Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:819
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4099 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout (gemachtigde: mr. L.H.T. Hagebols). Procesverloop 1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 3 juli 2025 (bestreden besluit). 1.1. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen mr. L.H.T Hagebols namens het college. Eisers en hun gemachtigde zijn niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank 2. Eisers hebben op 11 december 2024 een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 januari 2025 buiten behandeling gesteld omdat eisers de door het college gevraagde gegevens met betrekking tot Marktplaatsadvertenties niet hebben overgelegd. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Met het bestreden besluit heeft het college aan eisers meegedeeld dat de aanvraag alsnog inhoudelijk is. Omdat het inkomen van eisers over de referteperiode niet kan worden vastgesteld hebben zij niet aannemelijk kunnen maken dat zij gedurende de referteperiode een langdurig laag inkomen hadden van niet meer dan 110% van de bijstandsnorm. Zij komen daarom niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. 3. Eisers stellen in beroep dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het college had op basis van de door eiser aangeleverde gegevens het (aanvullende) recht op bijstand (schattenderwijs) kunnen vaststellen en nader moeten onderzoeken of eisers een inkomen hebben gehad dat niet hoger is dan 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm. 4. Het college kan een individuele inkomstenstoeslag toekennen als de aanvragers in de referteperiode van drie jaar een laag inkomen hebben. Dit volgt uit artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015, gemeente Oosterhout. Het is aan de aanvragers om aannemelijk te maken dat zij voldoen aan de voorwaarden voor een individuele inkomstenstoeslag. Een van die voorwaarden is dat het inkomen gedurende de referteperiode lager dan 110% van de bijstandsnorm is geweest. 4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de referteperiode bij eisers sprake was van een onduidelijke financiële situatie. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. Uit de uitspraak van deze rechtbank van 25 november 2025 blijkt dat eisers via Marktplaats goederen verkochten in maanden die binnen de referteperiode vallen. In die uitspraak is overwogen dat het inkomen over die maanden niet kan worden vastgesteld omdat eisers geen deugdelijke administratie hebben overgelegd met betrekking tot de handel op Marktplaats. Een dergelijke administratie hebben eisers ook niet overgelegd bij hun aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag. Hieruit volgt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun inkomen in de referteperiode lager was dan 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm. Dit betekent dat niet aan de voorwaarden voor toekenning van een individuele inkomenstoeslag wordt voldaan. 4.2. Eisers hebben aangevoerd dat het college niet heeft getoetst of het schattenderwijs vaststellen van hun inkomen mogelijk is. De uitspraken waar eisers in dit kader naar hebben verwezen, zien op de intrekking van het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht. Dat is een andere situatie dan hier aan de orde is. De rechtbank komt tot de conclusie dat deze grond niet kan slagen. 4.3. Uit het voorgaande volgt dat de afwijzing van de aanvraag voor individuele inkomenstoeslag in stand kan blijven. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegr