Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:7887
Veroordeling voor lokaal- en erfvredebreuk, diefstal door middel van braak, twee vernielingen en de mishandeling van een BOA. Vrijspraak voor bedreiging. Oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor twee jaar. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummers: 02-131398-26, 02-076882-26, 02-075365-26, en 02-115058-26 (gev. ttz) Parketnummers TUL: 02-315171-25, 02-329086-25 en 20-002135-21 Vonnis van de meervoudige kamer van 19 augustus 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, ingeschreven in de basisregistratie personen op het [inschrijfadres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. [locatie] , raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg . 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. J.J. Peerboom, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 02-076882-26 onder 1: bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ; 02-076882-26 onder 2: erfvredebreuk; 02-075365-26: lokaalvredebreuk; 02-115058-26: vernieling van een ruit; 02-131398-26 onder 1: mishandeling van [slachtoffer 3] ; 02-131398-26 onder 2: primair een diefstal door middel van braak, subsidiair een poging tot diefstal door middel van braak, meer subsidiair een vernieling; 02-131398-26 onder 3: vernieling van een/meerdere ruiten. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Vrijspraak (02-076882-26 onder 1: bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 02-076882-26 onder 1 ten laste gelegde bedreiging niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering (02-076882-26 onder 2: erfvredebreuk ) 4.2.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde erfvredebreuk. 4.2.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Verdachte is naar de voordeur van de woning gelopen om aan te bellen. Hij heeft het erf niet betreden met het opzet om een misdrijf te plegen. 4.2.3. Het oordeel van de rechtbank Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 30 augustus 2025 om 00:14 uur over het afgesloten hek van de woning aan [adres 1] te [plaats 1] is geklommen en vervolgens bij de woning heeft aangebeld. Gelet op het nachtelijke tijdstip en de wijze van betreden van het erf, te weten door over het afgesloten hek te klimmen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde erfvredebreuk. 4.3. Bewijswaardering (02-075365-26: lokaalvredebreuk ) 4.3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde lokaalvredebreuk. 4.3.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de still niet duidelijk is en daardoor niet vaststaat dat het verdachte is die op de camerabeelden te zien is. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat er toestemming was van een van de bewoners om daar te zijn. 4.3.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat de foto (de still) waarop de herkenningen zijn gebaseerd van goede kwaliteit is. Deze still is in zwart-wit en laat zowel contouren als details zien. Het gezicht van de hierop afgebeelde persoon is goed waar te nemen en er zijn voldoende duidelijk onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar, in ieder geval zodanig, dat deze een betrouwbare positieve herkenning mogelijk maken. Twee verbalisanten hebben verdachte ieder voor zich, apart van elkaar, stellig en zonder enig voorbehoud herkend. Deze verbalisanten zijn ambtshalve bekend met verdachte, waarvan één van hen reeds sinds hun jeugd toen zij op dezelfde school zaten. Dit vergroot de betrouwbaarheid van deze herkenningen. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 29 november 2025 zonder toestemming van de bewoners van het appartementengebouw aan [adres 2] te [plaats 1] het appartementengebouw heeft betreden, door de deur van het appartementengebouw te forceren. Gelet op het nachtelijke tijdstip (01:25 uur) en de wijze van binnentreden, te weten het forceren van de deur, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het appartementengebouw wederrechtelijk is binnengedrongen. 4.4. Bewezenverklaring zonder nadere motivering (02-115058-26: vernieling van een ruit ) Het onder 02-115058-26 ten laste gelegde feit is door verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.5. Bewijswaardering (02-131398-26 onder 1: mishandeling van [slachtoffer 3] ) 4.5.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling. 4.5.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.5.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht op basis van de aangifte van [slachtoffer 3] , de camerabeelden en het proces-verbaal van de politie waarin de camerabeelden van de mishandeling worden beschreven, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd. 4.6. Bewijswaardering (02-131398-26 onder 2: inbraak [studio] ) 4.6.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde inbraak. 4.6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte degene is geweest die de tas heeft gestolen. De wegnemingshandeling is niet waargenomen en op de camerabeelden is niet te zien dat verdachte met de gestolen tas rondloopt. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde vernieling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.6.3. Het oordeel van de rechtbank Door [studio] is aangifte gedaan van de diefstal van een witte shopper bag met werkkleding uit de [studio] in station [plaats 2] . Door de politie zijn de camerabeelden van station [plaats 2] bekeken. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte meerdere malen een bord tegen de glazen pui van de [studio] gooit en dat de pui hierdoor kapot gaat. Vervolgens is te zien dat verdachte bij de [studio] naar binnen gaat. Enkele minuten later verlaat verdachte de [studio] en draagt hij een gevulde witte tas bij zich. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat sprake is van een voltooide diefstal met braak, zodat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. 4.7. Bewijswaardering (02-131398-26 onder 3: vernieling ruiten NS ) 4.7.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde vernieling. 4.7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat dit hetzelfde feit betreft als onder feit 2 meer subsidiair is ten laste gelegd. Subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is, verzoekt de verdediging om verdachte vrij te spreken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is geweest die de ruiten heeft vernield. 4.7.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt het ontvankelijkheidsverweer zo dat dit moet worden beoordeeld indien de rechtbank bij feit 2 tot een bewezenverklaring zou komen van de meer subsidiair ten laste gelegde vernieling. In dat geval zou dezelfde vernieling weer ten laste zijn gelegd onder feit 3. Zoals hiervoor onder 4.6.3 overwogen, vindt de rechtbank onder feit 2 het primair tenlastegelegde bewezen, zodat de rechtbank niet toekomt aan het gevoerde ontvankelijkheidsverweer. De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden van station [plaats 2] , de aangifte van [studio] en de foto’s van de kapotte ruiten vast dat verdachte degene is geweest die op 5 mei 2026 de ruiten heeft vernield. De rechtbank acht gelet op voornoemde het feit wettig en overtuigend bewezen. 4.8. De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. 4.9. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02-076882-26 : 2 op 30 augustus 2025 te [plaats 1] het besloten erf, aan de [adres 1] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen; 02-075365-26 : op 29 november 2025 te [plaats 1] in het besloten lokaal, een appartementengebouw/bedrijfspand bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen; 02-115058-26 : op 17 april 2026 te [plaats 1] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield; 02-131398-26 : 1 op 5 mei 2026 te [plaats 2] , [slachtoffer 3] (buitengewoon opsporingsambtenaar van de NS), heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] te slaan tegen het hoofd, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; 2 op 5 mei 2026 te [plaats 2] , een tas (gevuld met kleding), die aan [aangever] en/of [studio] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en door middel van braak; 3 op 5 mei 2026 te [plaats 2] , opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, die aan NS, toebehoorde n heeft vernield. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. 6.2. Het standpunt van de verdediging Gelet op de problematiek van verdachte ligt een zorgmachtiging meer voor de hand, aangezien verdachte dan gedwongen kan worden behandeld binnen een forensisch psychiatrisch centrum. De vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit brengen daarom met zich dat een zorgmachtiging de voorkeur heeft boven de ISD-maatregel. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich in een periode van negen maanden schuldig gemaakt aan zes strafbare feiten, te weten lokaal- en erfvredebreuk, diefstal door middel van braak, twee vernielingen en de mishandeling van een BOA. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op het gezag en de lichamelijke integriteit van de BOA en op het eigendomsrecht van anderen en overlast veroorzaakt. Kennelijk heeft verdachte niet stil gestaan bij de vervelende gevolgen hiervan. De persoon van verdachte De rechtbank stelt vast dat verdachte een omvangrijk strafblad heeft en dat verdachte al vele malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 13 juli 2026. Hieruit volgt dat bijna alle leefgebieden van verdachte delictgerelateerd zijn. Het ontbreekt verdachte aan huisvesting, een zinvolle dagbesteding, voldoende financiële middelen en een ondersteunend sociaal netwerk. Bij verdachte is een bipolaire stemmingsstoornis en een schizo affectieve stoornis vastgesteld. Verdachte gebruikt dagelijks ongeveer een halve gram cocaïne door middel van roken en pleegt vermogensdelicten om dit te bekostigen. De kans op recidive wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Eerdere forensisch en vrijwillige behandelingen, zowel ambulant als klinisch, evenals zorgmachtigingen, hebben niet geleid tot gedragsverandering en/of het voorkomen van recidive. De reclassering ziet geen alternatief voor de onvoorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel, als mogelijkheid om de risico’s te beperken. De onvoorwaardelijke ISD-maatregel is gericht op re-integratie en biedt verdachte kansen op behandeling, begeleiding en uitstroom met geïndiceerde huisvesting met woonbegeleiding en reguliere dagbesteding/betaald werk. Verdachte kan deze kansen aangrijpen. Mocht verdachte de kansen op re-integratie niet willen aanpakken, dan resteert gedurende twee jaar de bescherming van de maatschappij. Ter zitting heeft de deskundige namens de reclassering daaraan toegevoegd dat er de laatste jaren veel met verdachte is geprobeerd in vrijwillige kaders, maar dat interventies niet van de grond zijn gekomen wegens een gebrek aan motivatie aan de zijde van verdachte. De reclassering persisteert bij het advies in het rapport om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. ISD-maatregel De vraag ligt voor of aan verdachte een (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is onder andere voor de onder 02-131398-26 onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde feiten voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast is voldaan aan de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte zijn opgemaakt, waarvan tenminste één in de twaalf maanden voorafgaand aan die feiten. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Dat betekent dat aan verdachte een ISD-maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel ook passend en geboden is. Voorop staat dat een ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is een ISD-maatregel noodzakelijk om de maatschappij te beveiligen tegen het strafbare handelen van verdachte en de steeds weer door hem veroorzaakte overlast en schade. Andere minder ingrijpende afdoeningsmogelijkheden of middelen zijn in het verleden al ingezet, maar hebben niet tot een positieve gedragsverandering bij verdachte geleid. Zo hebben eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De reclassering ziet inmiddels geen mogelijkheden meer om het gedrag van verdachte te veranderen en het recidiverisico te verlagen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijk kader onvoldoende toereikend is om de maatschappij tegen het strafbare handelen van verdachte te beveiligen. Het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is dit wel en is dus passend en geboden. Bovendien biedt een dergelijk kader voor verdachte ook kansen om met zijn problematiek aan de slag te gaan en om aan zichzelf te werken en zijn leefsituatie te verbeteren. Voornamelijk ter optimale beveiliging van de maatschappij, maar ook om verdachte een reële kans te bieden om met zijn problematiek aan de slag te gaan, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar en de tijd die verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel. 7 De vorderingen van de benadeelde partijen 7.1. Vordering van [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 02-131398-26 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem onder 02-131398-26 onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. [slachtoffer 3] stelt dat hij als gevolg van de klap een bloeduitstorting bij het oor heeft opgelopen en enige tijd last heeft gehad van onder meer hoofdpijn en oorpijn. Een en ander is niet weersproken, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. Nu sprake is van lichamelijk letsel, heeft [slachtoffer 3] ingevolge artikel 6:106 BW recht op vergoeding van immaterieel nadeel. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de gestelde en niet weersproken gevolgen, oordeelt de rechtbank een smartengeld van € 500,00 billijk. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 7.2. Vordering van [studio] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 02-131398-26 onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 12.068,05. [studio] stelt dat zij de volgende schade heeft geleden: a) gestolen witte shopper bag met werkkleding € 1.109,11 b) ontvreemd Buddha beeld, beschadigd terug € 200,00 c) beschadigd Ganesha beeld met sokkel € 375,00 d) vervanging kapotte etalagepop € 486,49 e) vervanging beschadigde kleding etalagepop € 128,99 f) vervanging volledig gebarsten zoutlamp € 56,94 g) herstel binnendeur, sponning deurbeslag € 1.470,00 h) opruimwerkzaamheden glasscherven, spoed € 1.149,50 i. i) directe omzetderving door geannuleerde lessen € 960,00 j) concrete opzegging na inbraak € 5.632,02 k) immateriële schade € 500,00 De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem onder 02-131398-26 onder 2 (primair) ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. a. a) witte shopper bag met werkkleding [studio] stelt dat verdachte een witte shopperbag met werkkleding uit de [studio] heeft weggenomen. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de camerabeelden, is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat verdachte deze tas met werkkleding heeft gestolen. Nu ook de gestelde kosten niet zijn betwist, zal de vordering in zoverre worden toegewezen. b, c, d, e en j) Buddha beeld, Ganesha beeld, etalagepop en kleding etalagepop en opzeggingen na inbraak De gevorderde kosten met betrekking tot het Buddha beeld, het Ganesha beeld, de etalagepop, de kleding van de etalagepop en de opzeggingen naar aanleiding van de inbraak acht de rechtbank niet toewijsbaar. Deze schade is door de verdediging voldoende gemotiveerd weersproken. Beoordeling van deze schadeposten vergt nader debat en mogelijk bewijsvoering, waartoe dit strafgeding zich niet leent. Verdere behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij hiervoor niet-ontvankelijk zal worden verklaard. f) zoutlamp [studio] stelt dat tijdens de inbraak een zoutlamp is vernield. De verdediging heeft de gestelde kosten niet weersproken. De door de benadeelde gevorderde schade van € 56,94 acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. g) herstel binnendeur, sponning deurbeslag [studio] stelt dat naar aanleiding van de inbraak door verdachte een binnendeur inclusief sponning, deurbeslag en sluitfunctie moest worden vervangen. De gestelde kosten zijn onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de vordering in zoverre dient te worden toegewezen. h) opruimwerkzaamheden glasscherven [studio] stelt dat als gevolg van de inbraak de gehele [studio] vol met glasscherven lag. De benadeelde partij heeft een offerte opgevraagd bij een commerciële partij, maar de werkzaamheden uiteindelijk zelf verricht omdat en geen bedrijf beschikbaar was. De gestelde kosten zijn onvoldoende weersproken, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. i. i) geannuleerde lessen [studio] stelt dat als gevolg van de inbraak acht groepslessen moesten worden geannuleerd. De gestelde kosten zijn onvoldoende weersproken, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. k) immateriële schade [studio] heeft een immateriële schadevergoeding van € 500,- gevorderd voor het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De inbraak heeft geleid tot stress, spanning en een aangetast veiligheidsgevoel. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem onder 02-131398-26 onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW op grond waarvan recht bestaat op vergoeding van immaterieel nadeel. De gestelde psychische gevolgen zijn daartoe gelet op de aard van de normschending onvoldoende. Dit brengt mee dat de vordering in zoverre dient te worden afgewezen. Conclusie Resumerend is de vordering van [studio] toewijsbaar tot een bedrag van € 4.745,55 aan materiële schade. De vordering zal worden afgewezen voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade, terwijl de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Nu de vordering van de benadeelde partij grotendeels zal worden toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 7.3. Vordering van NS Groep N.V. NS Groep N.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 02-131398-26 onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 23.841,00 aan materiële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 02-131398-26 onder 3 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De verdediging heeft aangevoerd dat uit het uittreksel van de KvK blijkt dat de bevoegdheid van de gemachtigde beperkt was en dat onduidelijk is waaruit die beperkingen bestaan. Het had op de weg van de verdediging gelegen om te stellen en onderbouwen dat er zich een beperking voordeed op grond waarvan de gemachtigde niet bevoegd was deze vordering indienen. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij onvoldoende betwist dat de gemachtigde niet bevoegd zou zijn. De gestelde kosten zijn onvoldoende weersproken, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Nu de vordering van de benadeelde partij grotendeels zal worden toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8 De vorderingen tenuitvoerlegging Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 december 2025 onder parketnummer 02-329086-25 is verdachte ter zake van diefstal en lokaalvredebreuk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan een gedeelte groot, 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 30 december 2025. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 februari 2026 onder parketnummer 02-315171-25 is verdachte ter zake van vernieling, lokaalvredebreuk en diefstal met braak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 3 februari 2026. Bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2023 onder parketnummer 20-002135-21 is verdachte ter zake van belaging veroordeeld tot een gevangenisstraf van 108 dagen, waarvan een gedeelte groot, 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 12 april 2023. De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van deze vonnissen en dit arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft verdachte de aan de vonnissen en aan het arrest verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven. Een tenuitvoerlegging wordt op dit moment niet opportuun geacht, omdat zich dat niet goed verhoudt tot de aan verdachte op te leggen ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. De vorderingen worden derhalve afgewezen. 9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 60a, 63, 138, 300, 304, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10 Beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 02-076882-26 onder 1 ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 02-076882-26 feit 2: in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen ; 02-075365-26: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen ; 02-115058-26: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen ; 02-131398-26 feit 1 : mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening ; 02-131398-26 feit 2 : diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak ; 02-131398-26 feit 3 : opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd ; - verklaart verdachte strafbaar; Maatregel - gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar ; Benadeelde partijen T.a.v. 02-131398-26 onder 1 : - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , € 500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; T.a.v. 02-131398-26 onder 2 : - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [studio] van € 4.745,55 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der voldoening; - wijst af de vordering voor zover deze ziet op vergoeding van € 500,00 voor immateriële schade; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [studio] , € 4.745,55 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 47 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; T.a.v. 02-131398-26 onder 3 : - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij NS Groep N.V. van € 23.841,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer NS Groep N.V. , € 23.841,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2026 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 132 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Vorderingen tenuitvoerlegging - wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging af. Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. L.W. Louwerse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 augustus 2026. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging 02-076882-26 : 1 hij op of omstreeks 30 augustus 2025 te [plaats 1] [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ''als ik die [voornaam] te pakken krijg dan sla ik al zijn tanden uit zijn lijf'', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij op of omstreeks 30 augustus 2025 te [plaats 1] in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan de [adres 1] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen; ( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 02-075365-26 : hij op of omstreeks 29 november 2025 te [plaats 1] in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, een appartementengebouw/bedrijfspand bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen; ( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 02-115058-26 : hij op of omstreeks 17 april 2026 te [plaats 1] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; ( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 02-131398-26 : 1 hij op of omstreeks 5 mei 2026 te [plaats 2] , althans in Nederland, [slachtoffer 3] (buitengewoon opsporingsambtenaar van de NS), heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] te slaan tegen het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht ) 2 hij op of omstreeks 5 mei 2026 te [plaats 2] , althans in Nederland, een tas (gevuld met kleding), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [studio] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; ( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 5 mei 2026 te [plaats 2] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een tas (gevuld met kleding), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [studio] in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, waarbij verdachte - een of meerdere ruiten en/of een deurpost heeft vernield en/of - een of meerdere goederen uit de [studio] heeft vernield en/of heeft opengemaakt en/of heeft verplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 5 mei 2026 te [plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten en/of een deurpost en/of een paspop en/of een beeld en/of een zoutlamp, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever] en/of [studio] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; ( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 3 hij op of omstreeks 5 mei 2026 te [plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan NS, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. ( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )