Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:7952
Vrijspraak van het aanwezig hebben van softdrugs en het aanwezig hebben van harddrugs. Veroordeling voor medeplichtigheid aan het aanwezig hebben van harddrugs door gelegenheid te verschaffen en veroordeling voor diefstal. Oplegging van een gevangenisstraf van 183 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Beslag verbeurd verklaard. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-089381-25 Vonnis van de meervoudige kamer van 20 augustus 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, ingeschreven op het adres [adres 1] , raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 06 augustus 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. R. in ’t Veld, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 14 januari 2025 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest, aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest en aan diefstal meteen valse sleutel. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, amfetamine, methamfetamine, cocaïne en GHB, door zijn woning ter beschikking te stellen (zoals ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair). Ten aanzien van de overige harddrugs (mefedron, methamfetamine en LSD) verzoekt hij vrijspraak, nu het dossier hiervoor onvoldoende onderbouwing bevat. Deze stoffen zijn namelijk niet getest door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) De officier van justitie verzoekt integrale vrijspraak voor feit 2, nu het dossier ook ten aanzien van deze drugs onvoldoende onderbouwing bevat. Ook deze stoffen zijn niet getest door het NFI. Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie op basis van het dossier de diefstal wettig en overtuigend bewezen. Hij verzoekt partieel vrijspraak voor het gebruik van een valse sleutel, aangezien verdachte op het moment van de diefstal rechtmatig in de woning van aangeefster was. 4.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit ten aanzien van feit 1 vrijspraak, nu op basis van het dossier niet vast te stellen is dat verdachte opzet had op de medeplichtigheid aan het aanwezig hebben van drugs door zijn woning beschikbaar te stellen, nu nergens uit blijkt dat verdachte betrokkenheid had bij of wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in zijn woning. Ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging evenals de officier van justitie integrale vrijspraak. De diefstal ten laste gelegd onder feit 3 acht de verdediging wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte dient volgens de verdediging partieel vrijgesproken te worden van het gebruik van de valse sleutel. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte had per april van 2024 beschikking over de woning aan de [adres 2] . Omdat verdachte in deze woning niet kon aarden, verbleef hij met name bij zijn moeder in [plaats] . De buurvrouw van verdachte heeft bij zijn begeleider gemeld dat zij meerdere keren mannen (met dozen) het huis van verdachte in zag gaan, terwijl verdachte zelf niet aanwezig was. Dit was ook het geval op 11 januari 2025. Woensdagochtend 15 januari 2025 heeft verdachte zijn begeleider gebeld en hem een filmpje van zijn woning gestuurd. Op het filmpje was te zien dat er dozen, een laptop en een kast in de woning van verdachte stonden die niet van hem waren. Op 15 januari 2025 is de begeleider van verdachte naar de woning gegaan en zag daar een tas met pillen, waarop hij naar het politiebureau is gegaan. De politie treft vervolgens in de woonkamer van de woning van verdachte een grote hoeveelheid harddrugs aan. Verdachte geeft geen uitleg over hoe de drugs daar zijn gekomen en wie de mannen precies zijn die in zijn woning komen als hij er niet is, hoe zij aan de sleutel van zijn woning komen en wat zij in zijn woning doen. Wel heeft verdachte tegen zijn begeleider op 15 januari 2025 gezegd dat er een luchtje aan de spullen zat, dat het niet klopte en dat hij niet meer in de woning durfde te blijven. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij de mannen niet wil verlinken, dat hij al eens is meegenomen door ze en dat hij al te veel heeft gezegd. Hieruit blijkt dat verdachte op de hoogte was van de (mogelijke) aanwezigheid van de mannen in zijn woning en dat hetgeen zij in zijn woning deden niet legaal was. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet had op het beschikbaar stellen van zijn woning, zo ook op 15 januari 2025. Ook heeft verdachte hierdoor bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de mannen in zijn woning drugs aanwezig hadden. Concluderend acht de rechtbank feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, zoals onder 4.4 weergegeven. Feit 2 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Feit 3 Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank de diefstal van de televisie van aangeefster wettig en overtuigend bewezen. Niet blijkt uit het dossier dat verdachte zonder toestemming in de woning van aangeefster was en hij zonder toestemming van zijn moeder gebruik maakte van een huissleutel, waardoor de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het gebruik maken van een valse sleutel. 4.4. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat feit 1 subsidiair een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 15 januari 2025 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad - een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en - in elk geval 343,4 gram amfetamine, een materiaal bevattende Amfetamine, en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, en - 6,45 gram cocaïne, en - 4,3 liter GHB, (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 15 januari 2025 te [plaats] opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) zijn, verdachtes, woning gelegen aan de [adres 2] voor het opslaan van de voornoemde middelen, als bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst I, ter beschikking te stellen; feit 3 hij op 14 januari 2025 te [plaats] in een woning aan de [adres 3] , een televisie die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 183 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar. Aan deze voorwaardelijke straf verzoekt hij de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de bepleitte vrijspraak voor feit 1. Met betrekking tot de hoogte van de voorwaardelijke straf refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 6.3. Het oordeel van de rechtbank De aard en de ernst van de feiten Verdachte heeft zijn woning ter beschikking gesteld aan anderen om grote hoeveelheden harddrugs op te kunnen slaan. Het is algemeen bekend dat harddrugs, zoals cocaïne en MDMA, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal uit de woning van zijn moeder, die juist haar woning in die periode voor hem ter beschikking had gesteld omdat verdachte niet kon aarden in zijn eigen huis. Met deze diefstal heeft verdachte haar vertrouwen ernstig geschaad. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor diefstal, maar niet voor Opiumwetfeiten. Ook houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 30 juli 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit volgt dat er op meerdere leefgebieden sprake is van instabiliteit. Verdachte heeft een verstandelijke beperking, verblijft momenteel op straat, beschikt niet over structurele dagbesteding en er is sprake van middelenproblematiek. Positief vindt de reclassering dat verdachte in het kader van het schorsingstoezicht begeleiding ontvangt vanuit [zorgverlener]. Verdachte toont zich in voldoende mate ontvankelijk voor deze begeleiding. Hij is aangemeld bij [beschermd wonen] , een beschermde woonvoorziening, en er staat een intake voor een behandeling bij Novadic-Kentron gepland. De reclassering acht inzet van de verslavingsreclassering aangewezen, nu naast de huidige begeleiding ook behandeling van de verslavingsproblematiek noodzakelijk is. Daarbij wordt een klinische opname overwogen. De reclassering denkt hiermee het hoog ingeschatte recidiverisico te kunnen beperken en daarnaast kan gewerkt worden aan verdere stabilisatie op verschillende leefgebieden. Gelet hierop adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de beperkte rol die verdachte in het geheel heeft gehad. Het is de rechtbank bekend dat een organisatie die harddrugs produceert vaak misbruik maakt van mensen in een kwetsbare positie, zoals verdachte. De rechtbank gaat ervan uit dat daarvan ook in deze zaak sprake is geweest. Bovendien acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte actieve handelingen heeft verricht bij opslaan van de harddrugs. De strafoplegging Gelet op de ernst van het feiten, de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft getwijfeld om naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, ondanks de eis van de officier van justitie. Dit gelet op de maatschappelijke ontwikkeling dat personen zoals verdachte worden geronseld voor drugscriminaliteit. Voornoemde persoonlijke omstandigheden wegen naar het oordeel van de rechtbank echter dusdanig zwaar, dat dit aanleiding geeft om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest. Gelet op de ernst van het feit, het hoge recidiverisico en de stappen die nog te maken zijn richting stabiele leefomstandigheden acht de rechtbank een langere proeftijd noodzakelijk. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 183 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel koppelt de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, zoals hierna opgenomen in het dictum van het vonnis. 7 Het beslag 7.1. De verbeurdverklaring De inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraffen verbeurdverklaring op te leggen, omdat deze voorwerpen in verband staan met feit 1 zoals onder 4.4 bewezen is. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 48, 49, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9 Beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 3: diefstal; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 183 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar ; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; - stelt als bijzondere voorwaarden : * dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Korte Raamstraat 3 in Breda; * dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing; * dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; * dat verdachte zich laat begeleiden door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding is gericht op het verkrijgen van stabiliteit op de praktische leefgebieden, zoals huisvesting, dagbesteding en financiën. De begeleiding is reeds gestart. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding; * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Beslag - verklaart verbeurd de volgende voorwerpen: * 56 STK Label (Omschrijving: PL2000-2025012209-G2815759); * 1 STK Weegschaal (Omschrijving: PL2000-2025012209-G2815768); * 1 STK Weegschaal (Omschrijving: PL2000-2025012209-G2815767); * 1 STK Weegschaal (Omschrijving: PL2000-2025012209-G2815765); Voorlopige hechtenis - heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 augustus 2026. De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat 1 hij op of omstreeks 14 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad - 8.547,4 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of - 274,5 gram 2C-B, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, en/of - 274,2 gram mefedron, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mefedron, en/of - 343,4 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, en/of - 226,3 gram methamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, en/of - 6,45 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of - 4,3 liter GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, en/of - 140 zegels LSD, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD, (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet ) Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 15 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad - 8.547,4 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of - 274,5 gram 2C-B, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, en/of - 274,2 gram mefedron, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mefedron, en/of - 343,4 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, en/of - 226,3 gram methamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, en/of - 6,45 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,en/of - 4,3 liter GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, en/of - 140 zegels LSD, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD, (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 15 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) zijn, verdachtes, woning gelegen aan de [adres 2] voor het opslaan van de voornoemde middelen, als bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst I, ter beschikking te stellen; ( artikel 47 wetboek van Strafrecht art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet ) 2 hij op of omstreeks 14 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk, aanwezig heeft gehad, - 1.187,55 gram Xanax-Alprazolam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en/of - 238 gram hashish, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hashish, en/of (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet ) Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 15 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.187,55 gram Xanax-Alprazolam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en/of - 238 gram hashish, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hashish, en/of (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 15 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) zijn, verdachtes, woning gelegen aan de [adres 2] voor het opslaan van de voornoemde middelen, als bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst II, ter beschikking te stellen; ( artikel 47 wetboek van Strafrecht, art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet ) 3 hij op of omstreeks 14 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning aan de [adres 3] , althans een woning, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een televisie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde Heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen televisie onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht )