Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:814
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-187364-23 Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het [woonadres] , raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3, 5, 6, 10, 12 en 13 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op dezelfde zittingsdagen zijn inhoudelijk behandeld de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02/165966-23 en 02/016557-24), [medeverdachte 2] (02/187965-23), [medeverdachte 3] (02/155746-23), [medeverdachte 4] (02/111677-23), [medeverdachte 5] (02/111537-23) en [medeverdachte 6] (02/071660-25 en 16/238608-24). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is op 3 en 10 november 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (samen met een of meer anderen): feit 1: in de periode van 25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023 meerdere personen heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude; feit 2: in de periode van 31 juli 2021 tot en met 1 augustus 2023 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie; feit 3: in de periode van 25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023 misbruik heeft gemaakt van persoonsgegevens; feit 4: in de periode van 26 juni 2022 tot en met 13 juni 2023 lijsten met persoons- en adresgegevens, telefoonnummers, bankrekeningnummers en e-mailadressen (‘leads’) voorhanden heeft gehad, bestemd voor het plegen van die bankhelpdeskfraude; feit 5: in de periode van 26 juni 2022 tot en met 1 juli 2022 computervredebreuk heeft gepleegd. 3 De voorvragen 3.1. De geldigheid van de dagvaarding 3.1.1. Het standpunt van de verdediging Primair voert de verdediging aan dat de dagvaarding, voor zover die ziet op de tabel, nietig moet worden verklaard. De inhoud van die tabel is onduidelijk geformuleerd en onvoldoende feitelijk in het licht van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Subsidiair verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie te verplichten om alle aangevers over te nemen uit de tabel en te specificeren in de tenlastelegging. 3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat de dagvaarding voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv. Voor verdachte is voldoende duidelijk waartegen zij zich moet verdedigen. 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 261 Sv moet de tenlastelegging, op straffe van nietigheid, een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, alsmede de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, zodat duidelijk is waartegen de verdachte zich dient te verdedigen. De begrijpelijkheid van de tenlastelegging moet verder worden bezien tegen de achtergrond van het dossier. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van het verweten feit voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. De omschrijving is, bezien tegen de achtergrond van het dossier en met name de ingevoegde tabel, voldoende duidelijk en feitelijk. In die tabel zijn immers de namen van de vermeende slachtoffers van de oplichting, de weggenomen bedragen en de pleegdata opgenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en is van oordeel dat de dagvaarding in zijn geheel geldig is. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om op het subsidiaire verweer van de verdediging in te gaan. 3.2. De overige voorvragen De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 Voorwaardelijk verzoek van de verdediging De rechtbank zal hierna meerdere aangiftes gebruiken in de bewijsconstructie. Om deze reden wordt hieronder eerst ingegaan op het voorwaa Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd en gewogen. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat voldoende compenserende factoren bestaan. In deze zaak leidt dit toetsingskader tot de volgende overwegingen. (i) De reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend De Hoge Raad heeft in haar arrest op 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:576) overwogen dat geen sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. In dit geval hebben de aangevers allen, onafhankelijk van elkaar, verklaard dat zij zijn gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van een bank, waarna de aangevers zijn overgegaan tot het overmaken van een bepaald geldbedrag. Sommige aangevers hebben daarbij namen (aliassen) van de betreffende medewerkers genoemd, en soms alleen dat er sprake was van een man, een vrouw, twee mannen of een combinatie van deze personen (en namen). De rechtbank constateert dat de inhoud van de verklaringen van aangevers dat zij zijn gebeld door een of meer personen die zich voordeden als bankmedewerkers en dat de aangevers hierdoor zijn bewogen geld over te maken en dus zijn opgelicht in zoverre niet is betwist. De kern van het verwijt, te weten de oplichting, wordt dus niet betwist. Gelet op de enigszins aangevulde onderbouwing kan op dit moment in het proces niet zonder meer gezegd worden dat het volstrekt irrelevant is om deze aangevers te horen. Om die reden dient de rechtbank te beoordelen wat het gewicht van deze verklaringen is in het licht van de gehele bewijsconstructie. (ii) Het gewicht van de verklaring van de getuigen Onderzoek ‘Lawrencium’ is gestart nadat veertien personen in een korte periode waren opgelicht, die met elkaar in verband konden worden gebracht. Na verder onderzoek zijn meerdere verdachten in beeld gekomen ( [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ). Uiteindelijk heeft de politie nog eens 290 aangiftes aan één of meer van deze verdachten gekoppeld. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van verdachten niet zozeer volgt uit de aangiftes op zich, maar met name uit andere (technische) bewijsmiddelen, zoals gegevens die uit de in beslag genomen telefoons/laptops van verdachten naar voren zijn gekomen, rekeningafschriften, e-mails met daarin betaallinks of een afspraakbevestiging, telefoonnummers (IMEI-nummers) waarmee de aangevers gebeld zijn en (facturen van) bestellingen die door aangevers betaald zijn. Bovendien heeft [verdachte] bekend gebruik te hebben gemaakt van een door aangevers genoemde alias en zich bezig te hebben gehouden met bankhelpdeskfraude. Voor het bewijs van de betrokkenheid van de desbetreffende verdachten kent de rechtbank dan ook minder gewic De politie is strafrechtelijk onderzoek “Lawrencium” gestart om deze fraudegevallen te onderzoeken. De onderzoeksresultaten leidden ertoe dat er uiteindelijk 306 aangiftes met elkaar in verband zijn gebracht, waarbij een dadergroep in beeld is gekomen. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn hierbij als verdachten aangemerkt. 5.4.1. Modus operandi Uit het dossier Lawrencium blijkt dat in een groot aantal gevallen van de tenlastegelegde bankhelpdeskfraudes sprake is van eenzelfde modus operandi. Deze modus operandi was de volgende. De aangevers waren steeds ouderen, met name vrouwen, variërend in de leeftijd van 60 tot en met 90 jaar. Zij werden gebeld met een gespooft of anoniem telefoonnummer. Degene die belde, deed zich voor als medewerker van de fraudeafdeling van de bank en stelde zich voor onder een alias ( [alias 1] , [alias 2] , [alias 3] , [alias 4] ). Tijdens het gesprek werd de aangevers voorgehouden dat er een verdachte transactie op hun rekening had plaatsgevonden of dat was geprobeerd geld van hun rekening af te halen en dat de bank hen wilde helpen om het geld terug te vorderen danwel veilig te stellen. Daarbij werd veelal de naam van [persoon 1] , al dan niet in combinatie met België, gebruikt als degene naar wie het geld zou worden overgemaakt. De aangevers werden (uren)lang aan de telefoon gehouden en soms doorverbonden met een andere zogenaamde bankmedewerker. Tijdens het gesprek ontvingen de aangevers e-mails of WhatsApp-berichten met daarin (vaak via Marktplaats gegenereerde) betaallinks. Deze e-mails waren afkomstig van een e-mailadres, waarin de naam van de bank in combinatie met “fraudeafdeling” werden gebruikt. De aangevers werden verzocht om op die betaallinks in de e-mails te klikken. De aangevers waren in de veronderstelling dat zij daarmee de bedragen terugvorderden en/of veiligstelden. In werkelijkheid verrichtten zij zelf betalingen. De aangevers werden vervolgens verzocht om de volgende dag met een bepaalde code naar het dichtstbijzijnde filiaal van de bank te gaan, waar de bankmedewerker voor hen een afspraak had gemaakt om het geld terug te krijgen. De aangevers ontvingen van deze afspraak per e-mail een bevestiging met het adres van het filiaal waar de afspraak gepland stond. Op het moment dat de aangevers zich bij de bank meldden, bleek er helemaal geen afspraak te zijn. De rechtbank beschouwt bovenstaande modus operandi als de basiswerkwijze, waarbij zij constateert dat in bepaalde periodes, binnen het tijdsbestek waarin deze 306 aangiftes zijn gedaan, op een andere manier hieraan invulling is gegeven. De rechtbank bedoelt daarmee bijvoorbeeld dat op sommige momenten pinpassen fysiek werden opgehaald waarmee werd gepind, dat op andere momenten gebruik werd gemaakt van de app Anydesk, of geld werd overgemaakt naar Online Payments Foundation, of met het geld bestellingen werden geplaatst bij online webshops. Zo werd een periode lang besteld bij Megekko en Dyson, een periode lang bij Arts & Craft en een periode lang bij Amazon en MediaMarkt. In meerdere gevallen werd aan de aangevers ook een persoonlijke code doorgegeven, bestaande uit een aantal letters met daarachter hun geboortedatum. De code begon vaak met het woord ‘ Thylon ’. Aanknopingspunten voor deze dadergroep Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een aangifte van [aangeefster 2] op 31 maart 2023. Zij werd gebeld door iemand die zich voorstelde als meneer [alias 1] van de fraudeafdeling van de Rabobank en zij ontving meerdere e-mails afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres 1] , met daarin steeds een betaallink. In totaal heeft zij een bedrag van € 12.102,- overgeschreven naar het [rekeningnummer 1] op naam van Online Payments Foundation. Tussen 27 maart 2023 en 3 april 2023 (de “onderzoeksweek”) zijn nog dertien aangiftes gedaan waarin sprake was van een soortgelijke oplichting. Vaak werden bedragen in meerdere transacties overg Uit de bankafschriften van beide rekeningen van [medeverdachte 4] blijkt dat er meermalen overboekingen hebben plaatsgevonden naar Coinbase, buitenlandse rekeningen en naar diverse rekeningen in gebruik bij [medeverdachte 6] . [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn op 1 augustus 2023 aangehouden. Daarbij zijn hun woningen doorzocht en zijn telefoons en laptops in beslag genomen en door de politie onderzocht. Sinds hun aanhouding is er geen enkele aangifte meer binnengekomen van bankhelpdeskfraude door medewerkers van banken met de namen [alias 1] , [alias 4] , [alias 2] en [alias 3] . Op een later moment zijn [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aangehouden, waarbij ook gegevensdragers in beslag zijn genomen. Op de in beslag genomen gegevensdragers zijn zaken aangetroffen die direct te relateren zijn aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. De bevindingen hiervan alsmede overige onderzoeksbevindingen (gebruikte telefoonnummers, e-mailadres, aliassen) zullen hierna worden besproken en dienen als vertrekpunt bij de beoordeling van het bewijs. 5.4.2. Gebruikte telefoonnummers Het nummer waarmee aangevers werden gebeld, betrof vaak een gespooft telefoonnummer. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de bankhelpdeskfraude van onderstaande gespoofte telefoonnummers gebruik hebben gemaakt. [medeverdachte 1] Telefoonnummer Genoemd in aangifte met zaaknummer - [telefoonnummer 4] - [telefoonnummer 5]- [telefoonnummer 6]- [telefoonnummer 7]- [telefoonnummer 8]- [telefoonnummer 9]- [telefoonnummer 10] - [telefoonnummer 1] - [telefoonnummer 11]- [telefoonnummer 12] - [telefoonnummer 13] - [telefoonnummer 14] - [telefoonnummer 15] - [telefoonnummer 16]- [telefoonnummer 17]- [telefoonnummer 18]- [telefoonnummer 19] - [telefoonnummer 20] - [telefoonnummer 21] - [telefoonnummer 22]- [telefoonnummer 23] - [telefoonnummer 24] - [telefoonnummer 25]- [telefoonnummer 26]- [telefoonnummer 27] - [telefoonnummer 28]- [telefoonnummer 29] - [telefoonnummer 30] - [telefoonnummer 31]- [telefoonnummer 32] - [telefoonnummer 33] - [telefoonnummer 34] - [telefoonnummer 35] - [telefoonnummer 36] - [telefoonnummer 37] - [telefoonnummer 38] - [telefoonnummer 39] 2, 6, 10, 11, 17, 20, 32, 34, 43, 44, 47, 54, 56, 57, 59, 63, 66 en 67 21 34 34, 111 en 188 61 66 69 en 180 73, 76, 77, 80, 82, 84 en 85 77, 185, 186 en 190 81 88, 90 en 91 95, 107, 111, 118 en 119 99 100 104 112 129 129 129, 135 en 139 133, 148 en 150 141 142 145, 153, 154 en 155 161 en 169 188 188 189, 191, 194, 207 en 211 197 200 217 218 en 220 226 238 240, 241 en 243 261 275 en 277 276 [verdachte] Telefoonnummer Genoemd in aangifte met zaaknummer - [telefoonnummer 4]- [telefoonnummer 5] - [telefoonnummer 7]- [telefoonnummer 8] - [telefoonnummer 10] - [telefoonnummer 1]- [telefoonnummer 12]- [telefoonnummer 13]- [telefoonnummer 14]- [telefoonnummer 15] - [telefoonnummer 17] - [telefoonnummer 18] - [telefoonnummer 24] - [telefoonnummer 40] - [telefoonnummer 22] - [telefoonnummer 25] - [telefoonnummer 34] 10, 11, 16, 17, 20, 22, 34, 38, 43, 54, 58, 59, 63, 67 21 34 en 111 61 69 70, 76, 77, 80, 82, 84 en 85 81 88, 91 95, 111, 118 en 188 99 104 112 142 144 148, 150 en 161 153 en 155 226 [medeverdachte 2] Telefoonnummer Genoemd in aangifte met zaaknummer - [telefoonnummer 41] - [telefoonnummer 8] - [telefoonnummer 42] - [telefoonnummer 35] - [telefoonnummer 38] - [telefoonnummer 39] 31 61 233 237 275 276 De gespoofte telefoonnummers komen terug in zaken waarin de aangevers met de aliassen [alias 1] , [alias 2] , mevrouw [alias 3] en/of de heer [alias 4] (of een variant daarop) hebben gesproken en/of e-mails hebben ontvangen afkomstig van één van de hierna te noemen e-mailadressen en/of een code beginnend met het woord ‘ Thylon ’ hebben doorgekregen. In zaken waarin de aangevers zijn gebeld met het gespoofte telefoonnummer [telefoonnummer 4] en met een Overigens is een plausibele andere verklaring over de reden waarom deze afbeeldingen op de gegevensdragers zijn aangetroffen uitgebleven. Gelijkende e-mailadressen De rechtbank gaat er vanuit dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook gebruik hebben gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres 11] . Dit e-mailadres vertoont namelijk grote gelijkenissen met het e-mailadres [e-mailadres 7] dat op de telefoon en laptop van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het e-mailadres [e-mailadres 11] komt daarnaast voor in de aangiftes met zaaknummers 39, 40, 64, 65 en 67. De aangevers in die zaken verklaren te hebben gesproken met [alias 1] (of een variant daarop) (zaken 39, 64 en 65), [alias 2] (zaken 40 en 67) en/of mevrouw [alias 3] (zaken 64 en 67), aliassen waarvan de rechtbank hierna zal overwegen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hiervan gebruik maakten. De rechtbank schrijft ook het e-mailadres [e-mailadres 12] aan [medeverdachte 1] toe. Dit e-mailadres wordt in de aangiftes met zaaknummers 32 en 33 genoemd. De beller stelde zich ook in die zaken voor als [alias 1] (zaak 32) respectievelijk [alias 2] (zaak 33). De aangever in zaak 33 heeft geld overgeboekt naar een rekening op naam van Larstal Limited. In zaak 34 is hier ook geld naartoe overgemaakt. In die laatste zaak ontving de aangever e-mails met betaallinks vanaf het e-mailadres [e-mailadres 7] , welk e-mailadres dus op de gegevensdragers van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Partiële vrijspraak Te zien is dat bepaalde e-mailadressen door meerdere verdachten zijn gebruikt. Zoals bijvoorbeeld [e-mailadres 1] dat zowel op de iPhone van [medeverdachte 1] , als van [medeverdachte 2] is aangetroffen. De rechtbank zal daarom in de zaken waarin de aangevers hebben gesproken met een mannelijke beller maar geen alias hebben genoemd en e-mails hebben ontvangen vanaf één van de hierboven genoemde e-mailadressen die bij zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] voorkomen, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vrijspreken omdat zij niet kan vaststellen wie er in die zaken heeft gebeld. 5.4.4. Gebruikte aliassen Uit de aangiftes komen vier door de “bankmedewerkers” gebruikte aliassen naar voren, te weten [alias 1] , [alias 3] , [alias 2] en [alias 4] . De rechtbank koppelt deze aliassen aan de verdachten en licht dit toe. Stemherkenning In het dossier bevinden zich meerdere geluidsfragmenten. Ook zijn er van verschillende oplichtingsgesprekken geluidsopnames gemaakt. Zo is het gesprek van 20 maart 2023 met aangeefster [aangeefster 1] opgenomen. Zij werd gebeld door onder meer “ [alias 2] ” en “mevrouw [alias 3] ” van ING. Verbalisanten herkennen de stemmen van [medeverdachte 1] en [verdachte] ( [alias 3] ) in dat geluidsfragment. De stem van [medeverdachte 2] is door verbalisanten herkend tijdens het telefoongesprek met aangeefster [aangeefster 6] , waarin hij zich uitgaf als bankmedewerker [alias 4] . Overig bewijs - T.a.v. [verdachte] Ter zitting heeft [verdachte] verklaard gebruik te hebben gemaakt van de alias [alias 3] , in ieder geval in de zaak [aangeefster 1] . In de telefoon van [verdachte] is een belscript voor een oplichtingsgesprek aangetroffen, waarin de naam “ [alias 3] ” wordt gebruikt in combinatie met de fraudeafdeling van Rabobank. - T.a.v. [medeverdachte 1] In de telefoon van [medeverdachte 1] is een afbeelding aangetroffen waarop is te zien dat is ingelogd met het e-mailadres [e-mailadres 21] . Voor wat betreft het gebruik van de alias “ [alias 2] ” door [medeverdachte 1] overweegt de rechtbank als volgt. In de zaak van aangever Veen (zaaknummer 24) heeft de aangever verklaard te zijn gebeld door [alias 2] , werkzaam bij ABN AMRO, waarna met zijn geld een bestelling bij Samsung is gedaan onder het e-mailadres [e-mailadres 22] . Dit e-mailadres is op de (MSI-)laptop van [medeverdachte 1] aangetroffen. Voorts is bijvoorbeeld in de zaak [aangever 1] (zaaknummer 95) de aangever onder meer gebeld door [alias 2] , werkzaam bij Rabobank. De aangever kreeg een “terugvorderin Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 3] degene was die dingen kon “fiksen”. Uit de opgevraagde gegevens van Thuisbezorgd.nl volgt voorts dat medeverdachten, op dagen waarop oplichtingsgesprekken zijn gevoerd, eten bestelden op het adres van [medeverdachte 1] , alwaar het belcentrum was ingericht. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld op de aangiftes van [aangeefster 8] en [aangeefster 9] , waarvan de rechtbank concludeert dat deze oplichtingsgesprekken zijn gevoerd door [medeverdachte 2] , onder de alias [alias 4] . In veel gevallen werd aan de aangevers ook een code verstrekt beginnend met het woord ‘ Thylon ’. De aangevers werden verzocht om met die code naar het dichtstbijzijnde filiaal van de bank te gaan om het geld veilig te stellen. De code ‘ Thylon ’ komt vaak voor in combinatie met een door [medeverdachte 1] gebruikte alias. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 1] als enige gebruik heeft gemaakt van deze code. Omdat de code ‘ Thylon ’ zo specifiek en kenmerkend is, gaat de rechtbank er ook vanuit dat [medeverdachte 1] zich als bankmedewerker heeft uitgegeven in die zaken waarin deze code is verstrekt en aangevers hebben gesproken met een mannelijke bankmedewerker, maar geen alias hebben genoemd. De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in samenhang bezien met de vaststellingen ten aanzien van de gebruikte e-mailadressen, telefoonnummers en aliassen, dan ook dat [medeverdachte 1] als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, hetgeen nader is uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Zijn rol bleef niet beperkt tot het louter voeren van oplichtingsgesprekken. Hij bemoeide zich ook actief met het voortraject (vergaren van leads) en het natraject (uitcashen). Hiervoor stond hij in nauw contact met meerdere medeverdachten, onder wie [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat zij wel op enige manier betrokken is geweest bij deze bankhelpdeskfraude, maar zeker niet in alle tenlastegelegde gevallen. Ze heeft belgesprekken gevoerd en herkent haar eigen stem in het gesprek met [aangeefster 1] waarbij zij als alias “ [alias 3] ” heeft gebruikt. Dit gesprek heeft ze samen met [medeverdachte 1] gevoerd, met wie ze een relatie had en via wie ze hierbij betrokken is geraakt. Ze weet niet meer wanneer ze precies hiermee is begonnen en wil niet over anderen verklaren. Op de telefoon van [verdachte] zijn meerdere zaken aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Hierbij valt te denken aan de grote hoeveelheid chatgesprekken met [medeverdachte 1] over aangevers en betaallinks, belscripts, leads en notities met persoonsgegevens en e-mailadressen van aangevers en daarbij de namen van ABN AMRO bank, ING en Rabobank. Uit de grote hoeveelheid aangetroffen chats blijkt dat [verdachte] nauw samenwerkte met [medeverdachte 1] , waarbij hij haar opdrachten gaf en ondersteunde als zij oplichtingsgesprekken voerde. Hieruit volgt dat [verdachte] door [medeverdachte 1] is opgeleid als beller en vervolgens als beller betrokken was bij een groot aantal gevallen van bankhelpdeskfraude, waarbij zij een belscript hanteerde, gebruik maakte van leads en van specifiek voor oplichting gecreëerde e-mailadressen. Hierbij onderhield zij nauw contact met meerdere medeverdachten, en met name met [medeverdachte 1] , die op dat moment ook haar partner was. Tijdens het bellen maakte zij gebruik van een alias. Ook blijkt uit het dossier dat [verdachte] , zoals ten aanzien van de computervredebreuk zal worden overwogen, actief betrokken was bij het verwerven van nieuwe leads bij haar oude werkgever. De rechtbank concludeert, op basis van het voorgaande in samenhang bezien met de vaststellingen ten aanzien van de gebruikt Hij heeft daarbij e-mailberichten naar aangevers gestuurd door gebruikmaking van verschillende e-mailadressen van zogenaamde fraudeafdelingen van diverse banken. Hierbij onderhield hij - in periodes - nauw contact met meerdere medeverdachten, waaronder met name [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] Op de iPhone 13 die in onderzoek Gamila in beslag is genomen zijn meerdere berichten, foto’s en screenshots aangetroffen die direct zijn te relateren aan aangiftes van bankhelpdeskfraude in onderzoek Lawrencium. Zo zijn er op de telefoon de gegevens van [persoon 2] aangetroffen. Op 28 december 2021 heeft slachtoffer [aangeefster 10] (zaak 297) geld overgemaakt naar een bankrekening op naam van [persoon 2] . Daarnaast blijkt uit de berichten met [persoon 3] , uit november 2021, dat [medeverdachte 3] zich als een regelaar/verbinder heeft gedragen en verschillende schakels in de keten van bankhelpdeskfraude heeft verzorgd. Zoals hiervoor al is vastgesteld, waren aan het rekeningnummer van [medeverdachte 5] Dienstverlening twee e-mailadressen gekoppeld, te weten: [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] . Deze e-mailadressen zijn gebruikt voor Marktplaatsadvertenties waarmee betaallinks zijn gecreëerd. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 2] heeft zich geregistreerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 43] . Dat telefoonnummer komt terug in de telefoongegevens van [medeverdachte 6] , onder de naam ‘ [alias 16] ’. Van [alias 16] kreeg [medeverdachte 6] opdrachten om bestellingen bij MediaMarkt op te halen. Ook vroeg ’ [alias 16] ’ [medeverdachte 6] om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, werden Marktplaats betaalverzoeken en betaallinks heen en weer gestuurd met een omschrijving: “annulering” en werd gevraagd om handelingen te doen op crypto.com of SwissBorg. Op basis van een audiogesprek dat is vergeleken met spraakberichten van [medeverdachte 3] is de rechtbank van oordeel dat [alias 16] [medeverdachte 3] betreft en daarmee de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [nummer] en het e-mailadres [e-mailadres 2] . Voorts volgt uit het dossier dat [medeverdachte 3] - in ieder geval - op 1 april 2023 de pinpas van de zakelijke bankrekening van [medeverdachte 5] in zijn bezit had en daarmee geld heeft gepind. In de iPhone 13 staan chatgesprekken met “ [alias 6] ”, van wie de rechtbank vaststelt dat dit [medeverdachte 1] betreft. Uit deze chatgesprekken volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met elkaar bespraken welke bestellingen gedaan moesten worden met het weggenomen geld, dat over leads gesproken werd en dat [medeverdachte 3] degene was die dingen kon “fiksen”. Dergelijke “fiks-gesprekken” volgen ook uit de aangetroffen chatgesprekken in de aangetroffen telefoon van [medeverdachte 2] . De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 3] degene is geweest die [medeverdachte 5] heeft benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, dat hij geld van die rekening heeft gepind en doorgesluisd, dat hij (“ [alias 16] ”) opdrachten aan [medeverdachte 6] heeft gegeven om pakketjes op te halen, dat hij ook anderen regelde om pakketjes op te halen, dat hij Marktplaatsaccounts heeft gegenereerd en betaallinks heeft gecreëerd, dat hij andere verdachten van leads heeft voorzien en dat hij (mede) heeft bepaald wat er werd besteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zijn rol kan worden geduid als “spin in het web” en dat deze daarmee van aanzienlijke en cruciale betekenis was. [medeverdachte 4] De rechtbank constateert op basis van het dossier dat [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze bankhelpdeskfraude. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is benaderd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen en dat [medeverdachte 4] “ [alias 17] ” wordt genoemd. Dit volgt ook uit proces-verbaal nummer 75 waaruit blijkt dat ene “ [alias 18] ” gegevens in de app deelt, die rechtstreeks naar [medeverdachte 4] te herleiden zijn. De rechtbank g De rechtbank concludeert dat de rol van [medeverdachte 5] beperkt is gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Hij kon zien wat voor geldbedragen er op de bankrekening werden gestort en waar die geldbedragen vandaan kwamen. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij pakketjes heeft opgehaald bij MediaMarkt in opdracht van anderen en dat hij deze vervolgens heeft afgestaan. Hij heeft voor ieder opgehaald pakketje € 150,- gekregen. Hij is in ieder geval bij MediaMarkt in Heerhugowaard, bij MediaMarkt in Leeuwarden en, samen met [persoon 4] , bij MediaMarkt in Utrecht geweest. De pakketjes konden alleen worden opgehaald als zijn naam erop stond. Hij moest zich namelijk telkens legitimeren. Hij heeft verklaard dat hij niet wist dat de pakketjes met geld afkomstig van oplichting waren betaald. Van het door Online Payments Foundation via [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 4] doorgestorte geld is uiteindelijk vanaf zowel de privé bankrekening als van de zakelijke bankrekening van [medeverdachte 4] geld op de rekening van [medeverdachte 6] gestort. Uit de chatgesprekken met “ [alias 18] ” ( [medeverdachte 4] ) en “ [alias 16] ” ( [medeverdachte 3] ) die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] volgt dat hij van hen opdrachten kreeg om bestellingen bij verschillende vestigingen van de MediaMarkt op te halen, adressen te fiksen en een betaalrekening te openen. Tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] werden Marktplaats betaalverzoeken en betaallinks heen en weer gestuurd met een omschrijving: “annulering”, en er werd gevraagd om handelingen te doen op crypto.com of SwissBorg. De rechtbank concludeert dat deze rol als “ophaler van pakketten” en daarmee, ten opzichte van de andere verdachten, als een kleinere rol kan worden geduid. 5.4.6. Gebruik schakelbewijs Juridisch kader schakelbewijs In de gevallen waarin de verklaringen van aangevers niet voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, rijst de vraag of de bewezenverklaring voor die feiten op voldoende grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen onder omstandigheden als steunbewijs is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte (ook wel aangeduid als modus operandi). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, het handelen van de verdachte en de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als een feit afzonderlijk - dus los van de schakelbewijsconstructie - niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank is van oordeel dat - anders dan door de verdediging bepleit - sprake is van een zodanig herkenbare, specifieke en op essentiële onderdelen overeenkomende werkwijze, dat gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs. De rechtbank zal daartoe dan ook in enkele gevallen bij de bewezenverklaring overgaan, zoals volgt uit de bewijsmiddelen. 5.4.7. Medeplegen oplichting 5.4.7.1. Het juridisch kader Naar vaste jurisprudentie kan de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake Zij zal verdachte daarom van die zaken vrijspreken. 5.4.8. Vrijspraken Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de volgende zaak het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat [verdachte] daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken: zaak 13. De rechtbank zal [verdachte] in de volgende zaken eveneens vrijspreken, omdat er ofwel geen sprake is van een voltooid delict (poging), ofwel bepaalde aangiftes niet voor het bewijs worden gebruikt (zie paragraaf 4.3.2.). Dit betekent dat [verdachte] zal worden vrijgesproken in de volgende zaken: zaak 4; zaak 37; zaak 41; zaak 42; zaak 46; zaak 52; zaak 62; zaak 72; zaak 89; zaak 90; zaak 101; zaak 110; zaak 137; zaak 149; zaak 151; zaak 168; zaak 171; zaak 188; zaak 209; zaak 219; zaak 220; zaak 258. 5.4.9. Bewezenverklaringen De rechtbank komt in de overige zaken tot een bewezenverklaring, ook in de zaken waarin door een ander dan het slachtoffer aangifte is gedaan en per abuis de naam van de aangever in de tenlastelegging is opgenomen. Uit de aangifte en de stukken blijkt voldoende duidelijk van wiens rekening geld is weggenomen. 5.5. Medeplegen misbruik van identificerende gegevens feit 3 5.5.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] misbruik heeft gemaakt van identificerende gegevens van een ander door gebruik te maken van de aliassen “ [alias 1] ”, “ [alias 2] ”, “mevrouw [alias 3] ” en “ [alias 4] ”. 5.5.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit primair vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de namen “ [alias 4] ”, “ [alias 7] ” en “ [alias 2] ” heeft gebruikt. Ook is het gebruik van de naam “mevrouw [alias 3] ” niet strafbaar in de zin van artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). 5.5.3. Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 231b Sr is strafbaar degene die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. Dit wetsartikel is ingevoerd om identiteitsfraude tegen te gaan, waarvan de mensen wiens identiteit wordt “gestolen” de dupe kunnen worden. Het moet dan gaan om personen die daadwerkelijk bestaan, niet om fictieve personen. Vast is komen te staan dat verdachte de alias “mevrouw [alias 3] ” heeft gebruikt en dat haar medeverdachten de aliassen “ [alias 1] ”, “ [alias 2] ” en “ [alias 4] ” hebben gebruikt. Echter, niet is gebleken dat deze personen daadwerkelijk bestaan dan wel dat enig nadeel kon ontstaan door het gebruik van de aliassen door [verdachte] en haar medeverdachten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit. 5.6. Voorhanden hebben/overdragen van leads feit 4 5.6.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte leads voorhanden heeft gehad, die zijn gebruikt voor het plegen van oplichtingen. 5.6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit primair vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte leads voorhanden heeft gehad. Subsidiair wordt vrijspraak bepleit voor het subsidiair ten laste gelegde feit, omdat niet is gebleken dat verdachte de gegevens heeft verworven of voorhanden heeft gehad. 5.6.3. Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier volgt dat er door verdachte en de medeverdachten veel werd gesproken over leads. In een chatgesprek met [medeverdachte 1] op 25 juni 2022 stuurt verdachte dat ze weer wil gaan werken bij [bedrijf 2] en dan [medeverdachte 1] wat lijstjes kan geven. De dag erna heeft zij daadwerkelijk bij [bedrijf 2] ingelogd en stuurt ze naar [medeverdachte 1] een pri De voor de keten noodzakelijke handelingen werden door verschillende verdachten verricht, die in contact met elkaar stonden, ieder om hun eigen rol bij de bankhelpdeskfraude te kunnen uitvoeren voor het gezamenlijke doel: in korte tijd zoveel mogelijk geld van de bankrekeningen van de aangevers halen. Vervolgens werd ‘de opbrengst’ verdeeld onder de verdachten. Uit het dossier blijkt dat gedurende ruim anderhalf jaar vele bankhelpdeskfraudes met de hiervoor beschreven modus operandi zijn gepleegd en dat daarbij veelal dezelfde personen, te weten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , op wisselende momenten en in deels wisselende samenstelling, betrokken waren. Binnen het samenwerkingsverband waren verschillende activiteiten te onderscheiden, zoals het kopen van leads, het regelen van bankpassen en bankrekeningen, het aanmaken van e-mailadressen en betaallinks, het bellen van de aangevers, het versturen van e-mails met betaallinks en afspraakbevestigingen naar de aangevers, het doorsluizen van het geld, het bestellen van goederen en het ophalen van die goederen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat ieder zijn eigen rol had binnen de organisatie. Daarom hadden zij elkaar ook nodig en voerden zij - zo blijkt uit chatgesprekken - regelmatig overleg, onder meer over (het veranderen van) de werkwijze, waar de goederen besteld en opgehaald moesten worden en het regelen van nieuwe leads. Ze gebruikten veelvuldig dezelfde e-mailadressen en gespoofte telefoonnummers. Leads werden onderling met elkaar gedeeld. Uit voornoemde handelwijze blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, dat tot oogmerk had om bankhelpdeskfraude te plegen. Dat sprake was van zo’n samenwerkingsverband, vindt steun in een chat van [medeverdachte 3] : ‘ Ik heb een organisatie die abn ophaaalt. 10k altijd gegarandeerd. Alleen ze betalen 33 p uit’ en ‘ Broer, die bestelling is kanker heet. Bij reclassering hebben ze gezegd: we weten dat je dit en dat hebt gedaan. Maarja squid games, we hebben genoeg spelers. [persoon 5] . Hij kan geofferd worden. Geen probleem’ . Vanaf januari 2022 werden er bijna dagelijks/wekelijks aangiftes gedaan van bankhelpdeskfraude gepleegd door [alias 1] , [alias 2] , mevrouw [alias 3] en de heer [alias 4] . In totaal werden er 306 aangiftes gevonden. De aangiftes zijn gestopt na hun aanhouding. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] kan worden aangemerkt als een deelnemer van voornoemde organisatie. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [verdachte] de aangevers gebeld. Daarnaast heeft zij leads voorhanden gehad en ingelogd op haar oude werkaccount om toegang te krijgen tot gegevens van potentiële slachtoffers. Met deze gedragingen heeft [verdachte] een substantieel aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Pleegperiode Uit een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 10 augustus 2022 over lijsten met persoonsgegevens hebben beschikt en de personen op die lijsten één voor één hebben gebeld. De rechtbank hanteert deze datum als startdatum voor de pleegperiode en zal bewezen verklaren dat [verdachte] in de periode van 10 augustus 2022 tot en met haar aanhouding op 1 augustus 2023 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. 5.9. Samenloop De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van eendaadse samenloop, maar van meerdaadse samenloop en overweegt daarover als volgt. Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr is sprake indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins medeplegen oplichting in de periode 28 september 2022 tot en met 11 juli 2023 in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de volgende personen in de tabel heeft bewogen tot afgifte van: Datum Aangever Schadebedrag Paginanummer 3 11-7-2023 [aangever 4] € 3.524,00 2086 7 21-6-2023 [aangever 5] € 9.637,90 2100 8 6-7-2023 [aangever 6] € 2.575,99 2104 10 30-6-2023 [aangever 7] € 7.438,80 2111 11 29-6-2023 [aangever 8] € 482,40 2114 15 27-6-2023 [aangever 9] € 1.884,95 2126 16 27-6-2023 [aangever 10] € 7.506,20 2129 17 27-6-2023 [aangever 11] € 1.350,20 2131 20 26-6-2023 [aangever 12] € 2.541,25 2140 21 22-6-2023 [aangever 13] € 1.448,97 2143 22 22-6-2023 [aangever 14] € 2.336,20 2146 34 8-6-2023 [aangever 15] € 1.453,00 2189 36 7-6-2023 [aangever 16] € 2.901,00 2195 38 5-6-2023 [aangever 17] € 1.738,99 2204 40 1-6-2023 [aangever 18] € 3.356,00 2210 43 18-5-2023 [aangever 19] € 3.092,11 2219 51 15-5-2023 [aangever 20] € 4.978,00 2242 54 11-5-2023 [aangever 21] € 900,00 2256 55 12-5-2023 [aangever 22] € 791,00 2260 56 8-5-2023 [aangever 23] € 2.798,00 2264 58 4-5-2023 [aangever 24] € 6.941,00 2273 59 3-5-2023 [aangever 25] € 4.715,40 2279 61 1-5-2023 [aangever 26] € 3.067,95 2285 63 1-5-2023 [aangever 27] € 4.845,00 2292 64 20-4-2023 [aangever 28] € 22.957,22 2298 67 19-4-2023 [aangever 29] € 7.462,89 2309 69 11-4-2023 [aangever 30] € 1.472,34 2316 75 3-4-2023 [aangeefster 3] € 36.172,20 2340 76 2-4-2023 [aangever 31] € 2.500,40 2343 77 2-4-2023 [aangever 32] € 12.202,00 2346 78 1-4-2023 [aangever 33] € 15.002,40 2349 79 31-3-2023 [aangeefster 2] € 12.102,00 2353 80 31-3-2023 [aangever 34] € 20.353,60 2356 81 31-3-2023 [aangever 35] € 2.300,40 2362 82 30-3-2023 [aangeefster 12] € 19.403,20 2365 83 30-3-2023 [aangever 36] € 7.301,20 2369 84 30-3-2023 [aangever 37] € 7.301,20 2375 85 30-3-2023 [aangever 38] ongeveer € 45.000,00 2378 86 30-3-2023 [aangever 39] € 7.501,20 2382 87 28-3-2023 [aangever 40] € 2.500,40 2385 88 27-3-2023 [aangever 41] € 4.647,40 2387 91 27-3-2023 [aangever 42] € 1.398,00 2396 92 27-3-2023 [aangever 43] € 2.500,40 2402 95 22-3-2023 [aangever 1] € 4.472,00 2412 97 21-3-2023 [aangever 44] € 7.238,64 2418 99 20-3-2023 [aangever 45] € 3.968,00 2425 102 20-3-2023 [aangeefster 1] € 1.328,00 2438 103 17-3-2023 [aangever 46] € 12.243,00 2440 104 17-3-2023 [aangever 47] € 4.198,00 2444 111 14-3-2023 [aangever 48] € 7.454,00 2467 118 8-3-2023 [aangever 49] € 4.974,00 2491 122 6-3-2023 [aangever 50] € 3.000,00 2507 131 27-2-2023 [aangever 51] € 1.908,99 2539 142 20-2-2023 [aangever 52] € 5.791,98 2571 144 10-2-2023 [aangever 53] € 1.966,97 2577 148 7-2-2023 [aangever 54] € 1.958,00 2768 150 6-2-2023 [aangever 55] € 5.878,88 2594 153 2-2-2023 [aangever 56] € 1.178,00 2603 155 31-1-2023 [aangever 57] € 9.740,98 2611 157 27-1-2023 [aangever 58] € 1.930,00 2618 203 18-11-2022 [aangever 59] € 4.900,00 2778 208 15-11-2022 [aangever 60] € 2.100,00 279 3 226 7-10-2022 [aangever 61] € 2.920,00 2846 235 28-9-2022 [aangever 62] € 2.960,00 2886 236 28-9-2022 [aangever 63] € 2.930,00 2890 en/of de (digitale) gegevens van de (internet)bankrekening(en) en/of inloggegevens van deze bankrekening(en), door zich (telkens) via de telefoon uit te geven als bonafide bankmedewerker en (hierbij) door bedrieglijk en in strijd met de waarheid te zeggen/berichten dat -zakelijk weergegeven- - er fraude en/of verdachte transacties plaatsvonden op de bankrekeningen van voornoemde personen en/of er geld van de bankrekeningen van voornoemde personen is/wordt gepind en/of - de bankrekening en/of het geld van voornoemde personen geblokkeerd en/of verzekerd en/of veiliggesteld moet (en) worden en/of - ( het hoofdkantoor van) de Rabobank en/of ABN AMRO Bank en/of ING bank e-mails en/of een whatsappbericht naar vo Gelet hierop en op het feit dat de redelijke termijn is overschreden, acht de verdediging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het reeds ondergane voorarrest niet passend. Verzocht wordt te volstaan met een forse taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De aard en de ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende een periode van een jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan grootschalige bankhelpdeskfraude. In totaal zijn er in dit onderzoek zeer veel slachtoffers gemaakt. Verdachte is bij de oplichting van 65 slachtoffers als medepleger betrokken geweest. Verdachte heeft hierbij deelgenomen aan een criminele organisatie met in de kern als doel het op bedrieglijke wijze afhandig maken van grote sommen geld van veelal kwetsbare slachtoffers. Verdachte heeft leads met daarop de NAW- en bankgegevens van potentiële slachtoffers van oplichting voorhanden gehad en heeft samen met [medeverdachte 1] computervredebreuk gepleegd bij haar oude werkgever. Binnen deze bankhelpdeskfraude zijn de slachtoffers op een systematische en haast professionele wijze benaderd en is hen geld afhandig gemaakt. Ieder had daarbij een eigen rol; er waren bellers, personen die hun bankrekeningen ter beschikking stelden, personen die pakketten moesten ophalen en personen die een meer coördinerende rol hadden. De bellers deden zich voor als bankmedewerker en hebben langdurig met slachtoffers aan de telefoon gezeten. Om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen, werden zij doorverbonden met een mededader, was het telefoonnummer waarmee werd gebeld verhuld en waren er speciale e-mailadressen aangemaakt. In deze zaak is schrijnend om te zien dat de slachtoffers specifiek zijn uitgezocht op grond van hun hoge leeftijd. Zo is in één van de chatgesprekken te lezen: “Heb nieuwe leads. Die zijn 1930. Steen oud, die doen alles”. Zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt, is het vertrouwen van de slachtoffers in de maatschappij ernstig geschaad en zijn zij in hun zelfstandigheid aangetast. In veel gevallen is hun spaargeld uitgegeven aan een luxe levensstijl (dure merkkleding, reizen naar het buitenland, Rolexen etcetera) die door de verdachten werd nagestreefd. Ook voelden de slachtoffers zich vernederd, beschaamd, wantrouwend en hebben zij vele slapeloze nachten gehad. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de verdachten hun handelen als hun dagelijkse werk zagen, waarbij sprake was van een zekere mate van professionaliteit. Dit blijkt alleen al uit het aangetroffen belcentrum. Dat de rechtbank het handelen van de verdachte verwerpelijk vindt, is dan ook evident. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 29 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 7 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten met schulden kampte en in een ongezonde relatie met [medeverdachte 1] zat, waarin zij werd meegetrokken in ongewenst gedrag. Verdachte heeft haar leven inmiddels (weer) op de rit. Zij heeft huisvesting, werkt in loondienst en ontvangt inkomen. Zij heeft de relatie met [medeverdachte 1] beëindigd en al het contact verbroken. Verdachte kampt nog wel altijd met schulden, maar zij heeft hier inmiddels zelfstandig een afbetalingsregeling voor getroffen. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Verdachte is sinds de bewezenverklaarde feiten niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. Omdat interventies en toezicht niet nodig worden geacht, wordt geadviseerd aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Strafoplegging Deze feiten moeten naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een maatschappelijke plaag waartegen hard moet worden opgetreden. Bij de strafbepaling houdt de rechtbank re Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 8 Het beslag 8.1. De verbeurdverklaring De in beslag genomen iPhone 7 wordt verbeurdverklaard. De iPhone 7 is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de iPhone 7 aan verdachte toebehoort en de bewezen feiten met behulp van de iPhone 7 zijn begaan. 9 De vorderingen van de benadeelde partijen 9.1. Algemene uitgangspunten en overwegingen 9.1.1. Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen Zesendertig benadeelde partijen, waaronder ABN AMRO, ING en Rabobank, hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Met het oog op de overzichtelijkheid heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen in een Excel-bestand verwerkt. Dit Excel-bestand is als bijlage III aan dit vonnis gehecht. De namen van de benadeelde partijen en de bijbehorende zaaknummers staan vermeld in kolom C en B. In kolom A staat vermeld wie de vordering heeft ingediend (de bank of de individuele rekeninghouder). De benadeelde partijen hebben de bedragen gevorderd die zijn vermeld in kolom D. Alle benadeelde partijen hebben tevens de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Alvorens tot een inhoudelijke bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen over te kunnen gaan, dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Voor zover het verweer is gevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de inhoud van de vorderingen te bestuderen en daar adequaat op te reageren, overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in haar overzichtsarrest uit 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) regels gegeven over hoe om te gaan met vorderingen van benadeelde partijen. Uitgangspunt is dat de strafrechter niet te snel gebruik mag maken van haar bevoegdheid om benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat de bedoeling van de wetgever is geweest om het voor benadeelde partijen eenvoudig te maken om schade in het strafproces te vorderen. De mogelijkheid voor benadeelde partijen om zich in het strafproces te voegen kent echter wel begrenzingen. Zo verplicht artikel 6, eerste lid, van het EVRM de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring als hij zich niet verzekerd acht dat alle procespartijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen. In deze zaak heeft een groot aantal slachtoffers aangifte gedaan en te kennen gegeven dat zij vergoeding wensen van de door hen geleden schade. De verdediging heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om deze vorderingen grondig te kunnen bestuderen en daartegen gemotiveerd verweer te kunnen voeren. De vorderingen zijn tijdig voor de zitting ingediend en op zitting is er voldoende tijd voor uitgetrokken. Dat er op zitting op verzoek van de rechtbank nog een nadere toelichting op de vorderingen van de banken is gekomen, maakt dat niet anders. Dit verzoek is immers gedaan uit het oogpunt van een zorgvuldige en complete behandeling van de ingediende vorderingen en daarmee dus ook in het belang van de verdediging. De verdediging heeft daarna ook de tijd gekregen om deze nadere toelichting te bestuderen en daar op zitting een standpunt over in te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen. 9.2. Materiële schade 9.2.1. Natuurlijke personen De rechtbank heeft hiervoor Voor zover hier van belang, kan dat op grond van sub b van dat artikel aan de orde zijn indien de benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor de benadeelde zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde slapeloze nachten, gevoelens van angst, onveiligheid, schaamte, stress en wantrouwen bij de benadeelde partijen teweeg heeft gebracht, is dit niet voldoende om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen. In geen van de gevallen is geestelijk letsel vastgesteld. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en de mededaders dusdanige ingrijpende gevolgen bij de benadeelde partijen hebben veroorzaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in (dat deel van) hun vordering (kolom J van bijlage III). Die vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 9.4. Schadevergoedingsmaatregel 9.4.1. Natuurlijke personen De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van natuurlijke personen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De bedragen van de schadevergoedingsmaatregel zijn vermeld in kolom T van bijlage III. Het maximum aantal dagen gijzeling is vermeld in kolom U van deze bijlage. 9.4.2. Banken De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van ABN AMRO, ING en Rabobank. De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval niet passend. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van inning via de schadevergoedingsmaatregel af te wentelen op de Staat. ABN AMRO, ING en Rabobank zijn professionele organisaties die goed in staat kunnen worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen. Met de toewijzing van de vordering is de aansprakelijkheid van de verdachte immers een gegeven. Eventueel staat hen daarbij de mogelijkheid van lijfsdwang via artikel 585 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten dienste. Bovendien zijn de voordelen voor de banken bij deze maatregel in het onderhavige geval relatief gering. 9.5. Wettelijke rente De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partijen van wie de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, bepalen dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Deze data staan vermeld in kolom S van bijlage III. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen zal dit worden bepaald. De rechtbank zal ten aanzien van de gevorderde onderzoekskosten de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van onderhavige vonnis. 9.6. Proceskosten Waar de vordering van een benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte w Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging Tekst gewijzigde tenlastelegging d.d.10 november 2025 1 Medeplegen oplichting zij in of omstreeks de periode 25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023 te Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert , althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, De volgende personen op de tabel heeft bewogen tot afgifte van enig geldbedrag (afbeelding geanonimiseerd) althans van enig (aanzienlijke/grote) geldbedrag(en) en/of de (digitale) gegevens van de (internet)bankrekening(en) en/of inloggegevens van deze bankrekening(en), door zich (telkens) via de telefoon uit te geven als/voor (bonafide) bankmedewerker en (hierbij) door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid te zeggen/berichten dat -zakelijk weergegeven- - er fraude en/of verdachte transacties plaatsvonden op de bankrekeningen van voornoemde personen en/of er geld van de bankrekeningen van voornoemde personen is/ wordt gepind, - voornoemde personen veilig(er) zijn/haar bankzaken dient te doen en/of de bankrekening en/of het geld van voornoemde personen geblokkeerd en/of verzekerd en/of veiliggesteld moet worden, - ( het hoofdkantoor van) de Rabobank, ABN AMRO Bank, ING bank, althans van een bank e-mails en/of een whatsappbericht naar voornoemde personen stuurt waarin een link staat en dat deze emails moeten worden geopend en/of voornoemde personen zijn/haar bankapplicatie dienen te openen, - voornoemde personen moeten inloggen op de internetbankierenaccount(s) waartoe zij toegang hadden en het geld van de spaarrekening over moeten boeken naar de betaalrekening zodat het geld veilig gesteld wordt en/of - voornoemde personen de link moeten aanklikken en betalingen moeten bevestigen met de random reader zodat het geld veilig gesteld wordt; waardoor (een of meer van) bovengenoemde persoon/personen (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n); (art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) Tekst gewijzigde tenlastelegging d.d. 3 november 2025 2 Deelname criminele organisatie zij in of omstreeks de periode 31 juli 2021 tot en met 1 augustus 2023 te Arnhem en/of Velp , althans in Nederland en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of onbekend gebleven anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de misdrijven: - oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht), - computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht), - opzetwitwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht), - voorbereidingshandelingen (artikel 234 Wetboek van Strafrecht), - gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander (artikel 231h Wetboek van Strafrecht), - voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel, computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en) (artikel 139d Wetboek van Strafrecht), - diefstal door middel van braak/verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of - verwerven van niet openbare gegevens (artikel 139g Wetboek van Strafrecht); (art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht) 3 Medeplegen gebruik identificerende persoonsgegevens van een ander zij in of omstreeks de periode 25 juli 2022 tot en met 11 juli 2023 te Velp, Arnhem, IJsselstein, Groenlo, Aalten, Hillegom en/of Zundert , althans in Nederland en/of in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), opzettelijk en wederrechtelijk identif