Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:8193
De rechtbank laat de correcties van het resultaat uit overige werkzaamheid in stand, die zijn gemaakt vanwege de inkomsten die belanghebbende heeft genoten en zijn betrokkenheid bij het samenwerkingsverband. De rechtbank beoordeelt tevens de opgelegde boetes. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/5444 tot en met 24/5449 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. R. Zilver), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 mei 2024. 1.1. De inspecteur heeft over het jaar 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan hem in rekening gebracht. De inspecteur heeft voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen IB/PVV en Zvw aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan hem in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 boetes aan belanghebbende opgelegd. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven: Zaaknr. Jaar Soort Dagtekening Aanslagnummer Belasting Boete Rente 24/5444 2017 IB/PVV 03-09-2021 [aanslagnummer] H.77.01 € 34.955 € 16.225 € 3.948 24/5445 2017 Zvw 03-09-2021 [aanslagnummer] H.77.01.4 € 2.899 - € 352 24/5446 2018 IB/PVV 03-09-2021 [aanslagnummer] H.86.01 € 1.355.783 € 676.962 € 110.604 24/5447 2018 Zvw 03-09-2021 [aanslagnummer] H.86.01.4 € 2.333 - € 190 24/5448 2019 IB/PVV 03-09-2021 [aanslagnummer] H.96.01 € 851.789 € 424.886 € 35.428 24/5449 2019 Zvw 03-09-2021 [aanslagnummer] H.96.01.4 € 2.374 - - 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de onder 1.1 genoemde (navorderings)aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard. 1.3. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 14 augustus 2025 beslist op het beroep van de inspecteur op (gedeeltelijke) geheimhouding van bepaalde stukken. De geheimhoudingskamer heeft het verzoek om geheimhouding toegewezen. De beslissing van de geheimhoudingskamer is naar partijen verzonden. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde en namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. De boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 zijn ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moeten worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende is geboren op [geboortedag 1] 1993. Belanghebbende heeft samen met mevrouw [persoon 1] een zoon, [persoon 2] . [persoon 2] is geboren op [geboortedag 2] 2015. 3.1. Belanghebbende stond in de periode van 15 juli 2016 tot 7 mei 2019 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats] . Vanaf 7 mei 2019 staat belanghebbende in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] in [woonplaats] . 3.2. De zoon van belanghebbende en [persoon 1] stonden in de periode 7 juni 2016 tot 5 december 2019 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 3] in [woonplaats] . Vanaf 5 december 2019 staan zij in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] in [woonplaats] . Start strafrechtelijke onderzoeken 3.3. De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse van zijn familieleden en andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband). 3.4. In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en zijn familieleden gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten. Aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 3.5. De inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2017 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.070, volledig bestaande uit een uitkering van het UWV. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 conform de ingediende aangifte vastgesteld. 3.6. De inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2018 uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.313, volledig bestaande uit een uitkering van het UWV. 3.7. De inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2019 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2019 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.276, volledig bestaande uit uitkeringen van het UWV. Boekenonderzoek 3.8. De inspecteur heeft op 13 november 2019 door het persoonlijk achterlaten van een brief op het adres [adres 2] in [woonplaats] aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019. Lopende het onderzoek is de reikwijdte van het onderzoek teruggebracht naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2019. 3.9. De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten. 3.10. De inspecteur heeft op 2 februari 2021, 16 februari 2021 en 18 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Calabrese, Grange en Enfield te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (de artikel 55 AWR-verzoeken). 3.11. Verder heeft de inspecteur informatie ontvangen door uitwisselingen op basis van het RIEC-convenant en door middel van verschillende derdenonderzoeken op grond van artikel 53 van de AWR. 3.12. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 3 september 2021 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “ 6 RIEC casus [naam] (…) 6.2 Calabrese (…) Fiscale insteek Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door belastingplichtige / het crimineel samenwerkingsverband en niet van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie. Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd. Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt: Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx) bijlage 6-01 Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx) bijlage 6-02 Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx) bijlage 6-03 Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx) bijlage 6-04 Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid Amerika.docx) bijlage 6-05 Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten: (…) 6.3. Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.” En: “ 7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6. Diverse kosten en investeringen In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de uitgaven en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen. Boekhouding-administratie Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij. Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen. Gegenereerde inkomsten Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen. Totaaltelling Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode. NB: Informatie uit ovc-gesprekken Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek. (…) 7.6 Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019 Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen gedistilleerd. (…) (…) (…) ” En: “ 9 Crimineel samenwerkingsverband (…) 9.2 Theoretisch kader (…) Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die regelmatig met elkaar activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder medewerkers. Van de resterende 10% nemen wij aan dat deze verdeeld wordt onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug. Fiscaal gezien gaan wij uit van een samenwerkingsverband dat bestaat uit de volgende mensen; [persoon 3] , [persoon 4] (1960), [persoon 5] (1964), [persoon 6 ] (1979) en [persoon 7] . Daarnaast stellen wij ons op het standpunt dat binnen het door ons aangenomen samenwerkingsverband sprake is van de volgende verdeling van de “opbrengst”; [persoon 3] 50% [persoon 4] (1960) 10% [persoon 5] (1964) 10% [persoon 6 ] (1979) 10% [persoon 7] 10% De resterende 10% wordt verdeeld onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.” En: “ [belanghebbende] Belastingplichtige is de enige zoon van de leider van de organisatie. Hij opereerde veelal onder de vleugels van zijn vader. Vanuit die omstandigheid was hij aanwezig bij criminele gesprekken, nam hij deel aan deze gesprekken en was hij actief in de uitvoering. Uit diverse gesprekken blijkt dat hij recht had op geld uit de pot. Hij beschikte over informatie met betrekking tot de fabricage van synthetische drugs en had een actieve rol bij de invoer van containers uit het buitenland. Daarnaast verbleef hij, vanwege zijn veiligheid en die van zijn vader enige tijd ‘s avonds in een gehuurd appartement in België. Hij had een actieve rol bij de handel in wapens. Als zoon van de leider van het samenwerkingsverband had hij een aparte status. (…) Uit meerdere passages die hierboven zijn aangehaald blijkt dat belastingplichtige gezien kan worden als onderdeel van het samenwerkingsverband. Bij vrijwel alle feiten waarvan de groepering verdacht wordt is hij betrokken geweest.” En: “ 10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd. 10.1 Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport. ” 3.13. De inspecteur heeft een kasopstelling gemaakt voor de jaren 2017 tot en met 2019 en geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de voornoemde jaren. Het betreft de volgende bedragen: 2017: € 10.528,18 2018: € 36.255,01 2019: € 44.491,95 3.14. Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur de aanslagen en beschikkingen aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1). 3.15. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.085, bestaande uit de uitkering van het UWV van € 15.070 en een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie) van € 73.015. De navorderingsaanslag Zvw 2017 is berekend naar een maximaal bijdrage-inkomen. 3.16. De aanslag IB/PVV 2018 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.626.095, bestaande uit de uitkering van het UWV van € 13.313 en een ROW-correctie van € 2.612.782. De aanslag Zvw 2018 is berekend naar een maximaal bijdrage-inkomen. 3.17. De aanslag IB/PVV 2019 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.666.041, bestaande uit uitkeringen van het UWV van in totaal € 14.276 en een ROW-correctie van € 1.651.765. De aanslag Zvw 2019 is berekend naar een maximaal bijdrage-inkomen. Veroordelingen 3.18. Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar vanwege – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen. 3.19. In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen: “Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).” En: “Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.” En: “Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet het hof het gebruik van de schuur achter het pand [adres 4] te [woonplaats] , zijnde de woning van [persoon 5] (1964) en [persoon 8] . Gedurende de onderzoeksperiode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 werd vastgesteld dat de deelnemers vrijwel dagelijks in wisselende samenstellingen bijeenkwamen op deze locatie en in de schuur, In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke door middel van een deur afsluitbare ruimte. (…) Door [persoon 3] , [persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 5] (1964), [persoon 7] en [persoon 11] werd die ruimte dan ook wel aangeduid als het "kantoor". (…) Naast de schuur met daarin het kantoor zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV- deelnemers.” En: “Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie Naast het gebruik van "het kantoor" als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaatsvond; draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur. [persoon 3] werd als baas binnen de organisatie gezien. (…) Naast een duidelijke rol van [persoon 3] als leider van het CSV blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. [persoon 8] beheerde in haar woning aan de [adres 4] het contante geld; door CSV-deelnemers "de pot" genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV- deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. (…) Naast deze financiële taak stelden [persoon 5] (1964) en [persoon 8] de tot hun woning aan de [adres 4] behorende schuur - gelet op de inrichting ervan - structureel ter beschikking om als "kantoor" te dienen.” En: “Het bestaan van een organisatie Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich — in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun “beroep” van te hebben gemaakt.” En: “Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie. Dat [belanghebbende] tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem tenlastegelegde – en hiervoor besproken — strafbare feiten waaruit, voor zover bewezenverklaard, blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. [belanghebbende] bewoog zich in verschillende takken van de criminele organisatie, namelijk op het terrein van de drugs, wapens en het witwassen. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [belanghebbende] daarbij concludeert het hof dat [belanghebbende] minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie was.” En: “De verdachte heeft in een periode van ruim anderhalf jaar deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van een breed scala aan delicten. De beoogde misdrijven betroffen onder andere drugsdelicten, wapendelicten, witwassen en (gekwalificeerde) diefstallen. De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde ‘kantoor’, gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden. Weliswaar komt uit het dossier niet naar voren dat de verdachte binnen de organisatie vaak zelfstandig opereerde of sturend optrad, het hof is desalniettemin van oordeel dat de verdachte binnen de organisatie wel een belangrijke rol had, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. Zelfstandig en sturend optreden deed namelijk in het bijzonder slechts één persoon binnen de organisatie: de leider [persoon 3] . De verdachte was geregeld op belangrijke momenten aanwezig in de schuur, had nauw contact met de diverse leden van het CSV (over strafbare feiten) en was zeer nauw betrokken bij (de uitvoering van) diverse ernstige strafbare feiten. De verdachte is bij kort gezegd vier drugsdelicten, witwassen en het voorhanden hebben van een groot aantal vuurwapens betrokken geweest. Van een beperkte of ondergeschikte rol in de criminele organisatie, is niet gebleken. (…) Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel. De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen. De verdachte is als lid van de criminele organisatie specifiek betrokken geweest bij de voorbereidingshandelingen ten behoeve van een import van een container waarin oorspronkelijk ruim 315 kilo cocaïne zat. Met betrekking tot deze voorbereidingshandelingen betrekt het hof bij de strafoplegging dat, hoewel na de inbeslagname door de douane van de container in de haven te Antwerpen nog slechts 400 gram cocaïne in de container bleek te zitten en alle voorbereidingshandelingen die daarna plaatsvonden om de cocaïne veilig te stellen dus daadwerkelijk slechts zagen op 400 gram cocaïne, het plan van de invoer en het vervoer van de container met cocaïne was gericht op 315 kilo. Verder is de verdachte betrokken geweest bij een transport van ruim 99 kilo MDMA, het opzettelijk verwerken en aanwezig hebben van MDMA en/of metamfetamine en de opzettelijke bewerking en verwerking van cocaïne. (…) Naast genoemde druggerelateerde delicten hield de organisatie zich ook op grote schaal bezig met de handel in (automatische) vuurwapens en munitie. De verdachte heeft daar actief aan bijgedragen door zich schuldig te maken aan het voorhanden hebben van een groot aantal vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie en het in elk geval op één moment verhandelen en overdragen van vuurwapens. (…) Voorts hield de organisatie zich bezig met het witwassen van crimineel geld. [persoon 5] (1964) en diens echtgenote [persoon 8] , de oom en tante van verdachte en tevens de broer respectievelijk schoonzuster van de leider van de organisatie, beheerden en voerden de administratie van de financiële ‘pot’ en bewaarden ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000. De verdachte was van het bestaan van de gezamenlijke ‘pot’ op de hoogte en ontving zelf ook geld uit de ‘pot’. (…) Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur (financieel) eigenbelang. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.” Motivering Omkering bewijslast 4. De inspecteur stelt dat belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur dient daarvoor aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat aan de aangifte inhoudelijke gebreken kleven en daardoor een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet wordt geheven. De rechtbank zal eerst beoordelen of de inspecteur dat aannemelijk heeft gemaakt. 4.1. De inspecteur stelt zich op grond van door hem opgestelde kasopstellingen (3.13) op het standpunt dat belanghebbende in ieder geval € 10.528,18 (2017), € 36.255,01 (2018) respectievelijk € 44.491,95 (2019) meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende veel meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en heeft dat inkomen niet aangegeven. Daarbij stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden. 4.2. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. Een kasopstelling kan een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde kasopstelling erin resulteert dat er sprake is van een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het geld waar iemand de beschikking over moet hebben gehad. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk; belanghebbende beschikt dan over meer geld dan waarover hij zou moeten kunnen beschikken als zijn belastingaangiften zouden kloppen. Indien er geen andere plausibele bron of verklaring is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend en dat inkomen niet is opgegeven. De kasopstellingen van de inspecteur zijn naar het oordeel van de rechtbank adequaat. De kasopstellingen zijn gedetailleerd en aan de in de kasopstelling opgenomen bedragen liggen steeds concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende significant, zowel absoluut als relatief, meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 heeft aangegeven. 4.3. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vermogensvergelijking op zichzelf niet betwist. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld dat volgt uit de kasopstellingen van de inspecteur, het negatief netto privé. Het is niet aan de inspecteur om te bewijzen uit exact welke bron deze gelden afkomstig zijn. Het is voldoende dat de inspecteur aannemelijk maakt, wat naar het oordeel van de rechtbank zo is, dat belanghebbende deze gelden verdiend heeft en niet heeft opgegeven bij de Belastingdienst. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2017, 2018 en 2019 in ieder geval € 10.528,18 (2017), € 36.255,01 (2018) respectievelijk € 44.491,95 (2019) meer aan belastbare inkomsten heeft genoten dan hij heeft aangegeven. 4.4. Het niet aangeven van inkomsten heeft ertoe geleid dat de volgens de aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangiften niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van het negatief netto privé zonder dat daar in de aangiften inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust was van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat hij buiten het zicht van justitie wilde blijven, maar niet de intentie had om de inkomsten – voor zover hier sprake van zou zijn – buiten het zicht van de inspecteur te houden. Ook al zou belanghebbende de inkomsten buiten het zicht van de inspecteur hebben gehouden, alleen zodat justitie niet op de hoogte zou geraken van de inkomsten, dan nog is dit een bewuste handeling geweest om inkomsten niet te vermelden waardoor te weinig belasting is geheven. 4.5. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 als de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019. Redelijk schatting 4.6. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2017, 2018 en 2019 onjuist zijn. 4.7. De rechtbank acht de schattingen van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de ROW-correcties gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.12). Daarbij is de inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende deel uitmaakte van het samenwerkingsverband, welke deelname gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijk twijfel is (zie 3.18). Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in dat jaar activiteiten ontplooide waarmee aanzienlijk inkomen werd gegenereerd. 4.8. De inspecteur is voor de hoogte van de schattingen aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich onder meer bezighield met drugs- en wapenhandel waarvan het algemeen bekend is dat het zeer lucratief kan zijn. De inspecteur gaat ervan uit dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd uit deze activiteiten om de zeer aanzienlijke uitgaven en investeringen voor de activiteiten te kunnen doen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een logische redenatie. 4.9. De aldus berekende bedragen vormen de basis van de aangebrachte ROW-correcties. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 10% van de gegeneerde inkomsten van het samenwerkingsverband aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn prominente rol in het samenwerkingsverband. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk en niet willekeurig dat de inspecteur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat belanghebbende 10% van de inkomsten van het samenwerkingsverband heeft genoten. Met hetgeen hij heeft gesteld, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet doen blijken dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld. 4.10. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correcties voor de jaren 2017, 2018 en 2019 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 blijven dus in stand. 4.11. De rechtbank merkt daarbij gelet op de discussie tussen partijen op dat zij gelet op de strafrechtelijke veroordeling en de concrete, gemotiveerde onderbouwing van de inspecteur, ook op grond van een normale bewijslastverdeling tot dit oordeel zou zijn gekomen. (Navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en belastingrentebeschikkingen 4.12. Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de (navorderings)aanslagen Zvw en de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen is daarom ook ongegrond. Boetes 4.13. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. 4.14. Verder zijn aan belanghebbende bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften IB/PVV 2018 en 2019 gedaan. 4.15. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat belanghebbende onjuiste aangiften IB/PVV 2018 en 2019 heeft gedaan. 4.16. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). 4.17. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het (minst genomen) aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat de aangiften IB/PVV 2018 en 2019 onjuist zijn gedaan. Belanghebbende heeft in 2017, 2018 en 2019 veel meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden en heeft daarvoor geen verklaring gegeven. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende bewust significant inkomen buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Gelet op de actieve rol die belanghebbende vervulde binnen het samenwerkingsverband (zie 3.18), is de rechtbank ervan overtuigd dat belanghebbende minst genomen een significant deel van dit financiële voordeel toekwam, welke gelden belanghebbende bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden (zie 4.4). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. 4.18. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank boetes van € 16.225 (2017), € 676.962 (2018) en € 424.886 (2019) als uitgangspunt passend en geboden. Aan de oplegging van die boetes staat niet in de weg dat de grondslag van deze boetes tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boetes te matigen. 4.19. De rechtbank ziet wel aanleiding om de boetes te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’), zoals belanghebbende heeft verzocht. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boetes moeten daarom als uitgangspunt worden gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval voor de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor deze boetes gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank de boetes vermindert tot € 14.602 (2017), € 674.462 (2018) en € 422.386 (2019). Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn 4.20. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 4.21. Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. 4.22. Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 1.000. 4.23. Omdat de bezwaarfase afgerond 28 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – niet te lang, komt de volledige vergoeding voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 zijn gegrond. Dat betekent dat de boetes worden verminderd tot € 14.602 (2017), € 674.462 (2018) en € 422.386 (2019). De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. 5.1. Omdat de beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht van in totaal € 51 terug. Wat betreft een eventuele proceskostenvergoeding is ter zitting gesteld dat de gemachtigde op grond van door de overheid gefinancierde bijstand – een toevoeging – deze procedure voert en belanghebbende daarom voor deze procedure afziet van het verzoek tot proceskostenvergoeding voor de verleende rechtsbijstand. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen die betrekking hebben op de uitspraken op bezwaar over de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en over de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 gegrond; verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019; vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot € 14.602; vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2018 tot € 674.462; vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 422.386; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, mr. drs. J.H. Bogert en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier mr. drs. S.J. Willems-Ruesink De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5461. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002225-21. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526. Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.