Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:811
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/431682 / FA RK 25-665 5 februari 2026 beschikking betreffende levensonderhoud in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A.R. van Wieren, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. R.A. Korver. 1 Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 10 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 27 mei 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende incidenteel verzoek, met bijlagen; - het op 24 juni 2025 ontvangen verweerschrift incidenteel verzoek, tevens overlegging aanvullende producties, met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Van Wieren van 4 augustus 2025; - het F9-formulier van mr. Korver van 5 augustus 2025; - de brief van de griffier aan beide advocaten van 7 augustus 2025; - het op 17 september 2025 van de vrouw ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Van Wieren van 1 december 2025 met bijlagen. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. 1.3. Na te noemen [minderjarige] is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad van september 2006 tot december 2015. Uit deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009. De man heeft [minderjarige] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf op het adres van de vrouw. 2.2. Na het verbreken van hun relatie hebben partijen in onderling overleg afspraken gemaakt, welke afspraken zijn vastgelegd in een op 10 mei 2016 door beide partijen ondertekend ouderschapsplan. 2.3. In dit ouderschapsplan zijn partijen ter zake de kinderalimentatie, het volgende overeengekomen: “6.1 Kinderalimentatie. Met ingang vanaf de datum dat moeder niet meer op [adres] woont en zolang [minderjarige] minderjarig is en bij moeder woont, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor [minderjarige] van € 1.600,= per maand voor woning, kleding en algemeen levensonderhoud. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2017.” 2.4. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen moet de man nu ten behoeve van [minderjarige] een bedrag van € 2.127,85 per maand aan de vrouw voldoen. 2.5. De verstandhouding tussen partijen is kort na het verbreken van de relatie verslechterd. Ook zijn de contacten tussen de man en [minderjarige] sindsdien beperkt. 2.6. In 2019 is de man een procedure gestart tot, kort samengevat, nakoming door de vrouw van de zorgregeling tussen hem en [minderjarige] . Deze procedure is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/369425 / FA RK 20-1038. 2.7. In het kader van voormelde procedure heeft de man in oktober 2021 een (aanvullend) verzoek ingediend tot wijziging van de door hem ten behoeve van [minderjarige] te betalen bijdrage. In de (eind)beschikking van 22 december 2022 is het verzoek van de man, tot wijziging van de kinderbijdrage, afgewezen. 2.8. In de beschikking van 22 december 2022 heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, het volgende overwogen: “3.8 (…) Indien partijen ten tijde van de overeenkomst bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven is wijziging slechts mogelijk als sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan die overeenkomst kan worden gehouden. (…) 3.10 De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de overeenkomst i Deze afspraak houdt in dat de man met ingang van 1 januari 2026 € 850,= per maand betaalt aan de vrouw in afwachting van de beslissing in de onderhavige bodemprocedure. 3 De verzoeken 3.1. De man verzoekt nu, samengevat: a. de tussen partijen in het ouderschapsplan 2016 gemaakte afspraken over de hoogte van de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage te wijzigen in die zin dat de man aan de vrouw moet betalen: - € 804,= per maand met ingang van 1 januari 2022, - € 790,= per maand met ingang van 1 januari 2023, - € 815,= per maand met ingang van 1 januari 2024, althans een nader te bepalen bedrag; b. de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage over de jaren ingaande 1 augustus 2018 tot en met 2021 wordt verlaagd naar het volgende door de man aan de vrouw te betalen bedrag: - € 649,= per maand ingaande 1 augustus 2018, - € 667,= per maand ingaande 1 januari 2019, - € 199,= per maand ingaande 1 januari 2020, - € 718,= per maand ingaande 1 januari 2021, althans een nader te bepalen bedrag; c. te bepalen dat de vrouw over de jaren 2018 tot en met 2024 de door de man te veel betaalde bijdragen moet terugbetalen, zijnde over het jaar: i. 2018 € 4.880,=, ii. 2019 € 11.880,=, iii. 2020 € 17.808,=, iv. 2021 € 12.180,=, v. 2022 € 11.544,=, vi. 2023 € 12.532,=, vii. 2024 € 13.476,=, ofwel totaal een bedrag van € 84.310,=, althans een nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente in ieder geval vanaf de datum van indiening van het verzoek en de kosten die de man moet maken in verband met de terugvordering van de door hem teveel betaalde bijdrage; d. te bepalen dat de man gerechtigd is – voor zover verhaal op de vrouw voor wat betreft het door haar aan de man terug te betalen bedrag – niet of niet volledig plaatsvindt, zijn vordering op de vrouw te verrekenen met toekomstig door hem te betalen bijdragen; e. te bepalen dat de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage per 1 januari 2026 wordt verlaagd naar een bedrag van € 445,= per maand, maar niet hoger dan € 815,= per maand. 3.2. De vrouw verzoekt nu, samengevat: (deels) bij wege van zelfstandig verzoek: - primair: de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging van kinderalimentatie vanwege het gezag van gewijsde van de uitspraak van het gerechtshof van 18 april 2024 en de man daarbij te veroordelen in de reële proceskosten; - subsidiair: alle verzoeken van de man af te wijzen en te bepalen dat hij alsnog een aanzienlijk bedrag aan [minderjarige] en de vrouw voldoet en hem daarbij te veroordelen in de reële proceskosten. 4 De beoordeling Wijziging bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2018? (verzoek man sub a. en b.) 4.1. De man stelt dat partijen geen niet-wijzigingsbeding in de zin van artikel 1:159 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn overeengekomen. Ook gaat voormeld artikel, aldus de man, over partneralimentatie en niet over kinderalimentatie. Nu artikel 1:159 BW volgens de man niet van toepassing is, heeft het hof het juridisch kader van artikel 1:159 lid 3 BW ten onrechte aan de beslissing ten grondslag gelegd. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Hoge Raad van 1 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1689) zou hooguit de lichtere maatstaf van artikel 6:216 BW in verbinding met artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 6:258 BW kunnen worden toegepast. Nu echter geen sprake is van een niet-wijzigingsbeding is het, aldus de man, de vraag of zelfs deze lichtere grondslag van toepassing kan zijn. Volgens de man hebben partijen niet (bewust) willen afwijken van de wettelijke maatstaven. De man heeft de vrouw slechts behulpzaam willen zijn om, zo lang zij zelf onvoldoende inkomsten had, een extra bijdrage te leveren, zodat de vrouw met [minderjarige] in staat was om haar maandelijkse uitgaven te kunnen doen, waaronder de hoge huur van de door haar gehuurde woning. Over de hoogte van de overeengekomen bijdrage heeft de man destijds geen advocaat geraadpleegd, maar is hij uitgegaan van informatie van Het antwoord op de vraag of in het eerder gevoerde geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of van het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Daarbij geldt dat met de term beslissingen niet alleen gedoeld wordt op het dictum van de betreffende beslissing, maar ook op de dragende overwegingen in die beslissing. Het voorwerp van de beslissing kan dus niet opnieuw het voorwerp van een procedure tussen partijen worden. Dit betekent dat alle beslissingen, zoals die in een eerdere beschikking zijn genomen, binden, zodat alle daarmee strijdige stellingen in een eventuele nieuwe procedure moeten worden verworpen en alle daarmee strijdige verzoeken moeten worden afgewezen. Het gezag van gewijsde staat er niet aan in de weg dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit ongeacht of deze andere grondslag ook al in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (zie Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). 4.5. Bij het voorgaande moet aangetekend worden dat in beginsel ook gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen over geschillen met betrekking tot levensonderhoud. Dit gezag van gewijsde wordt echter in zoverre beperkt, dat op grond van het bepaalde in artikel 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken (zie Hoge Raad 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902). Als de rechter artikel 1:401 lid 1 of lid 4 toepast, is hij niet gebonden aan oordelen over omstandigheden (geschilbeslissingen) uit de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht. Kort gezegd bestaat bij wijzigingsverzoeken op de voet van artikel 1:401 BW meer ruimte om in een later stadium nieuwe gegevens in te brengen. Het maakt daarbij ook niet uit of het aan een partij te wijten is dat de eerdere beschikking was gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens. 4.6. Vast staat tussen partijen dat tussen hen verschillende procedures zijn gevoerd die – voor zover nu van belang – hebben geleid tot de hiervoor genoemde beschikking van deze rechtbank van 22 december 2022 en de beschikking van het hof van 18 april 2024. Niet in geschil is tussen partijen dat tegen de laatste beschikking geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Voormelde beschikking van het hof is dus in kracht van gewijsde gegaan, waarmee de in die beschikking gegeven beslissingen gezag van gewijsde hebben gekregen. Zoals hiervoor is overwogen wordt met de term beslissing niet alleen gedoeld op het dictum van de beschikking, maar ook op de dragende overwegingen daarvan. Een dragende overweging van het hof, die heeft geleid tot een afwijzing van het verzoek van de man, is het oordeel dat partijen bij het sluiten van de alimentatieovereenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven (rechtsoverweging 5.6.3. in de beschikking van het hof van 18 april 2024). 4.7. Vast staat dat onderhavig geschil een geschil betreft tussen dezelfde partijen. Gelet op het beroep van de vrouw op het bepaalde in artikel 236 lid 1 Rv. is verder van belang of de beslissing in voormelde procedure bij het hof hetzelfde geschilpunt betrof als het nu aan de orde zijnde geschilpunt. Het antwoord op die vraag is onder meer afhankelijk van het processuele debat. Het hof heeft bij de beoordeling (zoals blijkt uit rechtsoverweging 5.6.1.) rekening gehouden met hetgeen door de man destijds in zijn beroepschrift is aangevoerd. Kort samengevat heeft de man toen aangevoerd dat de overeengekomen bijdrage niet alleen zag op kinderalimentatie, maar ook op verkapte partneralimentatie, dat partijen zich destijds niet door professionals hebben laten bijstaan, dat partijen zijn uitgegaan van het overzicht uit december 2015 met betrekking tot de totaallasten van de vrouw en dat het inkomen van In dit geval ziet het verzoek van de man echter op een wijziging van de tussen partijen gemaakte afspraak en niet op wijziging van een rechterlijke uitspraak. Het vierde lid van artikel 1:401 BW mist dan ook toepassing. 4.13. De vrouw heeft primair verzocht om de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Het uitgangspunt is dat een verzoek niet ontvankelijk is als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt, omdat niet is voldaan aan formele vereisten. Hiervoor heeft de rechtbank een beoordeling gegeven over de vraag of gezag van gewijsde toekomt aan een uitspraak (in dit geval de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2024). Hoewel een dergelijke beoordeling in beginsel een processueel karakter heeft, is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling in deze zaak meer materieel van aard is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het verzoek van de man af te wijzen in plaats van de man niet ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat het verzoek van de man, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.1. onder a. en b. weergegeven, zal worden afgewezen. Terugbetalen te veel betaalde bedragen / verrekening (verzoek man sub c. en d.) 4.14. De man heeft verder verzocht om te bepalen dat de vrouw over de jaren 2018 tot en met 2024 een totaalbedrag van € 84.310,= aan hem moet voldoen, dan wel dat de man gerechtigd is zijn vordering op de vrouw te verrekenen met toekomstig door hem te betalen bijdragen. Dit betreft de verzoeken zoals deze hiervoor in rechtsoverweging 3.1. onder c. en d. zijn geformuleerd. 4.15. De rechtbank stelt vast dat de onderdelen c. en d. van het verzoek van de man samenhangen met dat deel van het verzoek dat ziet op wijziging van de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage (onderdelen a. en b. van het verzoek van de man). Nu het wijzigingsverzoek van de man wordt afgewezen, heeft dit tot gevolg dat ook het onder c. en d. vermelde deel van het verzoek van de man moet worden afgewezen. Wijziging bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 1 januari 2026 (verzoek man sub e.) 4.16. De man legt aan zijn verzoek onder e. ten grondslag dat [minderjarige] per 1 januari 2026 een MBO opleiding gaat doen. De behoefte van [minderjarige] moet dan volgens de man worden bepaald aan de hand van de WSF-norm. Na verdeling van de draagkracht moet de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage volgens hem worden verlaagd. 4.17. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat nog niet bekend is of [minderjarige] zal worden toegelaten tot de MBO opleiding. Volgens de vrouw is het verzoek van de man dus prematuur en moet dit verzoek worden afgewezen. 4.18. Zoals hiervoor is overwogen, is er geen grond voor wijziging van de tussen partijen overeengekomen bijdrage voor [minderjarige] . Dit betekent dat ook het verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage met ingang van 1 januari 2026 moet worden afgewezen. Daarbij heeft te gelden dat dit verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De man heeft zijn verzoek immers voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling gedaan waardoor de vrouw geen (tijdig) verweer heeft kunnen voeren. Bepaling van het bedrag dat de man aan de vrouw moet voldoen (subsidiair verzoek vrouw) 4.19. De vrouw stelt dat partijen in artikel 6.5 van het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat de man uit de winst van de verkoop van zijn aandelen van zijn vennootschap een aanzienlijk bedrag zal uitkeren aan [minderjarige] en de vrouw. Volgens de vrouw is het bedrijf van de man op 20 juli 2021 verkocht en moet de man nog een aanzienlijk bedrag aan de vrouw voldoen. 4.20. Volgens de man heeft hij geen vennootschap, noch aandelen verkocht. Voor zover de man enig bedrag zou moeten voldoen aan de vrouw en [minderjarige] , dan moet de hoogte van dit bedrag volgens de man door hem worden bepaald. 4.21. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de (advocaat van de) vrouw toegelicht dat haar subsidiaire verzoek beoordeling behoeft wanneer de rechtbank