Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:7886
Veroordeling voor 24 oplichtingen, 5 gekwalificeerde diefstallen en 1 kale diefstal. Dakdekkersbabbeltruc. Slachtoffers met hoge leeftijd. Modus operandi als schakelbewijs. Oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest. Geen oplegging van een beroepsverbod. Geen ongeanonimiseerde publicatie van het vonnis. Benadeelde partijen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-106778-25 vonnis van de meervoudige kamer van 20 augustus 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland thans gedetineerd in P.I. [locatie] raadsman mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te ‘s-Hertogenbosch 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 augustus 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M. Poirters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens zijn de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 30 november 2023 tot en met 1 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan herhaaldelijke oplichting van in totaal 25 personen en in de periode van 6 juni 2025 tot en met 1 april 2025 aan vijf gekwalificeerde diefstallen door geld te pinnen of betalingen te doen met bankpassen en pincodes die hij via oplichting had verkregen. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder feit 1 tot en met 4 en alle daaronder opgenomen aangiftes wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 5 komt zij tot een vrijspraak van het primair ten laste gelegde nu niet kan worden vastgesteld dat aangever het geld heeft afgegeven. Omdat het geld wel weg was op het moment dat verdachte was vertrokken, komt de officier van justitie tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde diefstal. De officier van justitie baseert zich voor het bewijs naast de aangehaalde bewijsmiddelen op de eigen herkenningen van verdachte in het overgrote deel van de zaken op de getoonde beelden ter zitting. Op deze beelden komt bovendien naar voren dat het kledingsignalement in veel zaken is terug te zien. Daarnaast gebruikt zij de modus operandi als schakelbewijs. Ten aanzien van het gevoerde verweer met betrekking tot [verdachte] . verwijst de officier van justitie naar het aanvullend opgemaakte proces-verbaal hieromtrent. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van de onder feit 1 tenlastegelegde aangiftes van [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] en onder feit 3 de aangiftes van [aangever 5] en [aangevers 6] . Voor feit 5 wordt integrale vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging is er sprake van een reëel alternatief scenario dat een ander de feiten heeft gepleegd met misbruik van de identiteit van verdachte. Temeer omdat verdachte heeft verklaard eind december 2023 zijn identiteitsbewijs te zijn verloren en er in de modus operandi significante verschillen zichtbaar zijn. De verdediging heeft in dit verband een voorwaardelijk verzoek ingediend om de betrokkenen uit de aflevering van “ [tv programma] ” van juni 2025 omtrent een andere beweerdelijke oplichter uit Noord-Brabant te horen, namelijk de betreffende oplichter, ook genaamd [verdachte] ., en de presentator van het programma [persoon 1] . Voor de overige aangiftes en feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De feiten en modus operandi De rechtbank stelt het volgende vast. Over de periode van 30 november 2023 tot en met 1 april 2025 hebben 25 personen aangifte gedaan van dakdekkersoplichting. Uit de verschillende aangiftes komt naar voren dat de dader steeds dezelfde werkwijze hanteerde. Deze was geraffineerd en doordacht en gericht op het misleiden van voornamelijk oudere slachtoffers, teneinde hen te bewegen tot het afstaan van contant geld en/of hun bankpas met bijhorende pincode. Bij de oplichtingen deed de dader zich voor als dakdekker of in een enkel geval als klusjesman en stelde zich onder diverse namen voor aan de slachtoffers waaronder ook meerdere malen met de naam [verdachte] . In een aantal gevallen identificeerde hij zich (desgevraagd) via een bankpas van één van de andere slachtoffers en ook een aantal keer met een identiteitskaart op naam van [verdachte] . De dader vertelde de slachtoffers dat hij in de buurt of bij buren aan het werk was of aan het werk zou gaan en daarbij mankementen aan hun dak had geconstateerd die snel gerepareerd moesten worden om erger zoals een lekkage te voorkomen. Hij vertelde dat hij werkzaam was voor een dakdekkersbedrijf en gebruikte daarvoor diverse namen van dakdekkers-bedrijven. In sommige gevallen deed de dader alsof hij belde met zijn werkgever en/of leverancier van materialen. Hij vertelde dan dat reparatie via een bedrijf vaak lang ging duren maar dat hijzelf de schade direct kon repareren. Hij maakte hiervoor een berekening van de kosten waarbij soms ook zijn gegevens en een onjuist telefoonnummer werden geschreven en er werd ondertekend met beider handtekeningen als zijnde een offerte, kwitantie of factuur. Van het berekende bedrag moest dan een aanbetaling worden gedaan zodat de dader alvast materiaal kon gaan kopen waarmee hij later zou terugkomen. De slachtoffers gaven vervolgens contant geld aan de dader. In sommige gevallen moest het slachtoffer eerst gaan pinnen en bij een aantal slachtoffers ging de dader mee. Het is ook voorgekomen dat het slachtoffer de pinpas met pincode aan de dader meegaf waarop de dader uiteindelijk (meer) geld van de rekening pinde. Na het aannemen van het geld en/of de pinpas vertrok de dader en kwam niet meer terug. Daarnaast heeft in deze periode één persoon aangifte gedaan van een ander soort oplichting, namelijk bankhelpdeskfraude, waarbij zij haar bankpas en pincode heeft afgegeven waarna geld van haar bankrekening is gepind. Sterke gelijkenissen opgemaakte berekening/kwitantie/factuur/offerte Uit de hiervoor weergegeven modus operandi volgt dat de dader in het overgrote deel van de oplichtingen een berekening/kwitantie/factuur/offerte heeft opgemaakt. Deze berekeningen vertonen onderling telkens sterke gelijkenissen in stijl van het handschrift (zowel letters als cijfers), de wijze van spelling en een eventueel daarop geplaatste handtekening van de dader. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat deze handgeschreven berekeningen steeds door dezelfde persoon zijn opgemaakt. Feit 1 t/m 4 Tijdens de politieverhoren is aan verdachte voorgehouden dat in de meeste zaken beelden beschikbaar zijn maar deze zijn op dat moment niet aan hem getoond. Verdachte heeft bij de politie aanvankelijk drie oplichtingen bekend, te weten die van [aangever 7] , [aangever 4] en [aangever 8] . Ter zitting is het overgrote deel van de beschikbare beelden aan verdachte getoond. Naar aanleiding hiervan heeft verdachte zichzelf herkend op de beelden in de zaken van [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 10] , [aangever 11] , [aangever 12] , [aangever 13] , [aangever 14] , [aangever 15] , [aangever 16] , [aangever 17] , [aangever 18] , [aangever 19] , [aangever 20] , [aangever 21] , [aangever 22] , [aangever 23] , [aangever 24] en [aangever 25] . Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte op grond hiervan als bekennende verdachte in deze zaken worden beschouwd. Los van de herkenning op de beelden heeft verdachte ter zitting ook de zaak [aangever 7] bekend. De verdediging heeft in deze zaken ook geen vrijspraak bepleit. Feiten 1, 3 en 5 De aangiftes van [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] (feit 1), de aangiftes van [aangever 5] en [aangevers 6] (feit 3) en van [aangever 26] (feit 5) heeft verdachte niet bekend of daartegen is verweer gevoerd. De rechtbank overweegt hierover het volgende: [aangever 4] (feit 1) Bij de politie heeft verdachte de oplichting van [aangever 4] bekend, ter zitting is door de verdediging aangevoerd dat bij nader inzien deze oplichting verdachte niet bekend voorkomt. Ten aanzien van deze zaak overweegt de rechtbank dat er in het dossier in de map multimedia een viertal videofragmenten zitten met het [nummer] . Dat nummer is te koppelen aan het BHV-nummer van de aangifte van [aangever 4] . Het betreft een tweetal videofragmenten van de camera in de Primera die gericht staat op de geldmaat en een tweetal videofragmenten van de camera in deze geldmaat. Op al deze videofragmenten is naar het oordeel van de rechtbank verdachte te zien die tweemaal geld pint bij de geldmaat in de Primera. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de oplichting van [aangever 4] heeft gepleegd en het geld met de door [aangever 4] afgegeven pinpas en pincode heeft gepind. Ook in deze zaak geldt overigens dat de door de oplichter gebruikte modus operandi overeenkomt met de overige zaken in het dossier. [aangever 2] , [aangever 1] , [aangever 3] (feit 1) en [aangever 5] (feit 3) Voor deze aangevers ligt er enkel een aangifte, dan wel bij de zaak [aangever 3] een aangifte en beelden van afstand. De verdediging heeft vrijspraak bepleit in deze zaken. Modus operandi als schakelbewijs Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden als steunbewijs is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal voor die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen (modus operandi) van de verdachte. De hiervoor aangehaalde modus operandi, gebaseerd op de 25 aangiftes, acht de rechtbank voldoende specifieke om als schakelbewijs in de bewijsconstructie van de verschillende aangiften en feiten over en weer te gebruiken. De oplichter creëert immers vertrouwen bij de slachtoffers door zich voor te doen als deskundige in de zin van werknemer van een dakdekkersbedrijf waarvan hij de naam ook noemt en zich desgevraagd identificeert met een bankpas (van een eerder slachtoffer) of een ID-kaart. Ook doet hij dit door te “bellen” met zijn werkgever en/of leverancier van materialen. Daarnaast doet hij dit door een handgeschreven berekening te maken van kosten voor de benodigde reparatie met eventueel gegevens, een telefoonnummer en een handtekening daarop. Dit zijn elementen die de modus operandi specifieker maken dan in soortgelijke zaken. Bovendien is het zo dat de modus operandi niet uniek hoeft te zijn, maar vooral op essentiële onderdelen overeen moet komen of gelijkenissen moet vertonen. In dit kader wijst de rechtbank nog op het feit dat de dader in verschillende van de tenlastegelegde aangiftes steeds handgeschreven bonnen heeft opgemaakt waarvan de inhoud steeds onderling een sterke gelijkenis vertoont, zoals hiervoor nader uiteengezet. Het overgrote deel van aangiftes waaruit de modus operandi is afgeleid, heeft verdachte bekend. Nu ook de aangiftes van [aangever 2] , [aangever 1] , [aangever 3] en [aangever 5] in deze modus operandi vallen en zijn meegenomen, kan op grond van die modus operandi de betrokkenheid van verdachte bij deze aangiftes ook worden vastgesteld. Het meerijden naar de pinautomaat door de dader valt daar ook onder nu dit niet alleen in de zaken van [aangever 2] en [aangever 1] is voorgekomen zoals door de verdediging is aangevoerd, maar onder meer ook in de zaken van [aangever 10] , [aangever 12] en [aangever 14] . Zoals hiervoor weergegeven heeft verdachte ook deze zaken bekend. De rechtbank merkt op dit punt nog op dat in de zaak van [aangever 14] op de camerabeelden van de pinautomaat zelfs te zien is dat verdachte naast [aangever 14] staat en hem aanwijzingen geeft. De afgifte van de pinpas en pincode valt ook onder de modus operandi omdat dit eveneens in meerdere zaken is voorgekomen, waaronder die van [aangever 25] , [aangever 7] , [aangever 8] , [aangever 16] welke zaken verdachte ook heeft bekend. Van de zaak van [aangever 4] is hiervoor al vastgesteld dat het verdachte is geweest die met de pinpas van [aangever 4] geld heeft gepind. Daarbij komt ten aanzien van [aangever 1] en [aangever 2] nog dat zij in hun verklaring over het signalement van de dader een specifiek element hebben benoemd, namelijk een groot litteken aan de linkerkant in de nek waarvan bekend is dat verdachte dit heeft. Dat het verdachte is geweest die deze twee oplichtingen heeft gepleegd waarbij deze twee aangevers dit kenmerkende litteken hebben waargenomen, wordt door de bewijsmiddelen verder niet weersproken. Een ander specifiek en kenmerkend punt in de zaken van [aangever 1] (9 februari 2024) en [aangever 3] (11 maart 2024) is dat de dader zich aan hen heeft voorgedaan als [aangever 4] . Ten aanzien van [aangever 4] is hiervoor vastgesteld dat verdachte deze oplichting heeft gepleegd, die op 21 januari 2024 en dus vóór de oplichtingen van [aangever 1] en [aangever 3] heeft plaatsgevonden. Bij [aangever 1] is bovendien de weggenomen bankpas van [aangever 4] getoond waarvan hiervoor is vastgesteld dat verdachte daarmee geld van de bankrekening van [aangever 4] heeft gepind. Voor wat betreft [aangever 3] , overweegt de rechtbank nog dat de beschikbare beelden in deze zaak aan verdachte op zitting zijn getoond maar hij zichzelf hierop niet herkende. De rechtbank heeft geconstateerd dat het postuur, de haardracht en de kleding waaronder het logo op de mouw van de gewatteerde jas en de witte zolen van de sportschoenen, terugkomen in de door vele aangevers opgegeven signalementen alsook uit de op zitting getoonde beelden in andere zaken waarop verdachte zichzelf wel heeft herkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verdachte is, die op de beschikbare beelden in de zaak van [aangever 3] is te zien en dat het verdachte is geweest die dit oplichtingsfeit heeft gepleegd. Voor wat betreft [aangever 5] is het zo dat de dader zich heeft voorgesteld met de naam [verdachte] en daarbij zijn identiteitskaart heeft getoond. Volgens de verdediging is het niet aannemelijk dat een oplichter zijn eigen identiteit zou prijsgeven en dat het daarom zo moet zijn geweest dat een ander de identiteit van verdachte heeft gebruikt, temeer nu verdachte heeft verklaard dat hij ergens rond eind 2023 zijn identiteitskaart is verloren. De rechtbank overweegt dat zij het voorstellen met eigen naam en het eventueel daarbij tonen van een identiteitskaart hiervoor ook als onderdeel van de modus operandi heeft aangemerkt. Dit komt namelijk in meerdere zaken in het dossier voor, met name bij de zaken die aan het begin van de gehele onderhavige oplichtingsperiode hebben plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit het door de verdediging overgelegde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2026 dat verdachte zich in de daarin bewezenverklaarde feiten ook heeft voorgesteld met eigen naam en daarbij al dan niet zijn identiteitskaart heeft getoond. Daarbij komt nog het volgende. Uit de aangifte van [aangever 15] over de oplichting van 8 januari 2024 blijkt namelijk dat verdachte zich in deze zaak ook met zijn eigen naam heeft voorgesteld en daarbij zijn identiteitskaart heeft getoond. [aangever 15] heeft zowel van verdachte als van de identiteitskaart een foto gemaakt en na het tonen van deze foto ter zitting heeft verdachte zichzelf hierop herkend waardoor de rechtbank zoals hiervoor weergegeven is uitgegaan van bekennende verklaring van verdachte van deze oplichting. Op de foto van de identiteitskaart is te zien dat deze is afgegeven op 13 februari 2023. Dat betekent dus dat verdachte op 8 januari 2024 nog over zijn eigen identiteitskaart beschikte en hij het moet zijn geweest die de oplichting van [aangever 5] op 7 december 2023 heeft gepleegd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de verdediging. [aangevers 6] (feit 3) Ten aanzien van [aangevers 6] bevat het dossier naast de aangifte ook beelden van de locatie waar is gepind met de pinpas van [aangevers 6] en informatie over de bezoeker van het casino die daar met de pinpas van [aangevers 6] heeft gepind. Verdachte heeft zichzelf ter zitting op deze beelden herkend. Volgens de verdediging kan op grond van de beelden van het pinnen niet worden vastgesteld dat verdachte ook de oplichter is geweest. Temeer omdat er sprake is van een afwijkende modus operandi en het opgegeven signalement door [aangevers 6] niet overeenkomt met dat van verdachte. De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer. Uit het dossier volgt namelijk dat de oplichter omstreeks 10.00 uur aan de deur stond bij [aangevers 6] en om 10.59 uur met haar pinpas bij een geldmaat in [plaats 1] is gepind. De beelden hiervan zijn ter zitting aan verdachte getoond en zoals hiervoor weergegeven heeft verdachte zich hierop herkend. Vervolgens is er om 11.26 uur opnieuw met de pinpas gepind, dit keer tweemaal in het [casino] in Haarlem. Uit het dossier volgt dat dit ook verdachte is geweest. Gelet op het feit dat de tijdstippen van de pintransacties kort na het huisbezoek hebben plaatsgevonden en de pinpas tijdens alle pintransacties in verschillende plaatsen in handen van verdachte is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte ook de oplichting van [aangevers 6] heeft gepleegd. Dat geldt temeer nu verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen op de aan hem ter zitting gestelde vraag hoe hij aan deze pinpas is gekomen. Uit het dossier volgt verder geen enkel aanknopingspunt dat er bij dit feit nog een ander betrokken zou zijn geweest Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook de oplichtingen van [aangever 4] , [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangevers 6] en [aangever 5] heeft gepleegd. [aangever 26] (feit 5) Uit de aangifte van [aangever 26] blijkt dat er op 12 juli 2024 een man bij hem aan de deur was gekomen die vertelde dat er mankementen aan het dak van de woning waren die lekkage zouden gaan veroorzaken. De man had vervolgens een berekening gemaakt van de kosten wanneer hij de reparatie zou verrichten. Het bedrag kwam uit op 2.750 euro waarvan 2.360 euro direct contant aan de man moest worden betaald om materiaal te halen. Omdat [aangever 26] dit niet in huis had, is hij naar de pinautomaat gegaan en heeft daar 3.000 euro gepind. Daar kwam hij zijn dochter tegen die het een vreemd verhaal vond en samen met [aangever 26] naar zijn woning is gegaan. Toen [aangever 26] daar tegen de man zei dat hij het niet helemaal vertrouwde, gaf de man zijn identiteitsbewijs aan [aangever 26] waarvan [aangever 26] samen met zijn dochter een kopie ging maken in een andere kamer. Nadat [aangever 26] met zijn dochter terug kwam in de woonkamer waar zij de man hadden achtergelaten, was de man verdwenen en ook de 3.000 euro. Is verdachte de dader? De vraag of verdachte de dader is van dit feit, kan naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord. Zij baseert zich hiervoor op het feit dat het identiteitsbewijs van verdachte bij [aangever 26] is achtergebleven en [aangever 26] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de persoon die op de foto van de identiteitskaart stond dezelfde was als de persoon die bij hem in de woning was. Bovendien past de modus operandi van dit feit geheel bij de hiervoor weergegeven modus operandi van de overige feiten waarvan is vastgesteld dat verdachte betrokkenheid hierbij had en die door hem ook grotendeels zijn bekend. Primair tenlastegelegde oplichting Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [aangever 26] de 3.000 euro aan verdachte heeft afgegeven. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Subsidiair tenlastegelegde diefstal Wel acht zij de subsidiair tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. Dat er sprake is geweest van een alternatief scenario waarbij het geld tussen de pinautomaat en de woning is kwijtgeraakt, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Niet alleen [aangever 26] zelf heeft verklaard dat hij het geld bij terugkomst in zijn woning nog had. Ook zijn dochter heeft verklaard dat zij het geld in de woning van haar vader in zijn hand heeft gezien. Onduidelijk is gebleven waar [aangever 26] het geld heeft neergelegd, maar naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat het geld weg was. Uit zowel de verklaring van [aangever 26] als de verklaring van zijn dochter volgt namelijk dat er door hen goed is gezocht naar het geld maar dat zij dit nergens meer hebben gevonden. Het kan daarom niet anders dan dat [aangever 26] het geld binnen het bereik van verdachte heeft neergelegd en verdachte het geld uit de woning heeft meegenomen. Het alternatief dat hij, met achterlating van zijn identiteitskaart, zonder geld zou zijn vertrokken, acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden ook hoogst onwaarschijnlijk. Voorwaardelijk verzoek Voor het geval de rechtbank niet meegaat in de gevoerde verweren, heeft de raadsman verzocht om [verdachte] . en [persoon 1] als getuigen te horen, zoals eerder verzocht op de pro forma zitting van 3 maart 2026. De rechtbank overweegt in dat kader dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat een ander dan verdachte (volgens de verdediging [verdachte] ., mogelijk [persoon 2] ) de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Om die reden ziet de rechtbank geen belang van de verdediging om de verzochte getuigen te horen. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat op 27 oktober 2025 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt over de aflevering van [tv programma] waaraan de verdediging refereert in de onderbouwing van de getuigenverzoeken. De verbalisant heeft de betreffende aflevering gekeken en hierover in het aanvullende proces-verbaal gerelateerd, dat de daarin voorkomende [verdachte] . een heel ander uiterlijk heeft dan de [verdachte] uit het onderhavige dossier. Zo is de huidskleur, de stand van de wenkbrauwen en de vorm van het gezicht heel anders. Ook heeft [verdachte] . een andere modus operandi door zich voor te doen als schoorsteen-verwijderaar en niet als dakdekker zoals verdachte heeft gedaan. De rechtbank wijst het verzoekt van de verdediging dan ook af. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 in de periode van 4 juni 2024 tot en met 1 april 2025 te [plaats 2] en [plaats 3] , gemeente [plaats 4] , en [plaats 5] en [plaats 6] , gemeente [plaats 7] , en [plaats 8] en [plaats 9] , gemeente [plaats 10] , en [plaats 11] en [plaats 12] en [plaats 13] , gemeente [plaats 14] , meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hieronder genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten - [aangever 9] een bedrag van 3400 euro, en - [aangever 10] een bedrag van 1750 euro en - [aangever 12] een bedrag van 1900 euro, en - [aangever 11] een bedrag van 1760 euro, en - [aangever 1] een bedrag van 1250 euro, en - [aangever 2] een bedrag van 2400 euro, en - [aangever 3] een bedrag van 1950 euro, en - [aangever 7] een pinpas en -code, en - [aangever 4] een pinpas en -code, en - [aangever 8] een pinpas en -code, door: - zich voor te doen als dakdekker en of klusjesman, en/of - aan te geven dat zijn naam [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] is, en/of - aan te geven werkzaam te zijn voor het bedrijf [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , en/of - een (nep) telefoonnummer te geven, en/of - aan te geven in de buurt en/of bij de buren aan het werk te zijn, en/of - aan te geven dat hij, tijdens zijn werkzaamheden, mankementen aan de daken van voornoemde personen zag en/of - aan te geven dat hij de daken snel kon repareren en/of daartoe een voorschot bedrag nodig heeft om materiaal te kopen, en/of - een offerte en/of berekening en/of kwitantie/factuur en/of lijstje van de kosten en/of benodigde materialen te maken/op te stellen; 2 in de periode van 30 november 2023 tot en met 15 oktober 2024 te [plaats 15] , meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hieronder genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten - [aangever 13] een pinpas en code, en - [aangever 14] een bedrag van 2.500 euro, en - [aangever 15] een bedrag van 1000 euro, en - [aangever 16] een pinpas en -code door: - zich voor te doen als dakdekker, en/of - een (nep)telefoonnummer te geven, en/of - aan te geven werkzaam te zijn voor het bedrijf [b.v.] . en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] , en/of - aan te geven in de buurt en/of bij de buren aan het werk te zijn, en/of - aan te geven dat hij, tijdens zijn werkzaamheden, mankementen aan de daken van voornoemde personen zag en/of - aan te geven dat hij de daken snel kon repareren en/of daartoe een voorschot bedrag nodig heeft om materiaal te kopen, en/of - een offerte en/of berekening en/of kwitantie/factuur en/of lijstje van de kosten en/of benodigde materialen heeft gemaakt; 3 in de periode van 7 december 2023 tot en met 7 maart 2025 te [plaats 16] en [plaats 17] en [plaats 18] , gemeente [plaats 19] , en [plaats 20] en [plaats 21] en [plaats 22] en [plaats 23] en [plaats 1] , gemeente [plaats 24] , en [plaats 25] , gemeente [plaats 26] , en [plaats 27] , gemeente [plaats 28] , meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hieronder genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten: - [aangever 17] een bedrag van 850 euro, en - [aangever 5] een bedrag van 1900 euro, en - [aangever 18] een bedrag van 1360 euro, en - [aangever 19] een bedrag van 1640 euro, en - [aangever 20] een bedrag van 500 euro, en - [aangever 21] een bedrag van 1700 euro, en - [aangever 22] een bedrag van 1050 euro, en - [aangevers 6] een pinpas en -code en een bedrag van 350 euro, en - [aangever 23] een bedrag van 1760 euro, en - [aangever 24] een bedrag van 1000 euro door: - zich voor te doen als dakdekker en/of loodgieter en/of klusjesman, en/of - aan te geven dat zijn naam [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] is, veelal een andere naam te geven dan zijn eigen naam, en/of - aan te geven werkzaam te zijn voor een dakdekkersbedrijf [bedrijf 1] en/of [bedrijf 8] , en/of - een (nep) telefoonnummer te geven, en/of - aan te geven in de buurt en/of bij de buren aan het werk te zijn en/of aan het werk te gaan, en/of - aan te geven dat hij, tijdens zijn werkzaamheden, mankementen aan de daken van voornoemde personen zag en/of aan te geven dat er mogelijk een lekkage zou zijn/komen en/of - aan te geven dat hij de daken snel kon repareren en/of daartoe een voorschot bedrag nodig heeft om materiaal te kopen en/of de helft vooruit betaald moet worden, en/of - te doen alsof hij iemand van zijn bedrijf belde en/of belde voor de benodigde materialen, en/of - een offerte en/of berekening en/of kwitantie/factuur en of lijstje van de kosten en/of benodigde materialen te maken/op te stellen; 4 in de periode van 15 oktober 2024 tot en met 1 april 2025 te [plaats 29] , gemeente [plaats 14] , en [plaats 30] en [plaats 11] en [plaats 13] , gemeente [plaats 14] , en [plaats 15] , telkens een hoeveelheid geld, dat aan [aangever 25] en [aangever 7] en [aangever 4] en [aangever 8] en [aangever 16] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van een pinpas en pincode welke door oplichting zijn verkregen; 5 subsidiair: op 12 juli 2024 te [plaats 31] 3.000 euro, die aan [aangever 26] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest. Zij houdt daarbij rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat er meermalen sprake is van recidive. Ook is er sprake van een recente veroordeling voor soortgelijke feiten door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2026. Zij baseert haar eis op de richtlijnen met als uitgangspunt drie maanden gevangenisstraf per feit, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (verder Sr.) dat van toepassing is en de daardoor nog maximaal op te leggen straf als gevolg van de eerdere veroordeling van 18 juni 2026. De officier van justitie vordert daarnaast het vonnis in deze zaak niet geanonimiseerd te publiceren en aan verdachte een beroepsverbod op te leggen op grond van artikel 339 Sr., om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw slachtoffers maakt. Mede gelet op het feit dat verdachte in deze zaak geschorst is uit de voorlopige hechtenis om een andere straf uit te zitten, is er volgens de officier van justitie geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit aan verdachte een grotendeels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in het reclasseringsadvies van 5 februari 2026. Daarbij is van belang dat verdachte er alles aan wil doen om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw in de fout zal gaan. De vraag is ook hoeveel ruimte er nog is voor een (aanvullende) strafoplegging gelet op het reeds ondergane voorarrest, de richtlijnen, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is. De verdediging wijst er daarnaast nog op dat veel feiten zijn verouderd waardoor sprake is van een schending van de redelijke termijn van berechting. Publicatie van het vonnis zonder anonimisering zou een veel te grote inbreuk op de privacy van verdachte maken. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich in een periode van zestien maanden schuldig gemaakt aan 24 oplichtingen, vijf gekwalificeerde diefstallen en één kale diefstal. In totaal heeft verdachte hiermee 26 slachtoffers gemaakt die allemaal op hoge leeftijd waren. Hij deed dit door middel van een geraffineerde babbeltruc waarbij hij zich voordeed als dakdekker of klusjesman met een verzonnen verhaal over mankementen aan het dak waarvoor snelle reparatie nodig was teneinde lekkages te voorkomen. Door zich voor te doen als deskundige op dit gebied wekte hij het vertrouwen van de slachtoffers. Daarnaast overrompelde en dwong hij de slachtoffers als het ware om snel te beslissen en te handelen door de nood van de reparatie, de wachttijd bij een bedrijf en zijn toevallige aanwezigheid als ‘redder in nood’ waardoor direct tot reparatie kon worden overgegaan, te benadrukken. Op deze manier heeft hij de slachtoffers bewogen tot het afgeven van grote hoeveelheden contant geld en/of hun pinpas met bijbehorende pincode waarmee hij vervolgens geld heeft gestolen. In één geval was er sprake van het gebruiken van een pinpas en pincode die na bankhelpdeskfraude was afgegeven. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat deze vorm van oplichting en diefstal nadrukkelijk was gericht op oudere mensen vanwege hun kwetsbaarheid, afhankelijkheid en vertrouwen in de medemens. De impact is voor de slachtoffers groot. Niet alleen zijn zij financieel gedupeerd en is hun vertrouwen in de medemens ernstig geschaad, maar ook is hun gevoel van veiligheid aangetast omdat verdachte in veel gevallen bij hen in de woning is geweest. Sommige slachtoffers zijn zelfs bang dat de dader terug zal komen en geweld zal gebruiken of inbreken. Bovendien dachten veel slachtoffers hun spaargeld op een goede manier te investeren en schamen zij zich erg dat zij in de babbeltruc zijn getrapt. Deze gevolgen blijven nog lang nadreunen in het leven van de slachtoffers. Dat blijkt ook uit de aangiftes en slachtofferverklaringen die bij de schadevergoedingsvorderingen zijn gevoegd. Verdachte heeft bij deze gevolgen kennelijk niet stilgestaan of zich hier simpelweg niet om bekommerd en uitsluitend zijn eigen financiële gewin vooropgesteld. Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijk omdat verdachte al eerder is veroordeeld voor dit soort feiten. Dit rekent de rechtbank hem zeer aan. Ook rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij niet snel verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde feiten. Hij heeft immers over het algemeen pas toegegeven een feit te hebben gepleegd wanneer er beelden zijn waarop hij glashelder is te zien, waaruit afgeleid lijkt te kunnen worden dat verdachte pas bekent wanneer hij op basis van de bewijsmiddelen weinig anders kan. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 4 augustus 2026. Daaruit blijkt, zoals al genoemd, dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Zo heeft verdachte op 2 september 2021 een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk opgelegd gekregen met een proeftijd van twee jaar en op 5 september 2018 een gevangenisstraf van 36 maanden, ook voor oplichtingen. Na het plegen van onderhavige feiten is verdachte bovendien op 4 juni 2026 in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden, ook voor soortgelijke feiten, al is deze uitspraak nog niet onherroepelijk. Bij deze laatste veroordeling is ook de tenuitvoerlegging van de in 2021 opgelegde voorwaardelijke straf bevolen. Hieruit blijkt dat deze eerdere veroordelingen waarvoor niet alleen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd maar ook voorwaardelijke straffen, verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw dit soort feiten te plegen. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een langdurig en consistent patroon van recidive. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee bij de strafmaat. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 5 februari 2026 dat is opgesteld voor de raadkamerzitting van 3 maart 2026. Daarin constateert de reclassering dat sprake is van een hardnekkig en langdurig delictpatroon waarin verdachte willekeurige veelal kwetsbare mensen tot slachtoffer maakt. De reclassering ziet met name delictgerelateerde factoren op het gebied van het gebrek aan dagbesteding, psychosociaal functioneren, het gebrek aan structuur en steunend netwerk en de pro criminele houding. Verdachte heeft zichzelf een "way of life" aangemeten waarbij hij enkel gericht is op het vervullen van korte termijn behoeften. Hij houdt hierbij geen enkele rekening met de gedupeerden en ervaart geen schuldgevoel. Op een later moment zou hij zich er wel rot over voelen maar hij kiest toch keer op keer voor de snelle weg naar geld, waardoor er recidive plaatsvindt. Volgens de reclassering heeft verdachte in het verleden meermaals uitgesproken dat hij wil veranderen maar hij heeft zich hier vervolgens niet voor ingezet en bij enige tegenslag valt hij terug in recidive. Dat verdachte nu een punt in zijn leven zou hebben