Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:7937
Schenden concurrentiebeding door medisch specialist en praktijkvennootschap. Concurrerende zorg. In het kader van het concurrentiebeding te respecteren bestaande afspraken. Weigeren toestemming op onredelijke gronden. Gebod staken participatie. Gebod staken specialistische zorg. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/450055 / KG ZA 26-381 Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026 in de zaak van 1. De besloten vennootschap ADMIRAAL DE RUYTER ZIEKENHUIS B.V. , statutair gevestigd te Goes, 2. de coöperatie COÖPERATIEF MEDISCH SPECIALISTISCH BEDRIJF ADMIRAAL DE RUYTER ZIEKENHUIS U.A. , statutair gevestigd te Middelburg, eisende partijen, hierna samen te noemen: ADRZ c.s., en ieder voor zich ADRZ en CMSB, advocaat: mr. A.C. de Die, tegen 1. De besloten vennootschap [gedaagde partij 1] B.V. , statutair gevestigd te [plaats 1] , 2. [gedaagde partij 2] , wonende te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] en ieder voor zich [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] , advocaat: mr. R.H.W. van Ewijk. Samenvatting In dit kort geding spreken het ziekenhuis ADRZ en het medisch specialistisch bedrijf CMSB medisch specialist [gedaagde partij 2] en zijn praktijkvennootschap aan. De vraag is of [gedaagde partij 2] met het oprichten van handzenuwcentrum Hanz via zijn praktijkvennootschap [gedaagde partij 1] , ongeoorloofd concurreert met de zorg die binnen het ziekenhuis van ADRZ geleverd wordt. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat, omdat ADRZ geen partij is bij de ledenovereenkomst gesloten tussen CMSB en [gedaagde partij 1] , en aan haar stelling dat [gedaagde partijen] onrechtmatig jegens haar handelt onvoldoende ten grondslag legt, de vorderingen voor zover die zijn ingesteld door ADRZ worden afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat wel aannemelijk is dat [gedaagde partijen] het concurrentiebeding dat werd overeengekomen met CMSB schendt. Er is sprake van concurrerende zorg. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat de toestemming die [gedaagde partijen] kreeg om activiteiten buiten het ziekenhuis van ADRZ te ontplooien zo ruim moet worden opgevat dat de activiteiten binnen Handz daaronder kunnen vallen. Het is verder niet zo dat CMSB nu op onredelijke gronden geen toestemming geeft voor participatie van [gedaagde partijen] in Handz. [gedaagde partijen] moet binnen een maand haar bestuurlijke taken binnen Handz neergelegd hebben en ook gestopt zijn met het bieden van medisch specialistische zorg. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de producties 1 tot en met 23 - de producties 24 tot en met 28 en 29 van ADRZ - de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 7 - de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van ADRZ c.s. - de notities voor de zitting van [gedaagde partijen] 2 De feiten 2.1. [gedaagde partij 1] is de praktijkvennootschap van [gedaagde partij 2] , [gedaagde partij 1] is lid van het CMSB. [gedaagde partij 2] is bestuurder van [gedaagde partij 1] en sinds 1 april 1997 als plastisch chirurg werkzaam in het ADRZ. [gedaagde partij 2] is niet in loondienst bij het ADRZ. Hij is via zijn praktijkvennootschap werkzaam als vrijgevestigd medisch specialist. 2.2. Handz B.V. (hierna: Handz), gevestigd te Goes, is een zelfstandig behandelcentrum voor medisch specialistische zorg en beschikt over een verplichte vergunning op grond van de Wet toelating zorgaanbieders. Handz is op 24 december 2025 opgericht en heeft op 15 mei 2026 haar deuren geopend als “Handzenuwcentrum”. [gedaagde partij 1] is bestuurder en algemeen directeur van Handz. Bij Handz werken een neuroloog en klinisch neurofysiologisch laborante. Zij zijn niet verbonden aan het ADRZ en/of CMSB. Op de website van Handz worden [gedaagde partij 2] en de neuroloog gepresenteerd als “ervaren specialisten”. 2.3. ADRZ en CMSB hebben in 2015 een samenwerkingsovereenkomst (hierna: SOK) gesloten. De SOK is in 2024 aangepast. In de SOK is overeengekomen dat het ADRZ zich voor het verlenen van medisch specialistische zorg, waartoe zij zich jegens de zorgverzekeraar heeft verplicht, exclusief bedient van de dienstverlening door de leden van CMSB. 2.4. Tussen CMSB en haar leden, waaronder ook [gedaagde partij 1] , gelden twee overeenkomsten, de Ledenovereenkomst (hierna: LOK) en de Dienstverleningsovereenkomst. Beide overeenkomsten zijn gesloten in 2015 en toen ook ondertekend door [gedaagde partij 1] . In 2024 zijn er nieuwe versies opgesteld. Bij de LOK behoren bijlage 4 “Verklaring Kwaliteit & Veiligheid” en bijlage 5 “Bestaande afspraken nevenactiviteiten”. De statuten van CMSB voorzien in artikel 4 lid 1 in de bevoegdheid voor CMSB om de LOK en Dienstverleningsovereenkomsten en andere overeenkomsten met haar leden krachtens een besluit van de ledenraad te wijzigen. 2.5. In artikel 2.2 van de LOK is bepaald dat het lid en de medisch specialist alle verplichtingen uit de SOK, die naar hun aard betrekking hebben op en uitgevoerd worden door een lid dan wel door de betreffende specialist, nakomen als ware dit hun eigen verplichtingen. Met de Verklaring Kwaliteit & Veiligheid verklaart de medisch specialist dat hij een exemplaar van de SOK heeft ontvangen, zich bewust is van de verplichtingen die daaruit voor hem voortvloeien en zich daaraan zal houden. 2.6. In beide versies van de SOK is een concurrentiebeding opgenomen. 2.7. In de LOK van 2015 en in de versie van 2024 luiden de artikelen 8.1 en 8.2 als volgt (met dien verstande dat in artikel 8.2 in de versie van 2024 wordt verwezen naar “Bijlage 5” en in de versie van 2015 naar “Bijlage 6”): “(…) Artikel 8.1 De Coöperatie en het Lid houden rekening met elkaars gerechtvaardigde belangen en de continuïteit van de door de Coöperatie te verlenen zorg. Artikel 8.2 Het Lid en de Medisch Specialisten onthouden zich, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van het Bestuur, welke toestemming niet op onredelijke gronden zal worden onthouden, van directe of indirecte participatie in een zorgaanbod buiten het verband van de Coöperatie, dat mogelijk concurreert met dan wel gelijk is aan het zorgaanbod van de Coöperatie met dien verstande dat de in Bijlage 6 opgenomen huidige afspraken gerespecteerd zullen worden. In geval van redelijke twijfel over het concurrerend zijn van het zorgaanbod vraagt de betrokken partij toestemming als vorenbedoeld. (…)”. 2.8. [gedaagde partij 2] werkte aanvankelijk met het ADRZ samen op basis van een Toelatingsovereenkomst (hierna: TLO) die laatstelijk was aangepast in 2012 en welke [gedaagde partij 2] heeft ondertekend. Ook in deze TLO was in artikel 27 een concurrentiebeding opgenomen. Van deze overeenkomst maakte verder een Addendum (hierna: het Addendum) onderdeel uit waarnaar verwezen wordt in artikel 31 TLO: “(…) Artikel 31. Bijlage A Van deze overeenkomst maakt deel uit de Bijlage A, waarin zijn opgenomen bijzondere afspraken over verkregen rechten en daarmee samenhangende verplichtingen. (…)” Het door [gedaagde partij 2] ondertekende Addendum behorend bij de gewijzigde toelatingsovereenkomst per 1 januari 2012 ziet er als volgt uit: De tekst van het Addendum is door de jaren heen, laatstelijk in 2025, bevestigd. Inmiddels is er een document getiteld ‘Nevenactiviteiten Vakgroep Plastische Chirurgie’ (hierna: Document Nevenactiviteiten) waarin achter de naam van [gedaagde partij 2] is opgenomen: “(…) - Intramurale en extramurale extra budgettaire consulten & behandelingen / Intramurale activiteiten bij overige zorginstellingen / Adviezen, onderzoeksactvtiteiten, exptertisen / Onderwijs - Bestuurder HPRN, directie MedCentric ”. “(…). 2.9. [gedaagde partij 2] heeft de Raad van Bestuur van ADRZ op 11 mei 2026 mondeling geïnformeerd over het voornemen Handz op te richten. [gedaagde partij 2] heeft het bestuur van CMSB niet op de hoogte gesteld en geen toestemming gevraagd. 2.10. Op 18 juni 2026 heeft de advocaat van ADRZ c.s. een brief aan [gedaagde partij 1] gestuurd waarin [gedaagde partij 1] wordt verzocht, en zo nodig gesommeerd, Handz te staken en gestaakt te houden. [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] hebben daar geen gevolg aan gegeven. Bij brief van 21 juli 2026 hebben [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] via hun advocaat aan ADRZ c.s. verzocht om met terugwerkende kracht toestemming te verlenen voor het exploiteren van de activiteiten van Handz. Bij brief van 24 juli 2026 is door ADRZ c.s. medegedeeld dat deze toestemming niet wordt gegeven. 3 Het geschil 3.1. ADRZ c.s. vordert - samengevat - [gedaagde partijen] te gebieden de exploitatie van Handz, de participatie in Handz en het verlenen van medisch specialistische zorg door [gedaagde partijen] per datum vonnis te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag dat Handz in strijd handelt met het vonnis met een maximum van € 250.000,00 met veroordeling van [gedaagde partijen] in de proceskosten, een en ander onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. ADRZ c.s. heeft het petitum ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nader toegelicht in die zin dat de vordering gericht is op het doen beëindigen van de participatie van [gedaagde partijen] in Handz en niet op het beëindigen van Handz. 3.2. ADRZ c.s. legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde partijen] direct in strijd handelt met het concurrentiebeding door zonder toestemming van het bestuur Handz te exploiteren en binnen Handz medisch specialistische zorg te verlenen. Dit moet per direct worden beëindigd. ADRZ c.s. betwist gemotiveerd dat het [gedaagde partij 1] dan wel [gedaagde partij 2] , op grond van eerder, bij het Addendum, verleende toestemming, vrijstaat in de hele provincie Zeeland zorgactiviteiten te ontplooien. Het Addendum vormt onderdeel van de bestaande afspraken zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 LOK. Dat gaat om activiteiten die op het moment van het vragen en verlenen van toestemming bekend en besproken zijn. Dat betreft de activiteiten binnen MedCentric en het Zeeuws Hand Pols Centrum. Dat betreft niet de initiatieven die binnen Handz worden ontplooid. De TLO is met ingang van 2015 komen te vervallen in verband met de gewijzigde bekostigingssystematiek. Afgezien daarvan houdt het beroep door [gedaagde partijen] op de formuleringen in het Addendum respectievelijk het Document Nevenactiviteiten als “extra budgettaire consulten & behandelingen” of “intramurale activiteiten bij overige zorginstellingen” geen stand. Als “extra budgettair” zou worden gelezen in het licht van de huidige bekostiging dan moet het alsnog gaan om activiteiten die ofwel niet-verzekerde zorg betreffen of buiten de productieafspraken van het ADRZ met de zorgverzekeraars vallen. Dat is niet het geval. De aanduiding “intramurale activiteiten” ziet op activiteiten jegens patiënten die bij een zorginstelling zijn opgenomen. De activiteiten van Handz zijn dat niet. Handz is een nieuw initiatief waarvoor afzonderlijk toestemming had moeten worden gevraagd. Patiënten die door Handz worden geholpen, worden niet door ADRZ c.s. geholpen. Daarmee tast Handz de productie van ADRZ aan. [gedaagde partijen] handelt ook in strijd met artikel 8 lid 1 LOK en met artikel 24 lid 1 SOK inhoudend dat partijen met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening moeten houden. Het gerechtvaardigd belang van ADRZ c.s. is dat een lid respectievelijk medisch specialist geen activiteiten onderneemt die de positie van ADRZ c.s. ondermijnen en dat doet [gedaagde partijen] wel. Het is in het belang van ADRZ te voorkomen dat patiënten worden weggetrokken omdat zij zich tegenover de zorgverzekeraars heeft verbonden tot het voldoen aan productieafspraken. CMSB moet op grond van de SOK haar afspraken met ADRZ nakomen. [gedaagde partijen] frustreert dat. [gedaagde partijen] is op grond van de artikelen 2.2 en 4.1. LOK als lid én als medisch specialist gebonden aan de inhoud van de SOK. Het initiatief van [gedaagde partijen] doorkruist de naleving van de SOK in ieder geval ten aanzien van de naleving van het concurrentiebeding van de SOK maar strookt ook niet met de gelijkgerichtheid waartoe de SOK strekt. Volgens ADRZ c.s. handelt [gedaagde partijen] voorts onrechtmatig door zich niet aan het concurrentiebeding te houden. ADRZ c.s. stelt gemotiveerd dat zij spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. 3.3. [gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ADRZ c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ADRZ c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ADRZ c.s. in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde partijen] betwist gemotiveerd dat ADRZ c.s. een spoedeisend belang bij haar vordering heeft als bedoeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Volgens [gedaagde partijen] beroept ADRZ c.s. zich ten onrechte op de concurrentiebedingen in de SOK en LOK uit 2024. [gedaagde partij 2] heeft de LOK van 2024 niet ondertekend. Hij heeft enkel de LOK van 16 maart 2015 ondertekend. Daarop is de SOK van toepassing verklaard zoals die is overeengekomen tussen ADRZ en CMSB op 22 december 2014. Er is geen sprake van concurrerende activiteiten. Indien en voor zover er wél geoordeeld zou worden dat sprake is van concurrerende activiteiten, is er volgens [gedaagde partijen] sprake van nevenactiviteiten waarvoor al toestemming is gegeven. [gedaagde partijen] verwijst naar het Addendum bij de TLO en het Document Nevenactiviteiten. Indien en voor zover voor de activiteiten van Handz toestemming vereist was, onthoudt ADRZ c.s. die op oneigenlijke gronden. [gedaagde partijen] stelt voorts dat het belang van Handz bij het voortzetten van de exploitatie zwaarder moet wegen, zeker ook gelet op het belang van de patiënten, dan het belang van ADRZ c.s. bij stopzetting daarvan. Volgens [gedaagde partijen] is het petitum te ruim geformuleerd en leidt dit, bij toewijzing, ertoe dat [gedaagde partij 2] zijn vak in het geheel niet meer zou mogen uitoefenen. Deze vordering kan dan ook niet worden toegewezen. [gedaagde partijen] betwist dat er aanleiding bestaat voor het opleggen van een dwangsom. Indien en voor zover de vorderingen van ADRZ c.s. worden toegewezen dan verzoekt [gedaagde partijen] daarbij een termijn in acht te nemen van drie maanden. Eerder kan niet aan het vonnis worden voldaan. [gedaagde partijen] verzoekt daarnaast, gemotiveerd, een veroordeling slechts uit te spreken onder de voorwaarde dat ADRZ c.s. binnen één week na dit vonnis een bodemprocedure aanhangig zal hebben gemaakt, te bepalen dat een veroordeling slechts geldt totdat in de bodemprocedure eindvonnis is gewezen en om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat ADRZ c.s. daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Spoedeisend belang 4.2. Aan haar stelling dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft, legt ADRZ c.s. ten grondslag dat het in het belang van ADRZ en CMSB is dat de activiteiten van Handz B.V. op de kortst mogelijke termijn worden beëindigd. ledere dag dat Handz langer concurreert met ADRZ en CMSB wordt de positie van ADRZ en CMSB op de deelmarkt van de hand-/polsklachten verder uitgehold. Bij patiënten moet niet de indruk ontstaan dat zij bij Handz moeten zijn in plaats van ADRZ. [gedaagde partij 1] tast met Handz de financiële positie van ADRZ en CMSB aan door zorg aan te bieden en te declareren die anders door ADRZ zou worden gedeclareerd. Er stromen opbrengsten van de medisch specialistische zorg van ADRZ naar Handz. Het concurrentiebeding strekt ertoe dit te voorkomen. 4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ADRZ c.s., gelet op hetgeen zij aan haar vordering ten grondslag legt, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Het spoedeisend belang is namelijk gelegen in de aard van de vordering, waarbij ADRZ c.s. stelt dat sprake is van een voortdurende schending van concurrentie afspraken. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat een minder stringente opstelling van ADRZ c.s. bij de leden van CMSB de indruk zou kunnen wekken dat ADRZ c.s. weinig belang hecht aan concurrentie afspraken en dat het hen vrijstaat om mogelijk concurrerende activiteiten te ondernemen. Het antwoord op de vraag of juist is dat, zoals [gedaagde partijen] stelt, de financiële positie van het ziekenhuis niet wordt aangetast en, indien daarvan al sprake zou zijn, daarvan op korte termijn geen sprake is omdat het ziekenhuis vol zit en op korte termijn geen patiënten kán zien en behandelen, kan dan ook in midden blijven. Vorderingen ingesteld door ADRZ 4.4. De voorzieningenrechter verwerpt het betoog van ADRZ dat zij op grond van de uit de SOK, de LOK en de Dienstverleningsovereenkomst voortvloeiende gekoppelde constructie een lid van CMSB kan aanspreken wanneer dat lid zich niet houdt aan de bepalingen uit de SOK of de LOK. ADRZ is geen partij bij de LOK en ook niet bij de Dienstverleningsovereenkomst. Dat artikel 2.2 van de LOK het lid en de Medisch Specialist verplicht de verplichtingen uit de SOK na te leven, leidt er niet toe dat ADRZ partij wordt bij één van deze overeenkomsten en het lid dan wel de medisch specialist kan aanspreken op nakoming daarvan. 4.5. ADRZ stelt (subsidiair) dat [gedaagde partijen] als gevolg van het feit dat zij zich niet aan de uit de SOK en de LOK voortvloeiende verplichtingen houdt, jegens ADRZ onrechtmatig handelt. Het enkele feit dat [gedaagde partijen] zich niet aan de uit de SOK en de LOK voortvloeiende verplichtingen houdt kan, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet tot het oordeel leiden dat [gedaagde partijen] (ook) onrechtmatig jegens ADRZ handelt. Voor zover de vorderingen door ADRZ zijn ingesteld, zullen deze dus worden afgewezen. 4.6. De vorderingen van CMSB zijn gegrond op nakoming van de LOK en zullen hierna besproken worden. De tussen partijen geldende overeenkomsten 4.7. Door [gedaagde partijen] is betoogd dat zij de meest recente LOK en Dienstverleningsovereenkomst van 2024 niet heeft ondertekend terwijl CMSB haar overtreding van de in die overeenkomsten opgenomen concurrentiebedingen verwijt. Zij betwist voorts dat de wijzigingsprocedure die opgenomen is in de LOK en waarin de statuten van de CMSB in artikel 4.1 jo artikel 10 lid 1 LOK voorzien is gevolgd. Ook via die route is [gedaagde partijen] niet gebonden aan de meest recente versies van de LOK en SOK. De voorzieningenrechter zal deze stellingen van [gedaagde partijen] onbesproken laten. Het concurrentiebeding in de wel door [gedaagde partij 2] ondertekende LOK van 2015 is, zo is ter zitting besproken, tekstueel eensluidend aan het concurrentiebeding zoals opgenomen in de LOK van 2024. Concurrerend zorgaanbod 4.8. Voor het antwoord op de vraag of de vorderingen van CMSB kunnen worden toegewezen, is allereerst van belang of aannemelijk is geworden dat [gedaagde partijen] , door te participeren in Handz, concurrerende zorg verleent. 4.9. Uit de stellingen van partijen over en weer en hetgeen ter zitting is besproken, is komen vast te staan dat Handz neurologische zorg aanbiedt en zich richt op het diagnosticeren van patiënten die lijden aan het carpaletunnelsyndroom en andere handzenuwproblemen. Wanneer na het stellen van de diagnose blijkt dat kan worden volstaan met behandeling bestaande uit een brace of het zetten van een injectie, gebeurt dat ook binnen Handz. Onbestreden stelt CMSB dat dit hele pakket onderdeel uitmaakt van en valt binnen het zorgprofiel van de zorg binnen ADRZ. Gelet daarop is voorshands aannemelijk dat de patiëntenzorg die Handz aanbiedt op het gebied van diagnose en behandeling gelijk is aan het zorgaanbod van CMSB en dus valt onder artikel 8 lid 2 van de LOK. ADRZ heeft ter zitting toegelicht dat zij voor het stellen van de diagnose en voor behandeling door middel van een brace productieafspraken gemaakt heeft met zorgverzekeraars en dat zij die niet kan halen als Handz deze behandelingen uitvoert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit aannemelijk en raakt dit direct de belangen van CMSB, die daarmee (ook) omzet misloopt. [gedaagde partijen] heeft vooralsnog onvoldoende duidelijk kunnen maken waarom relevant is dat bij Handz sprake is van ‘vrij gedeclareerde omzet’. Dat de wachttijden op dit moment bij het ADRZ langer zijn, doet ook niet af aan het concurrerende karakter. De tekst van het concurrentiebeding voorziet immers niet in een uitzondering in die zin dat wanneer de wachttijden binnen het ADRZ oplopen de leden van CMSB en de medische specialisten concurrerende zorg aan kunnen bieden. Verder is niet gezegd dat ADRZ er niet in zal slagen om de wachttijden terug te dringen. Zij heeft toegelicht dat zij doende is met het oprichten van ADRZ-Direct om onder meer de behandeling van het carpaletunnelsyndroom te bespoedigen. ADRZ-Direct moet begin 2027 zijn beslag krijgen. 4.10. Omdat voorshands aannemelijk is dat er sprake is van concurrerende patiëntenzorg is, in beginsel, voor het uitoefenen daarvan voorafgaande schriftelijke toestemming van het bestuur van CMSB vereist. Als onbestreden staat vast dat [gedaagde partijen] voorafgaand aan de oprichting van Handz en de opening van de kliniek geen toestemming aan het bestuur van CMSB heeft gevraagd en dat de door [gedaagde partijen] bij brief van 21 juli 2026 alsnog gevraagde toestemming door CMSB bij brief van 24 juli 2026 is geweigerd. Een en ander is anders als de aangeboden zorg valt onder ‘huidige afspraken’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 LOK. Huidige afspraken 4.11. Voor de vraag of, zoals [gedaagde partijen] stelt, het vragen van toestemming achterwege kon blijven, is dus van belang of de patiëntenzorg die Handz biedt valt onder de “huidige afspraken” die gerespecteerd zullen worden, zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 van de LOK. [gedaagde partijen] stelt dat daarvan sprake is. Volgens [gedaagde partijen] is er sprake van nevenactiviteiten waarvoor al toestemming is gegeven. [gedaagde partijen] verwijst naar het Addendum bij de TLO waarin de nevenactiviteiten zijn opgenomen en die zijn bevestigd op 8 mei 2025 in het Document Nevenactiviteiten. Dat betreft niet slechts activiteiten die op het moment van het verlenen van die toestemming bekend waren en waren besproken. Voor die uitleg is volgens [gedaagde partijen] geen enkele steun te vinden in de formulering van de toegestane nevenwerkzaamheden. Volgens [gedaagde partijen] is deze toestemming, anders dan CMSB stelt, ook niet zinledig geworden vanwege het feit dat de tekst aansluit bij de verouderde bekostigingssystematiek. Een wijziging daarin verandert niets aan de gekozen bewoordingen zoals ‘intramuraal’ of de woorden ‘bij andere zorginstellingen’. De reden voor de brede bepaling is, en dat is volgens [gedaagde partijen] bekend, dat het al sinds jaar en dag zo is dat [gedaagde partijen] elders werkzaamheden mag verrichten en dat zij dit ook al geruime tijd doet. Zo is Handz Holding B.V., waarvan [gedaagde partij 1] bestuurder is, al sinds 9 november 2012 bestuurder van Hand- en Pols Revalidatie Nederland B.V., een expertisecentrum in hand- en polsrevalidatie. Daarnaast is [gedaagde partij 2] sinds 1999 directielid bij MedCentric B.V., een zelfstandig behandelcentrum voor plastische chirurgie met poliklinieken. Hij voert daar behandelingen en operaties uit die binnen het ADRZ ook door de leden van CMSB worden verricht. 4.12. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het feit dat in 2015 op een andere bekostigingssystematiek is overgegaan waarop de terminologie van het Addendum niet meer aansluit er niet toe leidt dat geen acht moet worden geslagen op de tekst van het Addendum. Dat is eens temeer zo nu deze tekst steeds, laatstelijk in 2025, is bevestigd waarbij de tekst ongewijzigd is gebleven. Bovendien verandert de wijziging in de bekostigingssystematiek niets aan de betekenis van de woorden ‘intramuraal’ en ‘bij andere zorginstellingen’. De voorzieningenrechter is voorshands wel van oordeel dat, anders dan [gedaagde partijen] stelt, het Addendum, gelezen in samenhang met artikel 31 van de TLO, ziet op nevenactiviteiten die op het moment van het sluiten van de overeenkomst in 2012 bestonden en niet (ook) op daarna te ontplooien initiatieven. Immers, artikel 31 spreekt van ‘verkregen’ rechten en in het Addendum staat ‘door onderstaande specialist uitgevoerd wordt(en)’. De door [gedaagde partijen] aan de tekst van het Addendum gegeven ruime uitleg die erop neerkomt dat [gedaagde partijen] zonder toestemming steeds nieuwe initiatieven mag ontplooien zou bovendien het concurrentiebeding zinledig maken. Dat, zoals [gedaagde partij 2] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling toelichtte, de gedachte waarmee het Addendum destijds werd opgesteld was dat er in de hele provincie plastisch chirurgische zorg voorhanden zou zijn, leidt ook niet tot een ander oordeel. Immers, bij Handz is volgens [gedaagde partijen] sprake van neurologische zorg, en niet van plastisch chirurgische zorg. Het vorenstaande leidt dus tot het voorlopig oordeel dat voor het oprichten van Handz voorafgaande schriftelijke toestemming was vereist. Weigering toestemming op onredelijke gronden 4.13. CMSB heeft de door [gedaagde partijen] alsnog gevraagde toestemming bij brief van 24 juli 2026 geweigerd. Volgens [gedaagde partijen] op onredelijke gronden. De activiteiten die Handz ontplooit zorgen er volgens [gedaagde partijen] voor dat patiënten naar ADRZ worden verwezen en dat zij de provincie niet verlaten. Het ziekenhuis profiteert van de activiteiten van Handz. Van het ondermijnen van de positie van ADRZ jegens de zorgverzekeraar is bovendien geen sprake, omdat de omzet van Handz ‘vrij gedeclareerde’ omzet betreft. Dat er geen redelijke grond is om toestemming te weigeren volgt ook uit de voor Hand- en Pols Revalidatie Nederland B.V. en MedCentric (wel) gegeven toestemming. Deze entiteiten verlenen allebei zorg die nog veel meer overeenkomt met de zorg die het ADRZ verleent. Afgezien daarvan volgt uit de tekst van het concurrentiebeding dat partijen heel goed voor ogen hadden dat concurrentie kon en zou gaan plaatsvinden en zelfs dat het uitgangspunt behoort te zijn dat daarvoor toestemming wordt gegeven. Dat past ook bij de verhoudingen tussen partijen, waarbij [gedaagde partij 2] een zelfstandig beroepsbeoefenaar is en ondernemer, maar uitdrukkelijk géén werknemer is van ADRZ of CMSB. Het enkele feit dat toestemming wordt onthouden omdat sprake is van concurrentie, maakt die onthouding dan ook onredelijk. 4.14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen [gedaagde partijen] stelt vooralsnog niet kan leiden tot het oordeel dat CMSB haar toestemming op onredelijke gronden heeft geweigerd. Aannemelijk is dat [gedaagde partijen] door, zonder toestemming, een geheel nieuwe activiteit te ontplooien, wel degelijk de positie van CMSB ten opzichte van haar leden ondergraaft. Immers, anders dan [gedaagde partijen] meent, is het uitgangspunt, en dat volgt ook uit de tekst van het concurrentiebeding, dat de leden en de daaraan verbonden medisch specialisten geen concurrerende activiteiten mogen ontplooien. In welke mate ADRZ en daarmee indirect ook CMSB ‘profiteert’ van de activiteiten van Handz is nog maar de vraag. Immers, de operatieve ingrepen waarvoor Handz naar het ADRZ verwijst zouden ook binnen het ADRZ kunnen zijn verricht als de diagnostiek binnen het ADRZ plaatsgevonden zou hebben. Anderzijds mist ADRZ, en CMSB die via ADRZ inkomsten genereert, inkomsten van de consulten en eventuele behandelingen die nu binnen Handz plaatsvinden. Dat eerder toestemming is gegeven voor participatie van [gedaagde partijen] in Hand- en Pols Revalidatie Nederland B.V., en MedCentric B.V. maakt het weigeren van de toestemming evenmin onredelijk. Immers, revalidatie maakt geen onderdeel uit van het zorgpakket van het ADRZ en valt daarmee niet binnen het zorgprofiel van ADRZ terwijl MedCentric B.V. plastisch chirurgische zorg verleent. Handz daarentegen verleent, zo geeft [gedaagde partijen] zelf aan, neurologische zorg en begeeft zich dus op een geheel ander medisch-specialistisch vakgebied. 4.15. Vorenstaande leidt derhalve tot het, voorlopig, oordeel dat [gedaagde partijen] met de participatie in Handz en het verlenen van medisch specialistische zorg binnen Handz in strijd handelt met het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 8 lid 2 van de LOK. Gebod staken exploitatie Handz 4.16. Gelet op de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door CMSB op het petitum van de dagvaarding gegeven toelichting gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat CMSB haar vorderingen kennelijk vermindert in die zin dat zij niet langer vordert gedaagden te gebieden de exploitatie van Handz te staken. De voorzieningenrechter zal deze vordering en hetgeen partijen over en weer daarover hebben aangevoerd dus onbesproken laten. Dat geldt ook voor de in dat kader volgens [gedaagde partijen] te maken belangenafweging. Gebod staken participatie Handz 4.17. CMSB vordert voorts [gedaagde partijen] te gebieden de participatie in Handz te staken, en, meer specifiek, dat zij haar bestuurlijke taken neerlegt en aandelen verkoopt. De vordering [gedaagde partijen] te gebieden haar participatie in Handz te staken in die zin dat zij haar (indirect) bestuurlijke taken neerlegt, zal worden toegewezen. Dat geldt niet voor zover die vordering erop ziet [gedaagde partijen] te gebieden haar aandelen te verkopen. Op grond van artikel 1 Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zal niemand zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Hetgeen CMSB aan haar vordering ten grondslag legt is dan ook onvoldoende om [gedaagde partijen] te gebieden haar aandelen te verkopen. Gebod staken medisch specialistische zorg 4.18. De vordering die ziet op het niet meer mogen verlenen van medisch specialistische zorg is, zoals [gedaagde partijen] terecht stelt, te ruim geformuleerd. Toewijzing zou ertoe leiden dat [gedaagde partij 2] zijn beroep niet langer mag uitoefenen. De voorzieningenrechter kan echter wel het mindere toewijzen. De voorzieningenrechter zal [gedaagde partijen] gebieden de medisch specialistische zorg binnen Handz te staken en gestaakt te houden. De gevorderde dwangsommen 4.19. [gedaagde partijen] stelt dat voor het opleggen van een dwangsom geen aanleiding is omdat [gedaagde partijen] bij een eventuele veroordeling toezegt vrijwillig daaraan te zullen voldoen. Afgezien daarvan is gelet op de hoogte van de gevorderde dwangsom eerder sprake van een punitief karakter dan van een financiële prikkel tot nakoming, het doel dat met een dwangsom wordt beoogd. Verder wordt een dwangsom gevorderd voor handelingen van een derde, namelijk voor iedere dag dat Handz B.V. in strijd handelt met het vonnis, terwijl Handz geen partij is in deze procedure. 4.20. De voorzieningenrechter zal aan de uit te spreken veroordeling geen dwangsom verbinden. Artikel 611a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, voor zover van belang, dat de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Gevorderd is een dwangsom op te leggen voor iedere dag waarop Handz in strijd handelt met het vonnis. Handz is geen (weder)partij bij dit kort geding en jegens haar wordt dus ook geen veroordeling uitgesproken. Artikel 611a biedt dan ook geen grondslag voor het opleggen van de dwangsom. Verzoeken [gedaagde partijen] 4.21. [gedaagde partijen] verzoekt om, indien de vorderingen van CMSB worden toegewezen, daarbij een termijn van drie maanden in acht te nemen. Zij stelt daartoe dat binnen de door CMSB gestelde termijn niet kan worden voldaan aan het vonnis. [gedaagde partijen] heeft dit nader toegelicht in die zin dat een aandelenoverdracht de nodige tijd vergt, mede gelet op de beschikbaarheid van een notaris. De voorzieningenrechter gaat niet mee in dit verzoek. De voorzieningenrechter zal wel een termijn van één maand bepalen. Niet aannemelijk is dat het belang van CMSB daardoor wordt geschaad terwijl het belang van [gedaagde partijen] om de nodige maatregelen te treffen om het (indirecte) bestuur van Handz over te dragen daarmee is gediend. 4.22. [gedaagde partijen] verzoekt een eventuele veroordeling slechts uit te spreken onder de voorwaarde dat CMSB binnen één week na dit vonnis de bodemprocedure aanhangig zal hebben gemaakt. [gedaagde partijen] legt daaraan ten grondslag dat CMSB in het kader van het verkrijgen van een voorlopige voorziening beoogt de exploitatie van Handz definitief te beëindigen terwijl zijn geen bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt. Nu CMSB niet langer vordert de exploitatie van Handz te staken, zal dit verzoek worden afgewezen. 4.23. [gedaagde partijen] verzoekt bij een eventuele veroordeling het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat CMSB niet heeft toegelicht waarom het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou moeten zijn. Ook wijst [gedaagde partijen] op de verstrekkende gevolgen bij een eventuele veroordeling voor de patiënten van Handz en Handz zelf. Omdat de vordering niet langer gericht is op het staken van de exploitatie van Handz en de onderdelen van de vordering die zullen worden toegewezen niet in de weg staan aan de behandeling van de patiënten door de aan Handz verbonden neuroloog en klinisch neurofysiologisch laborante moet het belang van CMSB bij uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde partijen] bij het afwijzen daarvan. De voorzieningenrechter zal het vonnis dus uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 4.24. [gedaagde partijen] verzoekt te bepalen dat bij een eventuele veroordeling wordt bepaald dat die slechts geldt totdat in de bodemprocedure eindvonnis is gewezen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Proceskostenveroordeling 4.25. ADRZ wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde partijen] betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op: griffierecht € 735,00 salaris advocaat € 1.177,00 nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00. 4.26. [gedaagde partijen] is jegens CMSB voornamelijk in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van CMSB (inclusief nakosten) betalen. Van de proceskosten wordt, met uitzondering van de nakosten, de helft toegerekend aan ADRZ zodat de proceskosten van CMSB worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 64,77 - griffierecht € 367,50 - salaris advocaat € 588,50 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.209,77. 4.27. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen voor zover die zijn ingesteld door ADRZ af, 5.2. veroordeelt ADRZ in de proceskosten van [gedaagde partijen] van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ADRZ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. gebiedt [gedaagde partijen] haar participatie binnen Handz te beëindigen in die zin dat zij haar (indirect) bestuurlijke taken neerlegt, 5.4. gebiedt [gedaagde partijen] haar medisch specialistische zorg binnen Handz te beëindigen, 5.5. bepaalt dat voormelde geboden ingaan één maand na het wijzen van dit vonnis, 5.6. veroordeelt [gedaagde partijen] in de proceskosten van CMSB van € 1.209,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.7. veroordeelt [gedaagde partijen] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Roose en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.