Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:7954
Veroordeling voor het aanwezig hebben van amfetamine en GHB, het plegen van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van amfetamine en het aanwezig hebben van een gewijzigd vuurwapen, een hagelpatroon en twee gasdrukpistolen. Oplegging van een gevangenisstraf van 25 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Beslag onttrekking aan het verkeer. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummers: 02-218233-25 en 02-126682-25 (gev. ttz) Vonnis van de meervoudige kamer van 20 augustus 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, ingeschreven op het [adres] , raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 06 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 02-126682-25 feit 1: samen met anderen ongeveer 2432,8 gram amfetamine heeft geproduceerd dan wel aanwezig heeft gehad; feit 2: samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de productie van amfetamine; 02-218233-25 feit 1: een hoeveelheid amfetamine en GHB aanwezig heeft gehad; feit 2: een dubbelloops hagelgeweer met uitwendige hanen en een hagelpatroon voorhanden heeft gehad; feit 3: twee gasdrukpistolen voorhanden heeft gehad. 3 De voorvragen 3.1. De geldigheid van de dagvaarding 3.1.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat het aan verdachte tenlastegelegde aanwezig hebben van een of meer hoeveelhe(i)d(en) amfetamine onder feit 1 van parketnummer 02-218233-25 onvoldoende afgebakend en concreet is, waardoor de dagvaarding ten aanzien van dit feit partieel nietig verklaard dient te worden. 3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd onder feit 1 van parketnummer 02-218233-25 in het licht van het dossier voldoende duidelijk is en er derhalve geen grond bestaat voor partiële nietigheid van de dagvaarding. 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank De tenlastelegging dient in samenhang met het complete dossier bekeken te worden. Mede gelet daarop, behelst de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. De rechtbank is gezien voorgaande van oordeel dat bij verdachte geen enkele twijfel kan bestaan welke gedraging hem in feit 1 onder parketnummer 02-218233-25, namelijk het op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats] in bezit hebben van één of meer hoeveelhe(i)d(en) amfetamine , verweten wordt. Daarmee voldoet de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig is. 3.2. De overige voorvragen De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op grond van de stukken in het dossier en de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Zij verzoekt daarbij verdachte partieel vrij te spreken voor zover de tenlastelegging ziet op medeplegen, nu daarvoor geen bewijs is. 4.2. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 02-126682-25 bepleit de verdediging als volgt. De melding van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) is onrechtmatig, nu deze van de politie zelf afkomstig lijkt te zijn. Om deze reden dient deze melding van het bewijs uitgesloten te worden. Dit leidt ertoe dat er een onspecifieke melding via Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) overblijft, wat onvoldoende is voor het afgeven van een machtiging tot binnentreden voor betreding van de woning en schuur van verdachte. Door dit vormverzuim dient volgens de verdediging bewijsuitsluiting te volgen van al het na de binnentreding verzamelde bewijs. Primair bepleit de verdediging dan ook vrijspraak voor zowel feit 1 als feit 2 bij gebrek aan bewijs. Subsidiair refereert de verdediging zich ten aanzien van feit 1 met betrekking tot het bezit van de amfetamine, maar niet met betrekking tot het medeplegen, nu daarvoor geen indicatie aanwezig is in het dossier. Ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging (wederom) vrijspraak, aangezien er überhaupt geen sprake is van bewijs voor voorbereidingshandelingen als men goed kijkt naar de spullen die zijn aangetroffen bij verdachte (o.a. tonnen en bijna lege jerrycan onder een laag stof, blauwe jerrycan methanol en grote hoeveelheid cafeïne) en zijn verklaring hierbij (de amfetamine kocht hij elders en was voor eigen gebruik, de cafeïne gebruikte hij om met deze amfetamine te versnijden, de methanol betrof brandstof voor voertuigen en de overige spullen waren van vorige bewoners). Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 02-218233-25 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02-126682-25 Onrechtmatigheid TCI-melding? De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de mondelinge TCI-melding onrechtmatig tot stand is gekomen, omdat de politie de informatie in deze melding zelf zou hebben geregisseerd. De informatie die vanuit het TCI in een proces-verbaal terecht komt, is afkomstig van informanten die gescreend zijn en “gerund worden” door de politie. Informatie van deze informanten wordt getoetst door de TCI-politiechef en de TCI-officier van justitie. Hierbij wordt telkens aangegeven of de informatie als wel of niet betrouwbaar kan worden aangemerkt, of dat er niets over de betrouwbaarheid kan worden gezegd. De rechtbank constateert in de inhoud van de TCI-melding, noch in de verslaglegging in een ambtsedig proces-verbaal onregelmatigheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de TCI-melding samen met de MMA-melding gecombineerd met de politieregistratie van 2 september 2024 voldoende grondslag vormde voor het afgeven van een machtiging tot binnentreden, waardoor er geen sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv en er geen bewijsuitsluiting dient te volgen. Feit 1 De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 januari 2025 de tenlastegelegde hoeveelheid van ongeveer 2432,8 gram amfetamine aanwezig had. Dit werd op die dag door de politie in een vriezer in zijn woning in [plaats] aangetroffen. Nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte dit feit met een ander heeft gepleegd zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. Feit 2 De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen verder de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 30 januari 2025 zijn, naast amfetamine, in de schuur en tuin bij de woning van verdachte ook speciekuipen, een grote hoeveelheid cafeïne en jerrycans met methanol aangetroffen. Deze voorwerpen en stoffen zijn essentieel voor de productie van amfetamine. Verdachte heeft als verweer aangevoerd dat de aangetroffen goederen van vorige bewoners waren. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat hij de bij hem aangetroffen amfetamine niet zelf heeft geproduceerd maar heeft gekocht, waarbij hij € 700,00 heeft betaald voor twee kilo amfetamine en daarbij nog wat gratis amfetamine kreeg. Over dit verweer overweegt de rechtbank het volgende. Uit openbare bronnen blijkt dat de marktprijs van twee kilo amfetamine tussen de € 10.000,00 en € 20.000,00 ligt. Reeds hierom acht de rechtbank het uiterst ongeloofwaardig dat verdachte voor € 700,00 twee kilo amfetamine zou hebben kunnen kopen, laat staan dat hij er gratis amfetamine bij zou hebben gekregen. Dat de in de schuur aangetroffen goederen van vorige bewoners waren, acht de rechtbank evenmin geloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat hij al vier jaar op dat adres woonde. Dat zou betekenen dat de in ruimte 2 aangetroffen speciekuipen inclusief de daarin aangetroffen amfetamineresten al vier jaar stof en vuil zouden moeten hebben verzameld. Hiervan is echter niets zichtbaar op de foto’s. Integendeel, deze laten onder meer een relatief schone bak met groene kristallen zien. Ook stond er naast de speciekuipen een schone tas met daarin een schone zak met amfetaminepasta. Gelet hierop acht de rechtbank het verweer niet aannemelijk zodat het wordt verworpen. Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen bestemd waren voor het produceren van amfetamine en dat verdachte amfetamine produceerde. Verdachte heeft hiermee opzet gehad op de door hem gepleegde voorbereidingshandelingen, gericht op het opzettelijk vervaardigen van amfetamine. Niet blijkt dat verdachte dit feit met een ander heeft gepleegd, waardoor de rechtbank verdachte partieel zal vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. 02-218233-25 Feit 1 De rechtbank acht feit 1, het op 17 juli 2025 in [plaats] opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden amfetamine en een hoeveelheid GHB wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen en de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut. Feit 2 De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat die dag naast bovengenoemde verdovende middelen in de woning van verdachte ook een dubbelloops hagelgeweer en een hagelpatroon zijn aangetroffen. Als uitgangspunt geldt dat een persoon wordt geacht wetenschap te hebben van de in zijn woning aanwezige goederen en dat deze goederen zich (daarmee) ook in de machtssfeer van die persoon bevinden, tenzij er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit voortvloeit dat dit in dit specifieke geval anders is. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het hagelgeweer lag op de koelkast in de woning van verdachte. Een gemiddeld persoon gebruikt een koelkast regelmatig op een dag. Bovendien was dit de koelkast met vriezer waarin verdachte zijn amfetamine bewaarde, waarover hij heeft verklaard dat hij dat gebruikte vanwege zijn verslaving. Het hagelpatroon lag op een kast in de achterkamer, waar ook de cafeïne werd opgeslagen waarover verdachte heeft verklaard dat hij dit gebruikte bij de inname van amfetamine. Gelet op deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het hagelgeweer in zijn woning. Verdachte had hier ook de beschikkingsmacht over nu hij de (enige) bewoner van de woning was. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, zoals na het onderzoek aan het wapen is gebleken, een gewijzigd vuurwapen, te weten een dubbelloops hagelgeweer, en een hagelpatroon voorhanden heeft gehad. Feit 3 De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de processen-verbaal van verbalisant Goeijers van 17 juli 2025. 4.4. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02-126682-25 feit 1 op 30 januari 2025 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 2432,8 gram (netto) amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 2 op of omstreeks 30 januari 2025 te [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten - het opzettelijk vervaardigen van hoeveelheden amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - voorwerpen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een of meer ruimtes, gelegen aan [adres] , te gebruiken voor de productie van synthetische drugs en - chemicaliën en grondstoffen, te weten (jerrycans met) methanol (in totaal 58,48 kilogram) en een hoeveelheid cafeïne (20,26 kilogram) en speciekuipen voorhanden te hebben, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit; 02-218233-25 feit 1 op 17 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I te weten meerdere hoeveelheden amfetamine en een hoeveelheid GHB, aanwezig heeft gehad; feit 2 op 17 juli 2025 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 3, te weten een gewijzigd vuurwapen (dubbelloops hagelgeweer met uitwendige hanen), en munitie van categorie III, te weten een hagelpatroon voorhanden heeft gehad; feit 3 op 17 juli 2025 te [plaats] wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool (inbeslaggenomen onder goednummer 2884732), en een gasdrukpistool (inbeslaggenomen onder goednummer 2884728), voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Later vult zij haar eis aan in die zin dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering dienen te worden toegevoegd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen langer dan de duur van het voorarrest. Daarbij merkt de verdediging op dat verdachte openstaat voor reclasseringstoezicht. 6.3. Het oordeel van de rechtbank De aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal ernstige feiten. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van vele kilo’s amfetamine en GHB, aan het voorbereiden van het vervaardigen van amfetamine en aan het bezit van wapens. Het bezit van harddrugs is een ernstig feit. Harddrugs kunnen niet alleen grote gezondheidsschade toebrengen aan de gebruiker, ook gaan de productie en de handel ervan gepaard met ernstige criminaliteit. Daarbij komt dat het ongecontroleerd bezit van (vuur)wapens en het geweld dat daarmee gepaard kan gaan de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij vergroten. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is gekomen in verband met overtreding van de Opiumwet. Dit betreffen relatief oude en/of geringe overtredingen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, zodat zij daarmee rekening zal houden bij de strafoplegging. De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsrapport van 8 juli 2026 dat over verdachte is opgesteld. Daaruit volgt dat verdachte al jaren kampt met hardnekkige verslavingsproblematiek. Er is sprake van probleembesef, maar ook van een ambivalente houding ten aanzien van gedragsverandering. De reclassering ziet risico’s op de leefgebieden middelengebruik en verslaving, het psychosociaal functioneren, houding, het niet hebben van daginvulling en het gebrek aan inzicht in zijn netwerk. De reclassering ziet een gebrek aan motivatie ten aanzien van ambulante behandelverplichting met mogelijkheid tot klinische opname en daginvulling. Verdachte kenmerkt zich door rigide denken, waardoor zijn overtuigingen moeilijk te beïnvloeden zijn. Als beschermende factor ziet de reclassering zijn steunend familienetwerk en zijn drie kinderen. Gelet op het rigide denken en het gebrek aan motivatie adviseert de reclassering een straf zonder voorwaarden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij verbaasd is over de inhoud van het reclasseringsrapport. Na het vertrek van zijn eerdere behandelaren heeft hij moeite gedaan om een goede band op te bouwen met zijn huidige begeleider vanuit de reclassering. Ook staat hij open voor verdere behandeling. De rechtbank weegt in positieve zin de brief van Veilig Thuis van 27 mei 2026 mee, die de verdediging heeft overgelegd. Veilig Thuis zag de zorgen zoals die door de politie waren gemeld over de woning (vervuild, met elektrisch gereedschap direct voor het grijpen en vloer bezaaid met spullen) niet meer bevestigd. Er is inmiddels sprake van een opgeruimde woning en in de zorg voor de drie kinderen van verdachte spelen opa en oma (van moederszijde) en oma (van vaderszijde) een grote rol. Als verdachte omgang heeft met zijn kinderen houdt zijn moeder een oogje in het zeil. Ook schrijft Veilig Thuis dat verdachte open is over zijn verslavingsverleden bij hulpverlening en reclassering. Wel acht Veilig Thuis het noodzakelijk over het drugsgebruik en de woning een veiligheidsvoorwaarde op te stellen, zodat dit opgevolgd kan worden door de reeds betrokken partijen. In de praktijk betekent dit dat verdachte niet onder invloed van drugs mag verkeren als hij zijn kinderen ziet en de woonomgeving voor de kinderen veilig moet zijn. De strafoplegging Gelet op de ernst van het feiten, de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een gevangenisstraf zoals geëist, is in beginsel passend gelet op de grote hoeveelheid drugs en de aanwezigheid van wapens. De rechtbank komt echter tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist, gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte en de positieve stappen die hij heeft gezet met behulp van hulpverlening. De rechtbank acht een fors voorwaardelijk deel van de straf nodig, om een behandelkader mogelijk te blijven maken. Gezien de lange duur van de verslaving van verdachte (eenentwintig jaar) acht de rechtbank het opleggen van bijzondere voorwaarden noodzakelijk om de weg die ingeslagen lijkt te zijn te bestendigen. Verdachte geeft weliswaar ter zitting aan zelfstandig afgekickt te zijn van drugs, maar het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer iemand langdurig, ernstig verslaafd is geweest er hulp nodig is om niet alleen van drugs af te komen, maar ook af te blijven. Deze voorwaarden zijn gericht op (verdere) ambulante behandeling van de verslaving. Indien de reclassering het geïndiceerd acht, kan aan de rechtbank toestemming worden gevraagd voor een kortdurende klinische opname. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de straf koppelt de rechtbank bijzondere voorwaarden in lijn met de voorwaarden die eerder aan verdachte zijn opgelegd gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, zoals hierna opgenomen in het dictum van het vonnis. Het voorwaardelijke deel vormt voor verdachte een stok achter de deur om zich niet opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 7 Het beslag 7.1. De onttrekking aan het verkeer De inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het (ongecontroleerde) bezit daarvan in strijd is met de wet. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9 Beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 02-126682-25 feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; 02-218233-25 feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 25 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar ; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit - stelt als bijzondere voorwaarden : * dat verdachte zich binnen drie dagen na het uitzitten van zijn straf meldt bij de verslavingsreclassering en zich blijft melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt; * dat verdachte zich laat behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk na het uitzitten van zijn straf. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt; * dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur; * dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en/of drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd; * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Beslag - verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen: 02-218233-25: * 30 STK Pil (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884982); * 289 STK Pil (Omschrijving: PL2000-2025186638-G288669); * 529 STK Pil (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2886700); * 8.200 GR Poeder (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884695); * 1.012 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884689); * 1.033 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884684); * 1.236 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884692); * 209 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884686); * 1 STK Pistool (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884728); * 1 STK Pistool (Omschrijving: PL2000-2025186638-G2884732); 02-126682-25: * 996 GR Amfetamine (Omschrijving: PL2000-2025025167-G2821621); * 158 GR Amfetamine (Omschrijving: PL2000-2025025167-G2821624); * 6 GR Amfetamine (Omschrijving: PL2000-2025025167-G2821640); * 193 GR Amfetamine (Omschrijving: PL2000-2025025167-G2821648); * 1.018 GR Amfetamine (Omschrijving: PL2000-2025025167-G2821651); * 1.197 GR Amfetamine (Omschrijving: PL2000-2025025167-G2821657). Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 augustus 2026. De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat 02-126682-25 1 hij op of omstreeks 30 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer (in totaal) 2432,8 gram (netto) amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ahf/ond D Opiumwet ( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij op of omstreeks 30 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van een of meer hoeveelheden amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een of meer ruimtes, gelegen aan [adres] , te gebruiken en/of te laten gebruiken voor de productie van synthetische drugs en/of - chemicaliën en/of grondstoffen, te weten (jerrycans met) methanol (in totaal 58,48 kilogram) en/of een hoeveelheid cafeïne (20,26 kilogram) en/of roerijzers en/of speciekuipen en/of emmers voorhanden te hebben, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(en) te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en); ( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 02-218233-25 1 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats] al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een of meer hoeveelhe(i)d(en) amfetamine en/of een hoeveelheid GHB, aanwezig heeft gehad; ( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet ) 2 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 3, te weten een gewijzigd vuurwapen (dubbelloops hagelgeweer met uitwendige hanen), en/of enige munitie van categorie III, te weten een hagelpatroon voorhanden heeft gehad; ( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie ) 3 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats] een of meer wapen(s) van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool (inbeslaggenomen onder goednummer 2884732), en/of een gasdrukpistool (inbeslaggenomen onder goednummer 2884728), voorhanden heeft gehad; ( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )