Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:8140
Ontnemingsvonnis. Conform procesafspraken. Vordering toegewezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-225738-25 vonnis van de rechtbank d.d. 24 augustus 2026 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] (hierna: betrokkene) , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres], preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats]. Raadsman mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg. 1 De procedure Betrokkene is op 24 augustus 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de strafzaak met parketnummer 02-225732-25, onder andere veroordeeld voor het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. Er is geen schriftelijke voorbereidingsprocedure doorlopen. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, alsmede de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026. 2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne. Volgens de officier van justitie heeft betrokkene daarmee een voordeel behaald ter hoogte van € 75.000,00. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie van 2 april 2026. Tijdens het onderzoek ter zitting is gevorderd om, overeenkomstig de gemaakte procesafspraken, het voordeel vast te stellen op € 75.000,00 en een betalingsverplichting tot dat bedrag op te leggen. 3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de ontnemingsvordering af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen. 4 De procesafspraken 4.1 De overeengekomen procesafspraken Deze ontnemingszaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de zaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd op 2 juli 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de zaaksofficier van justitie als die van betrokkene en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak. De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang in dat het Openbaar Ministerie ter zitting zal rekwireren tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 75.000, en tot oplegging van een betalingsverplichting ter hoogte van dat bedrag. De gehele overeenkomst procesafspraken Openbaar Ministerie en verdachte inzake de ontneming in onderzoek Martini is als bijlage aan dit vonnis gehecht. 4.2 Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank stelt vast dat betrokkene bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Betrokkene is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 7 juli 2026, alwaar de inhoud van de procesafspraken is besproken. De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de ontnemingszaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. De officier van justitie, de raadsman en betrokkene hebben ter zitting allen bevestigd achter de procesafspraken te staan. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij deze met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Betrokkene begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen ontnemingsmaatregel en betalingsverplichting zoals deze zijn voorgesteld. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan betrokkene op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken. 5 Het oordeel van de rechtbank 5.1 Grondslag van de ontneming De rechtbank hanteert als grondslag voor de beoordeling van de vordering artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit het tweede lid van artikel 36e Sr volgt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Zoals hiervoor al is overwogen is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2026 voor onder meer het medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr heeft genoten. 5.2 De beoordeling De rechtbank heeft acht geslagen op de berekening van het wederrechtelijk voordeel door de politie van 2 april 2026. Hierin is voldoende inzichtelijk gemaakt op welke manier het te ontnemen bedrag tot stand is gekomen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de toelichting op de ontnemingsberekening, die is opgenomen in de procesafspraken en die door alle daarbij betrokken procespartijen is onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening gegrond op de bewezenverklaarde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen. Tevens is daarin op juiste wijze het aandeel van betrokkene verdisconteerd. Dit betekent dan ook dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een totaalbedrag van € 75.000,00 en de betalingsverplichting zal vaststellen op datzelfde bedrag. 6 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7 De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) ; - legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) , ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Kroes en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.