Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:7927
Veroordeling voor schennispleging en het onbruikbaar maken van een goed dat aan een ander toebehoort. Oplegging ISD-maatregel voor twee jaren. Vordering tul toegewezen. Benadeelde partij niet-ontvankelijk. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummers: 02-122789-26, 02-109893-26 (gevoegd ter terechtzitting) Parketnummer TUL: 02-135261-25 Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] , raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg, ter zitting waargenomen door mr. S. Schoenmakers. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 augustus 2026. Tegen verdachte is in de zaak met parketnummer 02-109893-26 verstek verleend. De officier van justitie mr. J.F.M. Kerkhofs en de verdediging (in de zaak met parketnummer 02-122789-26) hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: - parketnummer 02-122789-26 feit 1: schennispleging door naakt in het openbaar te lopen op 26 april 2026; feit 2: vernieling dan wel onbruikbaar maken van een politievoertuig op 26 april 2026; en - parketnummer 02-109893-26 schennispleging door naakt in het openbaar te lopen op 13 april 2026. 3 De voorvragen De dagvaardingen zijn geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op grond van de dossiers de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich in de zaak met parketnummer 02-122789-26 aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de schennispleging, gelet op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu verdachte geen opzet had (ook niet in voorwaardelijke zin) op de vernieling of het onbruikbaar maken van de politiebus. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 onder parketnummer 02-122789-26 Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris; en het proces-verbaal van bevindingen van [persoon 1] , pagina 5 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2026111845 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 21. Feit 2 van parketnummer 02-122789-26 De rechtbank stelt voorop dat onder “onbruikbaar maken” als bedoeld in artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden verstaan dat het goed in een toestand wordt gebracht waarin het niet meer kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is. Niet vereist is dat de onbruikbaarheid blijvend is of dat herstel onmogelijk is. Ook tijdelijke onbruikbaarheid als gevolg van vervuiling kan daaronder vallen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de politiebus schoon en vrij van ontlasting was toen verdachte daarin plaatsnam. Verder volgt daaruit dat verdachte tijdens het transport in de bus zijn behoefte heeft gedaan. De rechtbank stelt daarom vast dat de ontlasting op de zitting niet uitsluitend afkomstig was van ontlasting die al voor het instappen op het lichaam van verdachte aanwezig was. De rechtbank stelt verder vast dat de bus als gevolg hiervan moest worden gereinigd, voordat deze weer voor personenvervoer kon worden ingezet. De bus is gedurende de daarvoor benodigde tijd niet beschikbaar geweest voor het vervoer waarvoor deze bestemd was. Door tijdens het transport zijn behoefte in de bus te doen, moet verdachte zich ervan bewust zijn geweest dat de bus daardoor met ontlasting zou worden vervuild en niet zonder voorafgaande reiniging voor personenvervoer kon worden gebruikt. Door desondanks zo te handelen, heeft hij die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Voor zover verdachte niet het uitdrukkelijke doel heeft gehad de bus onbruikbaar te maken, staat dat aan voorwaardelijk opzet niet in de weg. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de politiebus onbruikbaar heeft gemaakt. Parketnummer 02-109893-26 Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lidSv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris; het proces-verbaal van bevindingen van [persoon 2] , pagina 5 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2026097959 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 24. 4.4. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Parketnummer 02-122789-26 1 op 26 april 2026 te Breda, opzettelijk in het openbaar, te weten de Willemstraat en het Valkenberg een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten door geheel naakt op straat/in het park te lopen; 2 op 26 april 2026 te Breda, opzettelijk en wederrechtelijk een politievoertuig (gekentekend [kenteken] ), dat geheel aan een ander, te weten aan de politie (Eenheid Zeeland-West-Brabant), toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt; Parketnummer 02-109893-26 op 13 april 2026 te Breda opzettelijk in het openbaar, te weten op de openbare weg aan de Spoorstraat een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten door geheel naakt over straat te lopen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de ISD-maatregel niet passend is en er te veel onduidelijkheden bestaan over de invulling van de maatregel. Er wordt verzocht om een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en begeleiding. 6.3. Het oordeel van de rechtbank De ernst van de feiten Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan schennispleging door naakt rond te lopen in het openbaar, waaronder in een park. Daarmee heeft hij omstanders, onder wie aanwezige kinderen, ongevraagd en ongewenst geconfronteerd met zijn naakte lichaam. Een dergelijke onverwachte confrontatie kan voor omstanders, in het bijzonder voor kinderen, een onaangename ervaring zijn en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van een politiebus door tijdens het transport daarin zijn behoefte te doen. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendoms- en gebruiksrecht van de politie. De bus was voor het instappen schoon en inzetbaar, maar moest als gevolg van het handelen van verdachte met spoed worden gereinigd ter voorbereiding op Koningsnacht. Daardoor kon het voertuig gedurende de voor de reiniging noodzakelijke tijd niet worden ingezet. Reclasseringsadvies De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 juli 2026 waarin de reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Uit het advies volgt dat verdachte kampt met meervoudige problematiek. Hij is langdurig bekend met verslavingsproblematiek en bij hem is sprake van een autismespectrumstoornis, een schizofreniespectrumstoornis en ADHD. De reclassering ziet risicofactoren op meerdere leefgebieden. Verdachte verblijft in een beschermde woonvorm, maar zijn gedrag kan daar niet of nauwelijks worden gestuurd en de situatie wordt als onhoudbaar beschouwd. Ondanks meerdere pogingen is geen andere passende woonvorm gevonden. Ook ontbreekt een zinvolle en gestructureerde dagbesteding. De reclassering ziet daarnaast een patroon van delictgedrag. Tot medio 2025 was veelal sprake van vermogensdelicten, waarna een verschuiving is opgetreden naar aanstootgevend gedrag in de openbare ruimte. De reclassering sluit een verband tussen het middelengebruik (flakka) en het aanstootgevend gedrag niet uit. Zij schat het recidiverisico als hoog in. Eerdere hulpverlenings- en begeleidingstrajecten hebben onvoldoende resultaat gehad. Een in 2023 gestart reclasseringstoezicht is wegens het niet houden aan de voorwaarden voortijdig negatief beëindigd. Vanaf 2022 is daarnaast vijfmaal geprobeerd een reclasseringsadvies op te stellen, maar deze opdrachten zijn negatief geretourneerd, omdat verdachte niet op de afspraken verscheen of aangaf niet mee te willen werken. In 2023 en 2025 zijn er werkstraffen negatief geretourneerd. Ook binnen zijn huidige beschermde woonvorm houdt verdachte zich onvoldoende aan regels en laat hij zich nauwelijks begeleiden. Verdachte is daarnaast meerdere keren opgenomen geweest voor zijn verslavingsproblematiek, maar is na behandeling telkens teruggevallen in middelengebruik. De reclassering schat het risico op onttrekking aan voorwaarden als hoog in en acht een voorwaardelijke ISD-maatregel daarom niet uitvoerbaar. Zij ziet geen alternatief voor oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Ter zitting heeft [reclasseringswerker] (hierna: [reclasseringswerker] ), reclasseringswerker, het advies toegelicht. Hij heeft in aanvulling op het schriftelijk advies verklaard dat binnen een ISD-maatregel mogelijkheden bestaan om de problematiek van verdachte nader te onderzoeken en te behandelen. Een NIFP-consult kan worden ingezet om de diagnostiek nader in kaart te brengen en richting te geven aan een passend behandeltraject. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan kan worden bezien welke behandeling en welke vervolgvoorziening passend zijn. Zo nodig kan worden toegewerkt naar een andere beschermde woonvorm. Volgens [reclasseringswerker] is op dit moment geen passend alternatief voor de ISD voorhanden. Voorwaarden ISD-maatregel De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die de wet aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers met de onderhavige feiten schuldig gemaakt aan misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan die misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder is de rechtbank, mede op basis van het reclasseringsrapport, van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Daarbij betrekt de rechtbank niet alleen het recente aanstootgevende gedrag, maar ook het patroon van diefstallen waarvoor verdachte in de afgelopen jaren herhaaldelijk is veroordeeld en de daarmee gepaard gaande overlast voor de maatschappij. ISD-maatregel passend en geboden De rechtbank is, met de reclassering, van oordeel dat op dit moment geen minder ingrijpend kader voorhanden is waarin de noodzakelijke hulpverlening kan worden vormgegeven en het recidiverisico voldoende kan worden beperkt. Verdachte kampt met langdurige problematiek en recidiveert veelvuldig. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten die maken dat een voorwaardelijk kader ditmaal wel tot een voldoende beperking van het recidiverisico zal leiden. Verdachte is in het verleden meerdere keren behandeld voor zijn verslavingsproblematiek, maar is daarna telkens teruggevallen. Ook eerdere reclasseringstrajecten hebben onvoldoende resultaat gehad en verdachte heeft zich daarbij beperkt begeleidbaar en onvoldoende bereid tot medewerking getoond. Ook binnen zijn huidige beschermde woonvorm blijkt zijn gedrag onvoldoende stuurbaar. Gelet hierop en op het door de reclassering als hoog ingeschatte risico op onttrekking aan voorwaarden, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat verdachte zich binnen een voorwaardelijk kader aan de noodzakelijke begeleiding en behandeling zal conformeren en daarmee het recidiverisico voldoende zal worden beperkt. De rechtbank onderkent dat ook binnen een ISD-maatregel nog moet worden onderzocht welke behandeling en vervolgvoorziening voor verdachte passend zijn. Uit de toelichting van [reclasseringswerker] ter zitting blijkt dat juist de ISD-maatregel de tijd en de mogelijkheden biedt om die diagnostiek te verrichten, behandeling in te zetten en toe te werken naar een passende vervolgvoorziening. Daarmee kan de maatregel zowel bijdragen aan het terugdringen van de recidive als aan de aanpak van de onderliggende problematiek van verdachte. De rechtbank benadrukt dat de ISD-maatregel er mede toe strekt een bijdrage te leveren aan een oplossing voor de verslavingsproblematiek van verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel passend en geboden. Om de recidive te beperken en verdachte voldoende gelegenheid te bieden om aan zijn problematiek te werken, is een langdurig kader noodzakelijk. De rechtbank zal de maatregel daarom voor de maximale duur van twee jaren opleggen en de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht daarop niet in mindering brengen. 7 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij Nationale Politie vordert een schadevergoeding van € 114,23 voor feit 2 in het dossier met parketnummer 02-122789-26. De rechtbank constateert dat uit het verzoek tot schadevergoeding niet blijkt wie dit verzoek heeft ondertekend. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat degene die de vordering namens de Nationale Politie heeft ingediend, bevoegd is tot het indienen daarvan. Voor zover de vordering is ingediend door [persoon 3] , die blijkens een bij de vordering gevoegde machtiging bevoegd is tot het indienen daarvan, stelt de rechtbank vast dat een factuur van de door de benadeelde partij geleden schade ontbreekt. Bij de vordering is enkel een opdracht van 9 juni 2026 aan CSU voor schoonmaakwerkzaamheden gevoegd. Gelet op de pleegdatum van 26 april 2026 kan de rechtbank niet vaststellen dat deze opdracht betrekking heeft op de door verdachte veroorzaakte schade. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de bevoegdheid van de indiener en de geleden schade alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.