Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:8126
Gevangenisstraf voor driemaal medeplegen uitlokking teweegbrengen ontploffing. Opdrachtgever, uitlokker met aansturende rol. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-060122-25 Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026 in de strafzaak tegen verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Suriname), niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [P.I.] , raadsvrouw mr. A. Çimen, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 24 en 25 juni 2026, waarbij officier van justitie mr. E. H . Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 24 augustus 2026 is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen uitlokken van het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam (feit 1), zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen uitlokken van het teweegbrengen van een ontploffing bij [coffeeshop] in Tilburg (feit 2), zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen uitlokken van een poging tot moord, dan wel doodslag door een explosief richting meerdere personen te gooien (feit 3) en zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen uitlokken van het teweegbrengen van een ontploffing bij [kapperszaak] in Venlo (feit 4). 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat alle feiten kunnen worden bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de berichten van het account [naam 1] door verdachte zijn verstuurd. Daarnaast is er geen sprake van uitlokking, omdat er geen psychische omslag heeft plaatsgevonden bij de uitgelokte. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Signalaccount [naam 1] Uit onderzoek in de telefoon van [medeverdachte 1] is gebleken dat hij contact had met het account ‘ [naam 1] ’, gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer stond op naam van verdachte. Daarnaast is in de onder verdachte in beslag genomen iPhone 12, die kon worden ontgrendeld met behulp van gezichtsherkenning van verdachte, het signalaccount [naam 1] aangetroffen. Op dit toestel zijn afbeeldingen en mediabestanden aangetroffen van verdachte. Hierop gelet stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker was van de iPhone 12 en van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de door [naam 1] gestuurde berichten daadwerkelijk door verdachte zijn gestuurd. Er kan namelijk met een ander device op het account zijn ingelogd. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig. Dit scenario is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt door de verdediging. Daar komt bij dat de gebruiker van het account wordt aangesproken als ‘ [voornaam] ’; de voornaam van verdachte en daarnaast een ongebruikelijke en niet veel voorkomende naam. Uit de telefoon van [medeverdachte 1] is bovendien gebleken dat hij meerdere malen naar de [straat 1] in Amsterdam heeft genavigeerd, dat [naam 1] in een chat het adres [adres 1] deelt en dat [medeverdachte 1] na de aanslag bij [kapperszaak] naar [voornaam] aan de [straat 1] in Amsterdam ging voor een betaling. Op de avond van de aanslagen bij de [straat 2] in Amsterdam en bij [coffeeshop] in Tilburg is ook met de telefoon van [medeverdachte 2] genavigeerd naar de [straat 1] in Amsterdam. Verdachte verbleef in die periode bij zijn vriendin aan de [adres 2] in Amsterdam. Daarnaast is gebleken dat verdachte en [medeverdachte 1] elkaar kenden. Op 12 februari 2026 heeft [medeverdachte 1] namelijk vanuit de P.I. naar verdachte gebeld en spraken ze over een poging tot moord en brandstichting. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker was van het account [naam 1] en dat de berichten die afkomstig zijn van [naam 1] door verdachte zijn verstuurd. Aanslagen [straat 2] Amsterdam (feit 1) en [coffeeshop] Tilburg (feit 2) Op 3 januari 2025 omstreeks 22:52 uur is een explosief afgegaan bij de woning aan de [adres 3] in Amsterdam. De verbalisanten roken ter plaatse de geur van benzine en zagen resten van een gesmolten plastic petfles en van een Cobra 6. Op 4 januari 2025 omstreeks 03:06 uur is een explosief gegooid naar de voorzijde van het pand van [coffeeshop] in Tilburg, waar op dat moment meerdere beveiligers aanwezig waren. Ter plaatse werd een vuurwerk-brandstof-combinatie (hierna: VBC) aangetroffen, bestaand uit twee petflessen gevuld met benzine met daaraan een stuk vuurwerk type Cobra 6, waaruit een lont stak. Op camerabeelden was te zien dat vanaf het fietspad een brandend voorwerp richting de coffeeshop werd gegooid. Op de VBC werd DNA aangetroffen van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het een deugdelijk explosief was dat tot ontploffing zou zijn gekomen als de lont zou zijn opgebrand en dat niet kan worden achterhaald waarom de lont niet volledig is opgebrand. Het dossier bevat diverse chatgesprekken, waaronder een groepsgesprek op Signal genaamd ‘ [naam 2] ’, met daarin verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en een gebruiker met de naam ‘ [gebruiker] ’. In dit groepsgesprek werd op 3 en 4 januari 2025 gesproken over voornoemde aanslagen. [gebruiker] gaf instructies over de aanslag in Amsterdam en gaf vervolgens ook de opdracht voor de aanslag in Tilburg. Nadat [medeverdachte 1] een foto stuurde van een geïmproviseerd explosief bestaand uit twee petflessen met daaraan een Cobra 6 bevestigd, mengde verdachte zich ook in het gesprek. Verdachte gaf verdere instructies over de aanslag in Tilburg. Zo stuurde hij dat er in Tilburg goed gefilmd moest worden, dat het twee flessen moesten zijn met daaraan een Cobra 6 en dat er naar binnen moest worden gegooid zodat er meer schade zou zijn. In dit groepsgesprek gaven [gebruiker] en verdachte opdrachten en instructies aan [medeverdachte 1] en werd hem een beloning in het vooruitzicht gesteld. Zo werden er adressen doorgestuurd en werd geïnstrueerd dat en hoe er gefilmd moest worden, hoe de explosieven eruit moesten zien en hoe de aanslagen gepleegd moesten worden. De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte en [gebruiker] de uitlokkers van deze feiten waren. Uit de chats valt op te maken dat hun opzet gericht was op de aanslagen, dat zij [medeverdachte 1] daartoe aanzetten door hem een beloning in het vooruitzicht te stellen en informatie te verschaffen en dat [medeverdachte 1] , de uitgelokte, op enig moment instemde met het uitvoeren van de opdracht. [medeverdachte 1] nam de uitvoering op zich. De informatie uit het groepsgesprek werd vervolgens met de andere uitvoerders gedeeld en de opdracht werd ook daadwerkelijk uitgevoerd. Uit de aangetroffen chatberichten volgt verder dat omstreeks 02:10 uur beveiligers voor het pand van de coffeeshop werden gezien. Vervolgens is er een voorverkenning geweest waarbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de voorzijde van het pand hebben gefilmd. Tevens blijkt uit chatberichten dat [medeverdachte 1] omstreeks 02:35 uur contact heeft gehad met verdachte over wat ze moesten doen, waarop verdachte aan [medeverdachte 1] berichtte: “hij zegt kijk maar of je doet” en “ervoor, als je wilt”. Na dit overleg zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] richting de coffeeshop gelopen. [medeverdachte 3] heeft de lont van de Cobra aangestoken en het explosief richting [coffeeshop] gegooid terwijl [medeverdachte 2] dit filmde. Het explosief kwam bij de voeten van de beveiligers terecht. Verdachte heeft de medeverdachten actief aangestuurd door opdrachten en instructies te geven. Door deze aanslagen te laten uitvoeren heeft verdachte erop aangestuurd dat de explosieven zouden ontbranden en forse schade zouden veroorzaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitlokking om deze feiten te plegen. Poging tot doodslag (feit 3) De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van het plegen van de aanslag op [coffeeshop] . Het opzet van verdachte was gericht op brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing. Daar was een plan voor gemaakt en via het groepsgesprek werden daarvoor instructies doorgegeven aan [medeverdachte 1] . De situatie veranderde toen [medeverdachte 1] omstreeks 02:10 uur aan verdachte meldde dat er beveiligers voor de coffeeshop stonden. Verdachte vroeg [medeverdachte 1] vervolgens om een filmpje te sturen, waarna [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een voorverkenning hebben uitgevoerd. Om 02:35 uur stuurde [medeverdachte 1] een video van de voorverkenning naar verdachte en liet hij weten dat er nog twee beveiligers aanwezig waren. Vervolgens stuurde verdachte: “hij zegt kijk maar of je doet”. Met dit bericht kreeg [medeverdachte 1] de vrijheid om zelf te beslissen wat hij zou gaan doen. Korte tijd later gaven [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] daadwerkelijk uitvoering aan het plan door het explosief te gooien en dit te filmen. Het was [medeverdachte 1] en niet verdachte die de beslissing heeft genomen om de aanslag door te laten gaan in de vorm dat richting de beveiligers werd gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank zag het opzet van verdachte op brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij de coffeeshop. Hier gaf verdachte ook instructies voor in het groepsgesprek. De uitlokking heeft niet op moord dan wel doodslag gezien, nu hij een bericht heeft doorgestuurd waarbij ‘hij’ [medeverdachte 1] de keuze heeft gelaten. Verdachte heeft daarbij geen sturing gegeven aan [medeverdachte 1] of aan dit wilsbesluit van [medeverdachte 1] bijgedragen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde. [kapperszaak] Venlo (feit 4) Op 14 januari 2025 omstreeks 03:02 uur is een explosief afgegaan bij [kapperszaak] aan de [adres 4] in Venlo. Op camerabeelden was te zien dat door een persoon een fles waaraan iets zat bevestigd met ducttape bij het rolluik werd gezet, dat het werd aangestoken en tot ontploffing kwam. Uit de onderzochte chatgesprekken is gebleken dat [medeverdachte 4] met account ‘ [naam 3] ’ op de avond van 13 januari 2025 aan [medeverdachte 1] vroeg of hij ‘actief’ was voor een opdracht in Venlo met dezelfde modus operandi. Later die avond stuurde verdachte het adres ‘ [adres 1] ’ naar [medeverdachte 1] . Verdachte verbleef op dat moment bij zijn vriendin aan de [adres 2] in Amsterdam. [medeverdachte 1] navigeerde die nacht naar de [straat 1] in Amsterdam en ook uit de locatiegegevens van zijn telefoon is gebleken dat het toestel een reisbeweging heeft gemaakt naar de [straat 1] . Daarnaast was in de telefoon van [medeverdachte 1] om 23:03 uur een screenshot opgeslagen van een chatbericht van verdachte waarop een stuk papier te zien was met de tekst: “ [adres 4] [postcode] Venlo”. Op 14 januari 2025 tussen 00:14 en 00:39 uur stuurde verdachte meerdere berichten aan [medeverdachte 1] . Hij vroeg [medeverdachte 1] om een foto van zijn navigatie te sturen om zeker te weten dat [medeverdachte 1] naar de goede plek zou gaan en hij stuurde meerdere keren dat het goed gefilmd moest worden. Het filmpje moest vervolgens in het groepsgesprek worden gedeeld. Vervolgens kwam [medeverdachte 4] in het groepsgesprek. Hij stuurde tot 03:01 uur verdere instructies over hoe het explosief eronder moest worden geschoven en dat het plaatsen van het explosief en de schade die het explosief zou veroorzaken goed gefilmd moest worden. Later die dag, omstreeks 15:29 uur, stuurde verdachte berichten naar [medeverdachte 1] over de betaling. In de telefoon van [medeverdachte 1] is bovendien een gesprek aangetroffen van 15 januari 2025 waarin hij stuurde dat hij onderweg was naar Amsterdam om geld op te halen bij [voornaam] . Op datzelfde moment werd genavigeerd naar de [straat 1] in Amsterdam. In het groepsgesprek werden aan [medeverdachte 1] opdrachten en instructies gegeven en werd een beloning in het vooruitzicht gesteld. Zo stuurde verdachte het adres door en instrueerden hij en [medeverdachte 4] hoe de aanslag moest worden gepleegd en dat het goed gefilmd moest worden. De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte en [medeverdachte 4] ook de uitlokkers waren van dit feit. Uit de chats valt op te maken dat de [medeverdachte 1] , de uitgelokte, op enig moment instemde met het uitvoeren van de opdracht. [medeverdachte 1] nam de uitvoering op zich en de aanslag werd ook daadwerkelijk uitgevoerd. Verdachte heeft een duidelijke en belangrijke rol gespeeld in dit geheel. Hij heeft [medeverdachte 1] actief aangestuurd door informatie en instructies te delen. Door deze aanslag te laten uitvoeren heeft verdachte voor lief genomen dat het explosief zou ontbranden en forse schade zou veroorzaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking om dit feit te plegen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 3 januari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht en brand hebben gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie voor de woning aan de [adres 3] te Amsterdam te plaatsen en aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden te duchten was welk feit hij, verdachte omstreeks 3 januari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en - aan die [medeverdachte 1] het adres [adres 3] Amsterdam te verstrekken en - die [medeverdachte 1] in een (Signal-)groepsgesprek toe te voegen waarin uitleg werd gegeven over het teweeg brengen van de ontploffing en het uitvoeren van de brandstichting en - die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] betaling van een geldbedrag te beloven; 2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 4 januari 2025 te Tilburg, tezamen en in vereniging ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en brand te stichten, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten [coffeeshop] en omliggende panden en - levensgevaar voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [coffeeshop] te duchten was een vuurwerkbrandstofcombinatie hebben gegooid in de richting van het pand van [coffeeshop] en de beveiligers van [coffeeshop] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welk voorgenomen feit hij verdachte, op 3 en 4 januari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften, en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en/of te gooien bij/in de richting van [coffeeshop] en - die [medeverdachte 1] in een (Signal-)groepsgesprek toe te voegen waarin uitleg werd gegeven over het teweeg brengen van de ontploffing en het uitvoeren van de brandstichting en - die [medeverdachte 1] instructies te geven over het maken/samenstellen van de vuurwerkbrandstofcombinatie en - tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat hij het gooien/plaatsen van het explosief goed moet filmen en - die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] betaling van een geldbedrag te beloven; 4 [medeverdachte 1] en een of meer anderen op 14 januari 2025 te Venlo, tezamen en in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht en brand hebben gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie bij/voor/tegen het pand van [kapperszaak] te plaatsen en aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten [kapperszaak] en/of omliggende panden te duchten was welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 13 en 14 januari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en - aan die [medeverdachte 1] het adres [adres 4] te Venlo te verstrekken en - actief deel te nemen aan een (Signal-)groepsgesprek waarin instructies voor/over de voorbereiding en uitvoering van de ontploffing/brandstichting werden gegeven en besproken en - die [medeverdachte 1] een geldbedrag te beloven en/of te betalen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek van voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De aard en de ernst van de feiten Verdachte heeft zich rond 3 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan uitlokking van brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam. Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan uitlokking van een poging tot brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij [coffeeshop] in Tilburg diezelfde nacht. Verder heeft hij zich op 14 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan uitlokking van brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een kapperszaak in Venlo. Op alle locaties is gebruik gemaakt van met benzine gevulde flessen met daaraan bevestigd zwaar vuurwerk, type Cobra 6. Cobra 6 is professioneel vuurwerk dat een substantieel zwaardere en explosievere lading heeft dan het vuurwerk dat in Nederland verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Door dit vuurwerk samen met petflessen benzine tot ontploffing te laten brengen bij een woning en een kapperszaak en te laten gooien naar een coffeeshop waar beveiligers bij stonden, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er ten tijde van de ontploffingen in Amsterdam en Venlo niemand in de directe nabijheid aanwezig was, waardoor enkel gevaar voor goederen en materiële schade is ontstaan. Bij het incident in Tilburg was echter wel sprake van levensgevaar, omdat er meerdere beveiligers voor het pand van de coffeeshop aanwezig waren op het moment dat het explosief daarheen werd gegooid. Als het vuurwerk bij [coffeeshop] tot ontploffing was gekomen, zou dit de dood van de beveiligers hebben kunnen betekend. Het gooien van het explosief is voor de beveiligers ook zeer beangstigend geweest. Zij hebben verklaard dat zij op dat moment voor hun leven vreesden en ook daarna hier nog veel last van hebben gehad. Ook de eigenaar van de kapsalon en zijn huisgenoten zijn erg geschrokken en hebben hier nog lang last van gehad. Zij hebben ook hun woning moeten verlaten en konden daar langere tijd niet terugkeren. Dergelijke incidenten zorgen bovendien in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid in de omgeving, hetgeen ook in het bijzonder voor de bewoonster van de woning in Amsterdam het geval zal zijn. In al deze gevallen was het verdachte die de opdracht heeft gegeven tot het plegen van deze feiten. Hij gaf instructies en verstrekte de adressen waar de explosies moesten plaatsvinden. Verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij was de opdrachtgever en had een aansturende rol in het geheel. Hij heeft eraan bijgedragen dat jongere en kwetsbaardere medeverdachten werden ingezet om voor hem het vuile werk te doen. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn significante en aansturende rol in de ontploffingen. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 12 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Reclassering Nederland heeft op 22 juni 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat de reclassering niet duidelijk heeft gekregen welke onderliggende motieven en delictgerelateerde leefgebieden er bij verdachte zijn doordat hij zich op zijn zwijgrecht beroept. Uit het onderzoek van de reclassering komen enige maatschappelijke problemen naar voren. Verdachte woonde bij zijn vriendin, maar kan zich daar niet inschrijven. Hij is zijn postadres verloren door de preventieve hechtenis. Verdachte heeft enige schulden en lijkt, ondanks dat hij werk had, een zwakke maatschappelijke positie te hebben. Er is sprake van een belaste jeugd met veel instabiliteit, waaruit mogelijk trauma voortkomt en waardoor de reclassering onderliggende gedragsproblematiek niet kan uitsluiten. Verdachte heeft, naast zijn vriendin, weinig steunend netwerk en blowen lijkt een copingsmechanisme voor hem geworden. Positief en beschermend is dat verdachte tot bewustwording komt en inzicht krijgt op zijn overlevingsmechanismen. Dat is een eerste stap naar verandering, waar hij voor openstaat. De reclassering ziet noodzaak tot begeleiding en behandeling. De reclassering acht het van belang dat er aandacht is voor het versterken van de maatschappelijke positie van verdachte. Daarbij is van belang dat verdachte ondersteuning krijgt bij het realiseren van zijn doelen, afstand neemt van het negatieve sociale netwerk en leert weloverwogen (delictvrije) keuzes te maken. De reclassering acht behandeling gericht op traumaverwerking en inzicht krijgen op gedragsmechanismen belangrijk. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik van verdachte. Straf Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol van verdachte bij deze feiten. Hij was de opdrachtgever en uitlokker met een aansturende rol. De rechtbank vindt daarom dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van het voorarrest passend is. De begeleiding en behandeling die de reclassering adviseert kan eventueel in het kader van detentiefasering plaatsvinden. 7 De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.882,- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade. Materiële schade De rechtbank stelt vast dat de materiële schade niet is onderbouwd. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat een deel van de ruit is vernield door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank kan de causaliteit tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde beschadigingen in de hal waar vergoeding voor wordt gevorderd echter niet vaststellen. Bovendien is deze schadepost uitvoerig betwist door de verdediging. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schade De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder daarbij af te willen doen aan de impact van dit incident op de benadeelde partij, meegewogen dat de schade in de woning relatief beperkt was en dat de benadeelde partij op het moment van het incident niet in de woning aanwezig was. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. [benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 1.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder af te willen doen aan de ernst van de schade, meegewogen dat het hier niet om een woning ging maar om een bedrijfspand en dat dit bedrijfspand al vaker doelwit is geweest van aanslagen. Bovendien is het explosief niet afgegaan. De benadeelde partij wordt in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de stelpost van € 10.000,-. Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025. [benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.701,41 aan materiële schade en een vergoeding van € 16.000,- aan immateriële schade. Materiële schade De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft op de terechtzitting de schadepost verlies verdienvermogen naar beneden bijgesteld en aangegeven dat dit bedrag het te vorderen bedrag minus de belasting betreft. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk hoe deze schadepost is opgebouwd en welke berekening de raadsvrouw heeft toegepast om tot dit bedrag te komen. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De schadeposten die zien op de kosten voor medische zorg en de kosten voor medische verschotten zijn niet gemotiveerd betwist en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze posten zullen daarom worden toegewezen. Immateriële schade De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij knieletsel heeft opgelopen. Het vergt echter nader onderzoek om vast te stellen in welke mate dit letsel is ontstaan door de bewezenverklaarde feiten en in welke mate sprake was van het eerder opgelopen en vastgestelde knieletsel van de benadeelde partij. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal deze schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,- en zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend en zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie De rechtbank wijst € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025. [benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.250,- aan materiële schade en een vergoeding van € 7.000,- aan immateriële schade. Materiële schade De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dat betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de kosten voor het beschadigde rolluik is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegekend. De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de kosten voor de beschadigde inventaris is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde stukken niet vaststellen welke schade de benadeelde partij heeft geleden. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schade De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. De rechtbank heeft daarnaast, zonder af te willen doen aan de impact van het bewezen verklaarde feit op de benadeelde partij, meegewogen dat de explosie plaatsvond bij het bedrijfspand van de benadeelde partij en dat de schade relatief beperkt is gebleven. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat hij als gevolg van deze explosie lange tijd zijn woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de indicatief gevorderde bedrijfsschade van € 150.000,-. Conclusie De rechtbank wijst € 250,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 14 januari 2025. [benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.250,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat zij als gevolg van deze explosie lange tijd haar woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. [benadeelde partij 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat zij als gevolg van deze explosie lange tijd haar woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. [benadeelde partij 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.000,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 3.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de benadeelde partij thuis was op het moment van de explosie en dat hij als gevolg van deze explosie lange tijd zijn woning niet in mocht. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 8 Het beslag De in beslag genomen telefoon zal worden verbeurd verklaard. De bewezen feiten zijn met behulp van dit voorwerp begaan. 9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: medeplegen van uitlokking van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; feit 2: medeplegen van uitlokking van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is; feit 3: medeplegen van uitlokking van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren ; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partij [benadeelde partij 1] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , van € 2.500,- , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen € 2.500,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde partij 2] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , van € 1.000,- , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2] te betalen € 1.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde partij 3] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , van € 6.504,41,- , bestaande uit € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 3] te betalen € 6.504,41 (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 57 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde partij 4] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] , van € 3.250,- , bestaande uit € 250,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 4] te betalen € 3.250,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 32 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij verval t en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde partij 5] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 5] , van € 3.000,- , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 5] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde partij 6] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 6] , van € 3.000,- , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 6] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde partij 7] - veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 7] , van € 3.000,- , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 7] te betalen € 3.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling; - bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; - bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Beslag - verklaart verbeurd als bijkomende straf: 1 stk gsm Apple. Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mrs. M.H.M. Collombon en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026. Bijlage I De tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat 1 [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] op 3 januari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht en/of brand heeft/hebben gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, voor de woning aan de [adres 3] te Amsterdam te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden en/of, - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel \oor een ander, te weten de bewoner(s) van voornoemde woning en/of omwonenden en/of voorbijgangers te duchten was welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 3 januari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en/of - aan die [medeverdachte 1] het adres [adres 3] Amsterdam te verstrekken en/of - die [medeverdachte 1] in een (Signal-)groepsgesprek toe te voegen waarin uitleg werd gegeven over het teweeg brengen van de ontploffing en/of het uitvoeren van de brandstichting en/of - die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] betaling van een geldbedrag te beloven; 2 [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen op 4 januari 2025 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten [coffeeshop] en omliggende panden en/of, - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [coffeeshop] en/of omwonenden en/of voorbijgangers te duchten was een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, heeft/hebben gegooid in de richting van het pand van [coffeeshop] en/of de beveiligers van [coffeeshop] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welk voorgenomen feit hij. verdachte, op of omstreeks 3 en/of 4 januari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en/of te gooien bij/in de richting van [coffeeshop] en/of - die [medeverdachte 1] in een (Signal-)groepsgesprek toe te voegen waarin uitleg werd gegeven over het teweeg brengen van de ontploffing en/of het uitvoeren van de brandstichting en/of - die [medeverdachte 1] instructies te geven over het maken/samenstellen van de vuurwerkbrandstofcombinatie en/of - tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat hij het gooien/plaatsen van het explosief goed moet filmen en/of - die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] betaling van een geldbedrag te beloven; 3 [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen op 4 januari 2025 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 3] en/of [persoon] en/of een of meer anderen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, in de richting van die [benadeelde partij 3] en/of die [persoon] en/of een of meer anderen heeft/hebben gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welk voorgenomen feit hij, verdachte, op of omstreeks 3 en/of 4 januari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en/of te gooien bij/in de richting van [coffeeshop] en/of de daar aanwezige beveiliger(s) en/of - die [medeverdachte 1] in een (Signal-)groepsgesprek toe te voegen waarin uitleg werd gegeven over het teweeg brengen van de ontploffing en/of het uitvoeren van de brandstichting en/of - die [medeverdachte 1] instructies te geven over het maken/samenstellen van de vuurwerkbrandstofcombinatie en/of - tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat hij het gooien/plaatsen van het explosief goed moet filmen en/of - die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] betaling van een geldbedrag te beloven; 4 [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen. op 14 januari 2025 te Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht en/of brand heeft/hebben gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, bij/voor/tegen het pand van [kapperszaak] te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten [kapperszaak] en/of omliggende panden en/of, - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van de [adres 5] en/of (andere) omwonenden van [kapperszaak] en/of voorbijgangers te duchten was welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 13 en/of 14 januari 2025 te Amsterdam, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door - die [medeverdachte 1] (via Signal) te benaderen om het explosief te plaatsen en/of - aan die [medeverdachte 1] het adres [adres 4] te Venlo te verstrekken en/of - actief deel te nemen aan een (Signal-)groepsgesprek waarin instructies voor/over de voorbereiding en uitvoering van de ontploffing/brandstichting werden gegeven en/of besproken en/of - die [medeverdachte 1] een geldbedrag te beloven en/of te betalen.