bereikt waarop hij inziet dat het echt anders moet, zoals hij bij de reclassering vertelt, bekijkt de reclassering dan ook sceptisch en terughoudend. Het recidiverisico wordt als gemiddeld-hoog ingeschat. Redelijke termijn van berechting Van een schending van de redelijke termijn van berechting, zoals door de verdediging is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt of redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had om tegen hem een strafvervolging in te stellen. Voor dat moment moet in dit geval worden gerekend vanaf 6 april 2025, te weten de datum van de inverzekeringstelling van verdachte en dus niet de datum van de tenlastegelegde feiten. Vanaf de datum van de inverzekeringstelling tot de afronding van de zaak met dit eindvonnis is nog geen twee jaar verstreken. Verdachte is geschorst uit de voorlopige hechtenis in deze zaak, waardoor niet een verkorte termijn van zestien maanden geldt. De strafoplegging Gelet op de aard en de ernst van de feiten, de hoeveelheid slachtoffers die verdachte heeft gemaakt en het hardnekkige, langdurige delictpatroon van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Dit geldt ook als de rechtbank daarbij op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening houdt met de in juni van dit jaar opgelegde straf. Voor de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank legt verdachte daarom een gevangenisstraf op voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft gezeten. Gelet op de duur van deze gevangenisstraf bestaat geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel, zoals door de verdediging is bepleit. Eventuele behandeling en begeleiding van verdachte om recidive te voorkomen kan binnen detentiefasering of een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling plaatsvinden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om te bepalen dat aan verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd. Verdachte heeft de feiten niet in de uitoefening van zijn beroep als dakdekker gepleegd, maar deed zich alleen voor als dakdekker. Na afweging van de belangen van mogelijk toekomstige slachtoffers en die van verdachte zal de rechtbank evenmin bepalen dat de uitspraak niet-geanonimiseerd zal worden gepubliceerd. Gelet op de duur van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf, acht de rechtbank dit nu niet aangewezen. 7 De benadeelde partijen Materiële schade Betreffende de bewezenverklaarde feiten hebben de volgende benadeelde partijen een schadevergoeding gevorderd ter zake van materiële schade: - [aangever 9] voor een bedrag van € 3.400,= (feit 1); - [aangever 10] voor een bedrag van € 1.750,= (feit 1); - [aangever 12] voor een bedrag van € 1.900,= (feit 1); - [aangever 11] voor een bedrag van € 1.760,= (feit 1); - [aangever 1] voor een bedrag van € 1.250,= (feit 1); - [aangever 2] voor een bedrag van € 2.400,= (feit 1); - [aangever 4] voor een bedrag van € 5.150,= (feiten 1 en 4); - [aangever 13] voor een bedrag van € 1.750,= (feit 2); - [aangever 15] voor een bedrag van € 1.000,= (feit 2); - [aangever 16] voor een bedrag van € 2.373,50 (feiten 2 en 4) - [aangever 5] voor een bedrag van € 1.650,= (feit 3) - [aangever 19] voor een bedrag van € 1.640,= (feit 3) - [aangever 21] voor een bedrag van € 1.700,= (feit 3) - [aangevers 6] voor een bedrag van € 1.704,50= (feit 3) - [aangever 23] voor een bedrag van € 1.760,= (feit 3) - [aangever 27] voor een bedrag van € 1.600,= (feit 4) - [aangever 26] voor een bedrag van € 3.000,= (feit 5) De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 1 tot en met 5 heeft gepleegd en dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door die feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek is verdachte voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Met uitzondering van de vorderingen van [aangever 4] en [aangevers 6] , acht de rechtbank de door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoeding ter zake van materiële schade dan ook volledig toewijsbaar tot de gevorderde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank ook telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. [aangever 4] heeft aan materiële schade een vergoeding gevorderd van € 5.150,=, waarvan € 150,= voor een telefoon. Met betrekking tot de kosten voor de telefoon is de rechtbank van oordeel dat het causaal verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt en dat er daarom geen sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. [aangever 4] zal daarom voor dat deel van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Voor het overige acht de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 5.000,= toewijsbaar, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [aangevers 6] heeft aan materiële schade een vergoeding gevorderd van € 1.704,50 terwijl in de aangifte namens [aangevers 6] alleen blijkt van een benadeling van € 1.454,50. Dat er meer schade zou zijn is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan en is ook niet nader onderbouwd. De rechtbank acht de vordering daarom voor wat betreft het meer gevorderde dan in de aangifte is opgenomen ongegrond en zal daarom dit gedeelte van de vordering afwijzen. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar tot het bedrag van € 1.454,50, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Immateriële schade De benadeelde partijen [aangever 11] , [aangever 4] en [aangever 16] hebben ook een vergoeding gevorderd van immateriële schade. Het gaat dan om € 250,= immateriële schade gevorderd door [aangever 11] , € 5.000,= immateriële schade gevorderd door [aangever 4] en € 500,= immateriële schade gevorderd door [aangever 16] . Een benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijke Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval verdachte het oogmerk had om immateriële schade toe te brengen aan de benadeelde partij, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij is aangetast in zijn/haar eer of goede naam of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. De rechtbank stelt in deze zaak vast dat verdachte niet het oogmerk had om immateriële schade toe te brengen, er geen sprake is van lichamelijk letsel en de benadeelde partij ook niet in haar eer of goede naam is geschaad. Verder is ook niet onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Ten eerste is er niet naar objectieve maatstaven geestelijk letsel vastgesteld. En daarnaast is -hoe naar deze feiten ook zijn- in het onderhavige geval geen sprake van feiten die naar de aard en de ernst van de normschending de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op een andere wijze (zonder meer) kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een van de hiervoor genoemde gronden. Nu daardoor een wettelijke grondslag ontbreekt, kan een vergoeding voor immateriële schade niet worden toegekend. De rechtbank wijst daarom de vorderingen van [aangever 11] , [aangever 4] en [aangever 16] tot vergoeding van immateriële schade af. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het primair onder 5 tenlastegelegde feit ; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: Oplichting, meermalen gepleegd; feit 2: Oplichting, meermalen gepleegd; feit 3: Oplichting, meermalen gepleegd; feit 4: Diefstal, waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd; feit 5: Diefstal; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaar ; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partijen - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 9] van € 3.400,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 juni 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 9] (feit 1), € 3.400,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 juni 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 34 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 10] van € 1.750,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 juni 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 10] (feit 1), € 1.750,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 juni 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 17 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 12] van € 1.900,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 september 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 12] (feit 1), € 1.900,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 september 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 19 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 11] van € 1.760,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 11] (feit 1), € 1.760,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 17 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 11] betreffende de immateriële schade af; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 1.250,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] (feit 1), € 1.250,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 12 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 2.400,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 februari 2025 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] (feit 1), € 2.400,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 februari 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 24 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] van € 5.000,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4] (feiten 1 en 4), € 5.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - verklaart de benadeelde partij in het gedeelte van de vordering betreffende de telefoon voor een bedrag van € 150,= niet-ontvankelijk; - wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] betreffende de immateriële schade af; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 13] van € 1.750,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 november 2023 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 13] (feit 2), € 1.750,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 november 2023 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 17 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 15] v an € 1.000,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 8 januari 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 15] (feit 2), € 1.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 8 januari 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 16] van € 2.373,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 16] (feiten 2 en 4), € 2.373,50,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 23 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 16] betreffende de immateriële schade af; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 5] van € 1.650,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 december 2023 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 5] (feit 3), € 1.650,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 december 2023 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 16 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 19] van € 1.640,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 19] (feit 3), € 1. 640,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 16 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 21] van € 1.700,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 21] (feit 3), € 1.700,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 17 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangevers 6] van € 1.454,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangevers 6] (feit 3), € 1.454,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 14 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - wijst de vordering van de benadeelde partij [aangevers 6] voor het overige af; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 23] van € 1.760,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 november 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 23] (feit 3), € 1.760,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 november 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 17 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 27] van € 1.600,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 27] (feit 4), € 1.600,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 16 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 26] van € 3.000,= aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juli 2024 tot aan de dag der voldoening; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 26] (feit 5), € 3.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juli 2024 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij het voldoen van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; - veroordeelt verdachte in de kosten van alle benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. C.M.B. Gijselman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 augustus 2026. Mr. Gijselman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat 1 hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2024 tot en met 1 april 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , gemeente [plaats 4] , en/of [plaats 5] en/of [plaats 6] , gemeente [plaats 7] , en/of [plaats 8] en/of [plaats 9] , gemeente [plaats 10] , en/of [plaats 11] en/of [plaats 30] en/of [plaats 13] , gemeente [plaats 14] , althans in Nederland meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hieronder genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten - [aangever 9] een bedrag van 3400 euro, en/of - [aangever 10] een bedrag van 1750 euro en/of - [aangever 12] een bedrag van 1900 euro, en/of - [aangever 11] een bedrag van 1760 euro, en/of - [aangever 1] een bedrag van 1250 euro, en/of - [aangever 2] een bedrag van 2400 euro, en/of - [aangever 3] een bedrag van 1950 euro, en/of - [aangever 7] een pinpas en -code, en/of - [aangever 4] een pinpas en -code, en/of - [aangever 8] een pinpas en -code, door: - zich voor te doen als dakdekker en of klusjesman, althans iemand die werkzaamheden aan daken verricht, en/of - aan te geven dat zijn naam [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] is, in elk geval een andere naam te geven dan zijn eigen naam, - - aan te geven werkzaam te zijn voor het bedrijf [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , en/of - een (nep) telefoonnummer te geven, en/of - aan te geven in de buurt en/of bij de buren aan het werk te zijn, en/of - aan te geven dat hij, tijdens zijn werkzaamheden, mankementen aan de daken van voornoemde personen zag en/of aan te geven dat het dak slecht was, en/of - aan te geven dat hij de daken snel kon repareren en/of daartoe een voorschot bedrag nodig heeft om materiaal te kopen, en/of - een offerte en/of berekening en/of kwitantie/factuur en/of lijstje van de kosten en/of benodigde materialen te maken/op te stellen; ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij in of omstreeks de periode van 30 november 2023 tot en met 15 oktober 2024 te [plaats 15] , althans in Nederland meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hieronder genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of hel teniet doen van een inschuld, te weten - [aangever 13] een pinpas en/of code, en/of - [aangever 14] een bedrag van 2.500 euro, en/of - [aangever 15] een bedrag van 1000 euro, en/of - [aangever 16] een pinpas en/of -code door; - zich voor te doen als dakdekker, althans iemand die werkzaamheden aan daken verricht, en/of - een (nep)telefoonnummer te geven, en/of - aan te geven werkzaam te zijn voor het bedrijf [b.v.] . en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] , en/of - aan te geven in de buurt en/of bij de buren aan het werk te zijn, en/of - aan te geven dat hij, tijdens zijn werkzaamheden, mankementen aan de daken van voornoemde personen zag en/of aan te geven dat het dak slecht was, en/of - aan te geven dat hij de daken snel kon repareren en/of daartoe een voorschot bedrag nodig heeft om materiaal te kopen, en/of - een offerte en/of berekening en/of kwitantie/factuur en/of lijstje van de kosten en/of benodigde materialen heeft gemaakt; ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 3 hij in of omstreeks de periode van 7 december 2023 tot en met 7 maart 2025 te [plaats 16] en/of [plaats 17] en/of [plaats 18] , gemeente [plaats 19] , en/of [plaats 20] en/of [plaats 21] en/of [plaats 22] en/of [plaats 23] en/of [plaats 1] , gemeente [plaats 24] , en/of [plaats 25] , gemeente [plaats 26] , en/of [plaats 27] , gemeente [plaats 28] , althans in Nederland meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hieronder genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten: - [aangever 17] een bedrag van 850 euro, en/of - [aangever 5] een bedrag van 1900 euro, en/of - [aangever 18] een bedrag van 1360 euro, en/of - [aangever 19] een bedrag van 1640 euro, en/of - [aangever 20] een bedrag van 500 euro, en/of - [aangever 21] een bedrag van 1700 euro, en/of - [aangever 22] een bedrag van 1050 euro, en/of - [aangevers 6] een pinpas en - code en/of een bedrag van 350 euro, en/of - [aangever 23] een bedrag van 1760 euro, en/of - [aangever 24] een bedrag van 1000 euro door: - zich voor te doen als dakdekker en/of loodgieter en/of klusjesman, althans iemand die werkzaamheden aan daken verricht, en/of - aan te geven dat zijn naam [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] is, in elk geval een andere naam te geven dan zijn eigen naam, en/of - aan te geven werkzaam te zijn voor een dakdekkersbedrijf [bedrijf 1] en/of [bedrijf 8] , en/of - een (nep) telefoonnummer te geven, en/of - aan te geven in de buurt en/of bij de buren aan het werk te zijn en/of aan het werk te gaan, en/of - aan te geven dat hij, tijdens zijn werkzaamheden, mankementen aan de daken van voornoemde personen zag en/of aan te geven dat het dak slecht was, en/of aan te geven dat er mogelijk een lekkage zou zijn/komen en/of - aan te geven dat hij de daken snel kon repareren en/of daartoe een voorschot bedrag nodig heeft om materiaal te kopen en/of de helft vooruit betaald moet worden, en/of - te doen alsof hij iemand van zijn bedrijf belde en/of belde voor de benodigde materialen, en/of - een offerte en/of berekening en/of kwitantie/factuur en of lijstje van de kosten en/of benodigde materialen te maken/op te stellen: ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 4 hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2024 tot en met 1 april 2025 te [plaats 29] , gemeente [plaats 14] , en/of [plaats 12] en/of [plaats 11] en/of [plaats 13] , gemeente [plaats 14] en/of [plaats 15] , in elk geval in Nederland telkens een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 25] en/of [aangever 7] en/of [aangever 4] en/of [aangever 8] en/of [aangever 16] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikmaking van een pinpas en pincode welke door oplichting zijn verkregen, in elk geval door gebruikmaking met een ander doel dan waarvoor door de rechthebbenden toestemming is gegeven; ( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht ) 5 hij op of omstreeks 12 juli 2024 te [plaats 31] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 26] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten 3000 euro, door - zich voor te doen als werknemer van [bedrijf 10] , en/of - aan te geven bij de buren aan het werk te zijn, en/of aan te geven dat de dakpannen gescheurd waren en/of aan te wijzen waar het dak slecht was, en/of - een berekening van de kosten te maken, en/of - zogenaamd telefonisch materiaal te bestellen; ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 juli 2024 te [plaats 31] 3000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 26] [aangever 26] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; ( art 310 Wetboek van Strafrecht ) meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 juli 2024 te [plaats 31] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 26] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten 3000 euro zich heeft voorgedaan als werknemer van [bedrijf 10] en/of heeft aangegeven bij de buren aan het werk te zijn en/of heeft aangegeven dat de dakpannen gescheurd waren en/of heeft aangewezen waar het dak slecht was en/of een berekening van de kosten heeft gemaakt en/of zogenaamd telefonisch materiaal heeft besteld terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )