Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:829
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/1758 en 25/6515 AOW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht (de SVB), verweerder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het ouderdomspensioen van eiser naar de norm voor een gehuwde, de terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan pensioen en de oplegging van een boete op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de beroepen aan de hand van deze beroepsgronden. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht het ouderdomspensioen van eiser heeft herzien naar de norm voor een gehuwde, het te veel betaalde bedrag aan pensioen heeft teruggevorderd en een boete heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Eiser krijgt ook geen schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 13 maart 2024 (primair besluit I) heeft de SVB het ouderdomspensioen van eiser met ingang van augustus 2022 herzien naar de norm voor een gehuwde. Daarbij heeft de SVB het over de periode van augustus 2022 tot en met februari 2024 te veel betaalde ouderdomspensioen ten bedrage van € 8.452,24 teruggevorderd. Met het besluit van 6 november 2024 (primair besluit II) heeft de SVB opnieuw meegedeeld dat van eiser een bedrag van € 8.452,24 wordt teruggevorderd. In dit besluit is een betalingsregeling vastgesteld van € 85,50 per maand. Daarnaast heeft de SVB aan eiser een boete opgelegd van € 2.859,17. 2.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten en een verzoek om vergoeding van schade ingediend. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren. 2.3. De SVB heeft op het beroep niet tijdig beslissen gereageerd met een verweerschrift. Bijgevoegd zijn twee afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 15 mei 2025 (bestreden besluit I en bestreden besluit II), waarin de SVB eisers bezwaren tegen de primaire besluiten I en II ongegrond heeft verklaard. Bij brief van 15 mei 2025 heeft de SVB ook eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2.4. Eiser heeft desgevraagd laten weten het beroep niet in te trekken en heeft gereageerd op de bestreden besluiten. 2.5. De rechtbank heeft het beroep gesplitst en aan het beroep tegen bestreden besluit I het zaaknummer BRE 25/1758 toegekend en aan het beroep tegen bestreden besluit II het zaaknummer BRE 25/6515. 2.6. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. A. Marijnissen namens de SVB. Feiten 3. Eiser ontvangt sinds juni 2011 een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Het pensioen is bij toekenning vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde. Op dit pensioen is een korting toegepast van 4%, omdat eiser afgerond twee jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW. 3.1. Eiser is eerder gehuwd geweest van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2020 en heeft in deze periode ouderdomspensioen ontvangen naar de norm voor een gehuwde. 3.2. Op 2 juli 2022 is eiser in Gambia gehuwd met [naam] (echtgenote). 3.3. Naar aanleiding van een melding door de gemeente over de inschrijving van een nieuwe medebewoner op het adres van eiser, heeft de SVB bij brief van 1 september 2023 een onderzoek ingesteld naar eisers woon- en leefsituatie. Op 6 september 2023 heeft eiser aan de SVB doorgegeven dat zijn echtgenote vanaf 12 augustus 2023 bij hem in Nederland is komen wonen. Beoordeling door de rechtbank Niet tijdig beslissen 4. De rechtbank stelt vast dat de SVB na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaren alsnog de bestreden besluiten I en II heeft genomen. Niet gebleken is dat Naar het oordeel van de rechtbank had eiser kunnen of moeten weten dat de omstandigheid dat hij inmiddels gehuwd is, van belang is voor de hoogte van zijn ouderdomspensioen. Hij is namelijk meerdere keren in brieven van de SVB gewezen op het doorgeven van wijzigingen in zijn persoonlijke situatie. Daar betrekt de rechtbank bij dat eiser eerder gehuwd is geweest in de periode dat hij pensioengerechtigd is. Hieruit volgt dat de SVB terecht eisers ouderdomspensioen heeft herzien naar de norm voor een gehuwde vanaf de maand nadat hij in het huwelijk is getreden. 7.5. De herziening van het ouderdomspensioen van de norm voor ongehuwden naar de norm voor gehuwden betekent tevens dat de SVB het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen in beginsel moet terugvorderen. Dringende redenen 7.6. De SVB kan echter besluiten, als sprake is van dringende redenen, om geheel of gedeeltelijk van herziening en (afzonderlijk) van terugvordering af te zien. 7.7. Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de SVB vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepelere beleid past de SVB toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. In aanvulling hierop hanteert de SVB de vaste gedragslijn dat de ‘dringende reden’-toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening of intrekking, waardoor in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening wordt gehouden met eventuele ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. In een uitspraak van 21 november 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat de SVB met de nieuwe beleidsregel SB1407 in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van 18 april 2024 is beoogd. Beleidsregel SB1407 voorziet erin dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. Daarnaast voorziet de beleidsregel in een structurele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Bij die beoordeling is de mate waarin de betrokkene en de SVB een verwijt kan worden gemaakt van belang. Verder acht de CRvB in het licht van de genoemde tussenuitspraak de vaste gedragslijn van de SVB bij de terugvordering juist. Dit geldt ook voor het in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening houden met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. 7.8. In dit geval heeft de SVB zich, naar het oordeel van de rechtbank terecht, op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van dringende redenen om de herziening geheel of gedeeltelijk te matigen. Eiser kon redelijkerwijs weten dat zijn huwelijk van invloed zou kunnen zijn op zijn ouderdomspensioen. Hij heeft nagelaten dit huwelijk tijdig (binnen 4 weken) aan de SVB te melden. Pas op 6 september 2023 heeft eiser zijn huwelijk bij de SVB gemeld. Dat het ouderdomspensioen vervolgens pas in maart 2024 is herzien, maakt de herziening met terugwerkende kracht naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. Eiser kon immers weten dat de verwerking van de melding nog zou plaatsvinden. 7.9. Eiser moet een bedrag van € 8.452,24 aan onverschuldigd betaald ouderdomspensioen terugbetalen. De SVB heeft zich in het bestreden besluit I op het standpunt gesteld dat de door eiser genoemde omstandigheden (dat hij op bijstandsniveau moet leven, dat zijn echtgenote mogelijk moet stoppen met haar studie en eiser met zijn vrijwilligerswerkzaamheden, dat zijn vrijwilligersstichting opgeheven zou moeten worden en dat hij waarschijnlijk moet verhuizen omdat hij de huur niet kan betalen) geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe moeten leiden om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien. De rech Nu hiervoor is vastgesteld dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit of besluiten in het kader van de AOW van de zijde van de SVB, is er ook geen aanleiding voor een vergoeding in het kader van gestelde gevolgschade. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. 9.2. Voor zover eiser stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van een andere (algehele) tekortkoming van de SVB, valt dat niet onder de omvang van deze procedures. Conclusie en gevolgen 10. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De beroepen zullen voor het overige ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de bestreden besluiten I en II standhouden. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. 10.1. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 8:88 1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van: a. een onrechtmatig besluit; b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; c. het niet tijdig nemen van een besluit; d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn. Artikel 8:89 1. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd. 2. In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen. 3. De bestuursrechter is in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, niet bevoegd indien de belanghebbende het verzoek heeft ingediend nadat hij ter zake van de schade een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt. 4. Zolang het verzoek van de belanghebbende bij de bestuursrechter aanhangig is, verklaart de burgerlijke rechter een vordering tot vergoeding van de schade niet ontvankelijk. Algemene ouderdomswet (AOW) Artikel 9 (voor zover van belang) 1. Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor: a. de ongehuwde pensioengerechtigde; b. de gehuwde pensioengerechtigde. 3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Artikel 17a 1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeri