Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:812
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2260 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer), en De burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, de burgemeester (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de alcoholwetvergunning en de weigering van de exploitatievergunning voor [café] . Eiser is het niet eens met de beslissing van de burgemeester en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de alcoholwetvergunning terecht is ingetrokken en de exploitatievergunning terecht is geweigerd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is hersteld. De rechtbank is echter van oordeel dat het besluit van de burgemeester onevenredig is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 27 oktober 2023 heeft de politie, in het kader van een postactie naar aanleiding van vermoedens van drugsgerelateerde activiteiten, een controle uitgevoerd in de horeca-inrichting van eiser. Daarbij zijn verdovende middelen aangetroffen. Tijdens de controle was geen leidinggevende aanwezig. 2.1. Op 27 november 2023 heeft de burgemeester eiser een schriftelijke waarschuwing gegeven wegens overtreding van de Alcoholwet, bestaande uit het ontbreken van een leidinggevende tijdens de exploitatie van de inrichting. 2.2. Op 5 december 2023 heeft de burgemeester aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende de sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van zes maanden wegens overtreding van de Opiumwet. 2.3. Op 21 december 2023 heeft de burgemeester eiser erop gewezen dat hij niet beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Bergen op Zoom (APV), welke vereist is voor het exploiteren van de inrichting. Eiser heeft op 11 juni 2024 alsnog een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend. Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de burgemeester deze aanvraag geweigerd. 2.4. Naar aanleiding van de weigering heeft de burgemeester ook de aan eiser verleende vergunning op grond van de Alcoholwet beoordeeld. Op 21 november 2024 heeft de burgemeester besloten om deze alcoholvergunning in te trekken. 2.5. Met het bestreden besluit van 2 april 2025 heeft de burgemeester het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft hij zijn eerdere besluiten in stand gelaten. 2.6. Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. 2.7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.8. De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester bijgestaan door [naam] . 2.9. In een tussenuitspraak van 21 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een geconstateerd gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De burgemeester heeft in de reactie op de tussenuitspraak in zijn brief van 13 november 2025 een aanvullende motivering gegeven. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd in zijn brief van 5 december 2025. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens is op 14 januari 2026 het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Samenvatting van de tussenuitspraak 3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de burgemeester de alcoholwetvergunning van eiser terecht heeft ingetrokken. Verder heeft de rechtbank daarin geconcludeerd dat de motivering van het bestreden besluit over de De politie heeft dit op meerdere momenten, over een tijdsbestek van enkele maanden geconstateerd. De burgemeester heeft in dat kader verder terecht gewezen op de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) dat de aanwezigheid van harddrugs in een voor het publiek openstaande ruimte op zichzelf reeds het risico van negatieve effecten op de openbare orde in zich bergt. De burgemeester was op grond van deze feiten en omstandigheden daarom al bevoegd om de exploitatievergunning te weigeren. 8.3. Anders dan eiser in zijn nadere reactie naar voren heeft gebracht, kan deze aanvullende motivering van de burgemeester het bestreden besluit wel dragen. Dat hij deze argumenten eerder aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd, maakt dat niet anders. In deze beroepsprocedure staat immers de motivering van de beslissing op bezwaar ter discussie. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak evenmin overwogen dat de burgemeester zich niet langer op argumenten uit het primaire besluit mocht baseren. Voordat de rechtbank een conclusie trekt over de uitkomst van dit beroep, zal zij hierna ingaan op de beroepsgronden van eiser over de strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zijn de gevolgen van het besluit evenredig? 9. Eiser heeft aangevoerd dat de weigering van de exploitatievergunning en de intrekking van de alcoholwetvergunning onevenredig zijn gelet op de daarmee te dienen doelen. Alleen het onnodige tijdsverloop maakt de besluitvorming volgens hem al onrechtmatig. Eiser wijst erop dat met de eerdere sluiting van het café de openbare orde reeds is hersteld en dat in bijna twintig jaar exploitatie nooit eerder maatregelen nodig zijn geweest. Eiser was niet op de hoogte van enige drugshandel vanuit zijn bedrijf en dit blijkt ook niet uit de bestuurlijke rapportage. Hij huurt alleen het café, niet de achter dat café gelegen tuin/grond. Het huidige besluit betekent dat eiser zijn bedrijfsvoering definitief moet beëindigen na één geïsoleerd incident dat niet aan hem kan worden toegerekend. Eiser stelt verder dat er minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn, zoals het verbinden van aanvullende voorschriften aan de vergunning of tijdelijk extra toezicht, die hetzelfde doel kunnen dienen zonder zulke zware gevolgen voor hem en zijn gezin. Door de verstrekkende gevolgen, waaronder het verlies van inkomsten en het aanvragen van een bijstandsuitkering, acht eiser het besluit onevenredig zwaar en niet in overeenstemming met de eisen van zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming. 9.1. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat het besluit tot weigering van de exploitatievergunning voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Volgens de burgemeester is de maatregel noodzakelijk om de openbare orde te beschermen. Hij heeft de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser, waaronder het financiële nadeel voor hem, afgewogen tegen de doelen die hij nastreeft met het weigeren van de exploitatievergunning. Volgens de burgemeester is niet aannemelijk dat eiser niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs en de handel daarin. De drugs zijn namelijk op diverse plaatsen in het café aangetroffen. De burgemeester acht ook de intrekking van de alcoholwetvergunning niet onevenredig, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren. Hij kon vanwege de ernst van de feiten daarom geen rekening houden met twintig jaar ondernemerschap van eiser. 9.2. De rechtbank stelt voorop dat zij in r.o. 3.3. van de tussenuitspraak bedoeld heeft te concluderen dat de burgemeester bevoegd was om de alcoholwetvergunning in te trekken in plaats van dat de burgemeester de alcoholwetvergunning terecht heeft ingetrokken. Hierna zal de rechtbank bespreken of de burgemeester van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Daarbij is van belang dat artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Alcoholwet imperatief is geformuleerd. De Alcoholwet is bovendien een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de AbRvS van 1 maart 2023 kan dit De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan de bespreking van de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de besluitvorming en het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Conclusie en gevolgen 10.1 Gelet op de in deze einduitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op het bezwaar tegen het weigeren van de exploitatievergunning. De rechtbank zal het bestreden besluit ten aanzien daarvan vernietigen en het beroep voor het overige ongegrond verklaren. De burgemeester moet daarom een nieuw besluit over het bezwaar tegen de geweigerde exploitatievergunning nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 10.2 Omdat de rechtbank het beroep deels gegrond verklaart, heeft eiser recht op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. De burgemeester moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en een schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus gegeven. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 voor de eerste twee proceshandelingen en een wegingsfactor 0,5 voor de zienswijze. In totaal is de vergoeding € 2.335,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar tegen de weigering van de exploitatievergunning; verklaart het beroep voor het overige ongegrond; vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar tegen de weigering van de exploitatievergunning; draagt de burgemeester op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de geweigerde exploitatievergunning met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak; draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 10 februari 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:4 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Alcoholwet Artikel 8 1. Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. zij mogen niet onder curatele staan. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van l