten om bestellingen bij MediaMarkt op te halen. Ook vroeg ’ [alias 13] ’ [medeverdachte 6] om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, werden Marktplaats betaalverzoeken en betaallinks heen en weer gestuurd met een omschrijving: “annulering” en werd gevraagd om handelingen te doen op crypto.com of SwissBorg. Op basis van een audiogesprek dat is vergeleken met spraakberichten van [medeverdachte 4] is de rechtbank van oordeel dat [alias 13] [medeverdachte 4] betreft en daarmee de gebruiker was van het telefoo Zoals eerder in dit vonnis al is overwogen zijn grote sommen geld van de rekening van [medeverdachte 5] , waarop na het voeren van oplichtingsgesprekken geld van aangevers stond, doorgeboekt naar 2 BUNQ rekeningen van [verdachte] . Verder blijkt uit de bankafschriften van beide rekeningen van [verdachte] dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar buitenlandse rekeningen op naam van [verdachte] . Hoewel [verdachte] de wetenschap van het bestaan van deze rekeningen ontkent, blijkt het tegendeel uit het dossier. In de telefoon van [medeverdachte 2] is een chatgesprek aangetroffen met [medeverdachte 4] , waarin reeds op 12 december 2022 een afbeelding is verstuurd van een e-mail, ondertekend door [verdachte] , waarin hij zelf vraagt om zijn salaris over te maken naar een buitenlandse rekening op zijn naam. De rechtbank concludeert dan ook dat [verdachte] een aansturende en coördinerende rol heeft gehad. De rol van [verdachte] is daarom van groter gewicht dan die van [medeverdachte 5] , zoals de rechtbank hierna uiteen zal zetten. [medeverdachte 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 4] en [verdachte] hem hadden gevraagd of zij geld op zijn rekening mochten storten. Ook werd afgesproken dat [medeverdachte 5] een percentage van dat geld zou krijgen. Hij heeft toen zijn bankpas en inloggegevens aan [medeverdachte 4] ter beschikking gesteld. [medeverdachte 5] heeft verder verklaard dat [verdachte] “ [alias 14] ” wordt genoemd. De rechtbank leidt uit de verklaring van [medeverdachte 5] af, dat hij in ieder geval tot op een zeker moment ook zelf nog toegang had tot zijn internet bankierenapp. Hij geeft immers aan dat hij de bedragen omhoog zag gaan en zelfs een bedrag van € 60.000,- heeft gezien. Ook is gebleken dat hij nadien nog met zijn eigen bankpas geld heeft gepind en dat er leefgeld op zijn rekening werd gestort. Uit de geldstromen van Online Payments Foundation volgt dat een bedrag van € 230.950,- is doorgeboekt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 5] . Aan dat rekeningnummer waren de persoonsgegevens van verdachte [medeverdachte 5] gekoppeld met daarbij de e-mailadressen: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Daarnaast is er door aangeefster [aangeefster 1] een rechtstreekse betaling gedaan op de rekening van [medeverdachte 5] van € 17.469,-. Van het totaalbedrag van € 248.419,- werd in 32 betalingen een bedrag van € 185.610,- doorgeboekt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en 13 betalingen met een totaalbedrag van € 46.150,- doorgeboekt naar [rekeningnummer 4] op naam van [bedrijf] . De hiervoor genoemde e-mailadressen waren ook gekoppeld aan Marktplaatsadvertenties, waarmee betaallinks werden gecreëerd, die werden gebruikt bij de bankhelpdeskfraude. De rechtbank concludeert dat de rol van [medeverdachte 5] beperkt is gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening aan [medeverdachte 4] en [verdachte] . Hij kon zien wat voor geldbedragen er op de bankrekening werden gestort en waar die geldbedragen vandaan kwamen. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij pakketjes heeft opgehaald bij MediaMarkt in opdracht van anderen en dat hij deze vervolgens heeft afgestaan. Hij heeft voor ieder opgehaald pakketje € 150,- gekregen. Hij is in ieder geval bij MediaMarkt in Heerhugowaard, bij MediaMarkt in Leeuwarden en, samen met [persoon 4] , bij MediaMarkt in Utrecht geweest. De pakketjes konden alleen worden opgehaald als zijn naam erop stond. Hij moest zich namelijk telkens legitimeren. Hij heeft verklaard dat hij niet wist dat de pakketjes met geld afkomstig van oplichting waren betaald. Van het door Online Payments Foundation via [medeverdachte 5] naar [verdachte] doorgestorte geld is uiteindelijk vanaf zowel de privé bankrekening als van de zakelijke bankrekening van [verdachte] geld op de rekening van [medeverdachte 6] gestort. Uit de chatgesprekken met “ [alias 15] ” ( [verdachte] ) en “ [alias 13] ” ( [medeverdacht Het kopen van leads, het regelen van bankpassen en bankrekeningen om het geld weg te kunnen sluizen, het aanmaken van e-mailadressen en betaallinks, het spoofen van telefoonnummers, het bellen met de aangevers, het met elkaar doorverbinden, het versturen van WhatsApp-berichten en e-mails met daarin betaallinks en afspraakbevestigingen naar de aangevers, het plaatsen van bestellingen bij webshops, het klaar hebben staan van mensen die de bestelde pakketjes gaan ophalen en het contant opnemen van geld, zijn allemaal handelingen die een nauwgezette planning en afstemming vereisen. Vanaf het moment dat er contact wordt gelegd met de aangevers, is snelheid geboden. De hiervoor genoemde handelingen moeten immers worden verricht voordat de frauduleuze overboekingen en geldopnames met de bankpassen worden ontdekt, de betreffende geldbedragen kunnen worden teruggestort en/of de betreffende bankrekeningen kunnen worden geblokkeerd. In de gehele keten van voornoemde handelingen, was het uiteindelijke doel om geld van de aangevers weg te nemen. Deze handelingen, die noodzakelijk zijn voor een geslaagde bankhelpdeskfraude, hangen in een zeer nauw, chronologisch verband samen. Deze werkwijze vergt een goed geplande en doordachte samenwerking, waarbij de betrokken verdachten, ieder in zijn of haar eigen rol, afhankelijk zijn van elkaar. Uit de hiervoor beschreven rol die [verdachte] in het geheel van deze keten vervulde, volgt dat zijn aandeel als medeplegen van oplichting moet worden beschouwd. Samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft [verdachte] zich, gedurende een langere periode, op wisselende momenten en deels in wisselende samenstellingen, schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] komt de rechtbank tot een andere conclusie. De rol van [medeverdachte 5] is beperkt gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening. De rol van [medeverdachte 6] is beperkt gebleven tot het ophalen van pakketjes. Hoewel de handelingen op zich een essentiële schakel zijn in de keten, is de bijdrage van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in dit geval, in zowel materiële als intellectuele zin, van onvoldoende gewicht geweest om hen te kunnen aanmerken als medepleger van oplichting. In de gevallen waarin het geld is overgemaakt naar een betaalplatform zoals Online Payments Foundation of Pay.nl maar uiteindelijk is teruggestort, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van oplichting. De aangevers zijn in dat geval immers al bewogen tot het overmaken van geld naar een ander. Dat geldt ook voor de gevallen waarin er een bestelling is geplaatst bij een webshop maar de bestelling (nog) niet is opgehaald. De rechtbank gaat in zaken waarin de bank zelf de overboeking heeft tegengehouden er vanuit dat er geen sprake is van een voltooid delict. Zij zal verdachte daarom van die zaken vrijspreken. 4.4.8. Vrijspraken De rechtbank zal [verdachte] in de volgende zaken vrijspreken, omdat er geen sprake is van een voltooid delict (poging). Dit betekent dat [verdachte] zal worden vrijgesproken in de volgende zaken: zaak 72; zaak 124; zaak 136; zaak 138. 4.4.9. Bewezenverklaringen De rechtbank komt in de overige zaken tot een bewezenverklaring, ook in de zaken waarin door een ander dan het slachtoffer aangifte is gedaan en per abuis de naam van de aangever in de tenlastelegging is opgenomen. Uit de aangifte en de stukken blijkt voldoende duidelijk van wiens rekening geld is weggenomen, 4.5. Deelneming aan een criminele organisatie feit 2 4.5.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben een crimineel samenwerkingsverband gevormd. 4.5.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde feit, De rechtbank hanteert deze datum als startdatum voor de pleegperiode en zal bewezen verklaren dat [verdachte] in de periode van 13 december 2022 tot en met 3 april 2023 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. 4.6. Samenloop De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van eendaadse samenloop, maar van meerdaadse samenloop en overweegt daarover als volgt. Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr is sprake indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van de strafbepalingen in dit geval te veel uiteenloopt om van eendaadse samenloop te kunnen spreken, omdat in de toepasselijke artikelen telkens verschillende belangen worden beschermd. Bovendien is sprake van een feitencomplex, waarbij de verschillende handelingen juist achtereenvolgens plaatsvinden en niet steeds op exact dezelfde wijze, laat staan op dezelfde plaats. De rechtbank heeft immers in het voorgaande vastgesteld dat verdachte niet telkens op dezelfde plek als de medeverdachten was. Aan verdachte wordt dus niet in wezen één verwijt gemaakt, zodat geen sprake kan zijn van een eendaadse samenloop. 4.7. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. medeplegen oplichting in de periode 13 december 2022 tot en met 6 april 2023 in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, - [aangever 10] heeft bewogen tot de afgifte van € 2.500,40, - [aangever 11] heeft bewogen tot de afgifte van € 12.202,00, - [aangever 12] heeft bewogen tot de afgifte van € 15.002,40, en/of - rekeninghouders van de Rabobank en/of ABN AMRO Bank en/of ING bank, te weten de slachtoffers genoemd in bijlage 1 heeft bewogen tot afgifte van enig (e) geldbedrag(en) en/of de (digitale) gegevens van de (internet)bankrekening(en) en/of inloggegevens van deze bankrekening(en), door zich (telkens) via de telefoon uit te geven als bonafide bankmedewerker en (hierbij) door bedrieglijk en in strijd met de waarheid te zeggen/berichten dat -zakelijk weergegeven- - er fraude en/of verdachte transacties plaatsvonden op de bankrekeningen van voornoemde personen en/of er geld van de bankrekeningen van voornoemde personen is/wordt gepind en/of - de bankrekening en/of het geld van voornoemde personen geblokkeerd en/of verzekerd en/of veiliggesteld moet (en) worden en/of - ( het hoofdkantoor van) de Rabobank en/of ABN AMRO Bank en/of ING bank, e-mails en/of een whatsappbericht naar voornoemde personen stuurt waarin een link staat en dat deze e-mails moeten worden geopend en/of voornoemde personen zijn/haar bankapplicatie dienen te openen en/of - voornoemde personen moeten inloggen op de internetbankierenaccount(s) waartoe zij toegang hadden en het geld van de spaarrekening over moeten boeken naar de betaalrekening zodat het geld veilig gesteld wordt en/of - voornoemde personen de link moeten aanklikken en betalingen moeten bevestigen (met de random reader) zodat het geld veilig gesteld wordt, waardoor bovengenoemde personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften; bijlage 1 Datum Aangever Schadebedrag Paginanummer 75 3-4-2023 [aangeefster 1] € 36.172,20 2340 79 31-3-2023 [aangever 1] € 12.102,00 2353 80 31-3-2023 [aangever 13] € 20.353,60 2356 81 31-3-2023 [aangever 14] € 2.300,40 2362 82 30-3-2023 [aangever 15] € 19.403,20 2365 83 30-3-2023 [aangever 16] € 7.301,20 2369 84 30-3-2023 [aangever 18] € 7.301,20 2375 85 30-3-2023 [aangever 19] ongeveer € 45.000,00 2378 86 30-3-2023 [aangever 20] € In veel gevallen is hun spaargeld uitgegeven aan een luxe levensstijl (dure merkkleding, reizen naar het buitenland, Rolexen etcetera) die door de verdachten werd nagestreefd. Ook voelden de slachtoffers zich vernederd, beschaamd, wantrouwend en hebben zij vele slapeloze nachten gehad. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de verdachten hun handelen als hun dagelijkse werk zagen, waarbij sprake was van een zekere mate van professionaliteit. Dit blijkt alleen al uit het aangetroffen belcentrum. Dat de rechtbank het handelen van de verdachte verwerpelijk vindt, is dan ook evident. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 25 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 21 oktober 2025, waaruit blijkt dat onderhavige verdenking deel uitmaakt van een delictpatroon waarin financieel gewin als motief wordt gezien. Bij een veroordeling heeft de verdenking plaatsgevonden tijdens een voorwaardelijke veroordeling en is hij in overtreding van de algemene voorwaarden. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De recidiverende factoren worden gezien op de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, verslaving (gokken), psychosociaal functioneren en houding. Verdachte heeft geen zinvolle en structurele dagbesteding en er is sprake van schulden. Er is sprake van een gokprobleem en er zijn aanwijzingen dat verdachte zich begeeft in een negatief sociaal netwerk. Ook heeft verdachte een licht verstandelijke beperking, waardoor zijn leerbaarheid beperkt lijkt en sprake is van een beperkte mate van zelfinzicht. Bij een eventuele detentie kan verdachte zijn kamer/woning verliezen. Verdachte is afspraaktrouw en stelt zich meewerkend op. Hij heeft CoVa plus gevolgd en zichzelf een aantal vaardigheden eigen kunnen maken. De reclassering acht het wenselijk om een vinger aan de pols te houden en er worden mogelijkheden gezien voor een ambulante behandeling van FACT. Zij kunnen ook behandeling voor de gokverslaving van verdachte bieden. De reclassering ziet meerwaarde in het voortzetten van het reclasseringstoezicht, maar het plan van aanpak is ook uitvoerbaar in het kader van een voorlopige invrijheidstelling. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij als bijzondere voorwaarden de meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod, dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening op te leggen. Strafoplegging Deze feiten moeten naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een maatschappelijke plaag waartegen hard moet worden opgetreden. Bij de strafbepaling houdt de rechtbank rekening met de hoeveelheid slachtoffers die hij heeft opgelicht. Gelet op de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen heeft voor verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten in dit geval prevaleert. In de persoon van verdachte ziet de rechtbank wel aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met de daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Redelijke termijn In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt. Met het oog op de overzichtelijkheid heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen in een Excel-bestand verwerkt. Dit Excel-bestand is als bijlage III aan dit vonnis gehecht. De namen van de benadeelde partijen en de bijbehorende zaaknummers staan vermeld in kolom C en B. In kolom A staat vermeld wie de vordering heeft ingediend (de bank of de individuele rekeninghouder). De benadeelde partijen hebben de bedragen gevorderd die zijn vermeld in kolom D. Alle benadeelde partijen hebben tevens de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Alvorens tot een inhoudelijke bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen over te kunnen gaan, dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Voor zover het verweer is gevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de inhoud van de vorderingen te bestuderen en daar adequaat op te reageren, overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in haar overzichtsarrest uit 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) regels gegeven over hoe om te gaan met vorderingen van benadeelde partijen. Uitgangspunt is dat de strafrechter niet te snel gebruik mag maken van haar bevoegdheid om benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat de bedoeling van de wetgever is geweest om het voor benadeelde partijen eenvoudig te maken om schade in het strafproces te vorderen. De mogelijkheid voor benadeelde partijen om zich in het strafproces te voegen kent echter wel begrenzingen. Zo verplicht artikel 6, eerste lid, van het EVRM de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring als hij zich niet verzekerd acht dat alle procespartijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen. In deze zaak heeft een groot aantal slachtoffers aangifte gedaan en te kennen gegeven dat zij vergoeding wensen van de door hen geleden schade. De verdediging heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om deze vorderingen grondig te kunnen bestuderen en daartegen gemotiveerd verweer te kunnen voeren. De vorderingen zijn tijdig voor de zitting ingediend en op zitting is er voldoende tijd voor uitgetrokken. Dat er op zitting op verzoek van de rechtbank nog een nadere toelichting op de vorderingen van de banken is gekomen, maakt dat niet anders. Dit verzoek is immers gedaan uit het oogpunt van een zorgvuldige en complete behandeling van de ingediende vorderingen en daarmee dus ook in het belang van verdediging. De verdediging heeft daarna ook de tijd gekregen om deze nadere toelichting te bestuderen en daar op zitting een standpunt over in te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen. 7.2. Materiële schade 7.2.1. Natuurlijke personen De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte bankhelpdeskfraude heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen in de zaken die aan hem kunnen worden gekoppeld en dat hij verplicht is de schade van deze benadeelde partijen te vergoeden. De rechtbank zal de bedragen die hierna in het Excel-bestand in kolom F worden genoemd, toewijzen. Het gaat om geldbedragen die de benadeelde partijen hebben overgemaakt door op de betaallink(s) te klikken, geldbedragen die met de bankpassen van de benadeelde partijen zijn gepind en/of kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt om hun paspoort te vervangen. Deze schade is voldoende onderbouwd en staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde fe Hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde slapeloze nachten, gevoelens van angst, onveiligheid, schaamte, stress en wantrouwen bij de benadeelde partijen teweeg heeft gebracht, is dit niet voldoende om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen. In geen van de gevallen is geestelijk letsel vastgesteld. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en de mededaders dusdanige ingrijpende gevolgen bij de benadeelde partijen hebben veroorzaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in (dat deel van) hun vordering (kolom J van bijlage III). Die vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 7.4. Schadevergoedingsmaatregel 7.4.1. Natuurlijke personen De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van natuurlijke personen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De bedragen van de schadevergoedingsmaatregel zijn vermeld in kolom T van bijlage III. Het maximum aantal dagen gijzeling is vermeld in kolom U van deze bijlage. 7.4.2. Banken De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van ABN AMRO, ING en Rabobank. De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval niet passend. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van inning via de schadevergoedingsmaatregel af te wentelen op de Staat. ABN AMRO, ING en Rabobank zijn professionele organisaties die goed in staat kunnen worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen. Met de toewijzing van de vordering is de aansprakelijkheid van de verdachte immers een gegeven. Eventueel staat hen daarbij de mogelijkheid van lijfsdwang via artikel 585 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten dienste. Bovendien zijn de voordelen voor de banken bij deze maatregel in het onderhavige geval relatief gering. 7.5. Wettelijke rente De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partijen van wie de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, bepalen dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Deze data staan vermeld in kolom S van bijlage III. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald. De rechtbank zal ten aanzien van de gevorderde onderzoekskosten de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van onderhavig vonnis. 7.6. Proceskosten Waar de vordering van een benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door die benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de eventuele kosten van tenuitvoerlegging. 7.7. Hoofdelijkheid De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de toegekende schadevergoedingen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom. 8 De vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2023 ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden; * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partijen - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen van de in kolom F en kolom H van bijlage III genoemde bedragen aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente voor wat betreft de bedragen in kolom F vanaf de data zoals genoemd in kolom S van bijlage III tot aan de dag der algehele voldoening en voor wat betreft de bedragen in kolom H vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in (het overige gedeelte van) de vorderingen, zoals vermeld in kolom J van bijlage III, en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, ten behoeve van de slachtoffers de bedragen te betalen, zoals vermeld in kolom T van bijlage III, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de data zoals genoemd in kolom S van bijlage III tot aan de dag der algehele voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het aantal dagen zoals ten aanzien van elke vordering in kolom U van bijlage III vermeld, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Vordering tenuitvoerlegging - gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2023 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16-188711-22 ten uitvoer zal worden gelegd , te weten 3 maanden gevangenisstraf; Voorlopige hechtenis - heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, en mr. I.M.L. Felix en mr. P.E. van Althuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos en mr. D.W. Schalk, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 februari 2026. Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging 1 1. Medeplegen oplichting hij in of omstreeks de periode 13 december 2022 tot en met 6 april 2023 te Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert, althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [aangeefster 1] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 17.469,00, - [aangever 10] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 2.500,40, - [aangever 11] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 12.202,00, - [aangever 12] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 15.002,40, - [aangever 1]