Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:7726
Het verzoek van eiseres tot het verlenen van een verklaring van vakbewaamheid voor het beroep van verloskundige op grond van de Wet op beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) op goede gronden afgewezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/257 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verklaring van vakbekwaamheid voor het beroep verloskundige op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden het verzoek van eiseres tot het verlenen van een verklaring van vakbekwaamheid voor het beroep verloskundige op grond van de Wet BIG heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring van vakbekwaamheid als verloskundige. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Bij brief van 16 juni 2026 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend, met een verzoek om een proceskostenvergoeding van € 500,- voor de vertaling van documenten. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, en namens de minister mr. M. Dinkla. De minister heeft dr. [persoon 1] (voorzitter Commissie Buitenlands Gediplomeerden Volksgezondheid) en [persoon 2] (verloskundige en docent hbo-verloskunde INHOLLAND) meegebracht naar de zitting. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het besluit 3. Eiseres heeft op 24 juni 2024, aangevuld op 8 augustus en 14 oktober 2024, een aanvraag gedaan voor het verlenen van een verklaring vakbekwaamheid voor het beroep verloskundige op grond van de Wet BIG. Zij heeft daarbij onder meer haar in Iran behaalde diploma met bijlages, bevoegdheidsverklaringen, CV en haar inburgeringsdiploma overgelegd. Op verzoek van de minister heeft eiseres aanvullende informatie overgelegd, waaronder gewaarmerkte kopieën van haar verblijfsdocument, een getuigschrift, het vakkenoverzicht van de beroepsopleiding, een op naam gesteld opleidingsprogramma van de door eiseres gevolgde opleiding en een bewijsstuk waaruit blijkt dat eiseres bevoegd is om het beroep van verloskundige in het land van diplomering uit te oefenen. 3.1. Op verzoek van de minister heeft de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs (Nuffic) een diplomawaardering verricht. Nuffic heeft geconcludeerd dat het getuigschrift van eiseres op basis van overwegend niet-inhoudelijke vergelijkingscriteria het algemeen prestatieniveau van de graad bachelor in het hoger beroepsonderwijs vertegenwoordigt. 3.2. Op 28 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag voor een verklaring van vakbekwaamheid als verloskundige voor advies voorgelegd aan de Commissie Buitenlands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV). De CBGV heeft vervolgens de aanvraag, inclusief de overgelegde stukken en de conclusie van Nuffic beoordeeld en heeft op 17 december 2024 geadviseerd om de aanvraag af te wijzen. De CBGV heeft geconcludeerd dat eiseres niet heeft aangetoond te beschikken over een vakbekwaamheid die op hetzelfde niveau ligt als het eindniveau van de Nederlandse (beroeps-)opleiding. Daarbij is overwogen dat de situatie in Iran wezenlijk anders is qua werkwijze dan het werken als autonome verloskundige in Nederland. De belangrijkste ontbrekende factoren zijn: up-to-date inzichten in counseling voor prenatale screening, zelfstandige risicoselectie en beleid bepalen. Daarnaast wordt Shared- decision making niet genoemd en ontbreekt preconceptiezorg. Ook is er geen (aanvullende) training of bijscholing gevolgd in acute verloskundige situaties. De laatste werkervaring van eiseres is meer dan vijf jaar geleden, en bovendien alleen op het gebied van prenatale en postnatale zorg. Deze tekortkomingen zijn zo groot dat ze volgens de CBGV niet weggenomen kunnen worden door het volgen van een aanvullende opleiding. 3.3. De minister heeft eiseres op 31 januari 2025 van het voornemen om haar aanvraag af te wijzen op de hoogte gesteld. Eiseres heeft hierop haar zienswijze gegeven en op 13 februari 2025 aanvullende documenten toegestuurd. 3.4. De CBGV heeft op 24 februari 2025 een aanvullend advies uitgebracht. De CBGV heeft de aanvullende informatie die eiseres heeft aangeleverd en de aanvullende antwoorden tijdens het zienswijzegesprek meegenomen in haar beoordeling en geconcludeerd dat de zienswijze geen aanleiding geeft voor een ander standpunt. 3.5. De minister heeft bij besluit van 18 maart 2025 de aanvraag van eiseres onder verwijzing naar het advies van de CBGV afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 2 april 2025 bezwaar gemaakt en aanvullende gronden ingediend. 3.6. De minister heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiseres op 26 juni 2025 aan de CBGV om een nader advies gevraagd. Dit advies is op 17 juli 2025 door de CBGV afgegeven. 3.7. De minister heeft in navolging op het advies van 17 juli 2025, gelet op de vergewisplicht, de CBGV op 31 juli 2025 om een nader advies gevraagd. Op 15 september 2025 heeft de CBGV dit nader advies afgegeven. 3.8. De CBGV heeft op verzoek van de minister de nadere stukken beoordeeld en gelet daarop een nader advies uitgebracht op 31 oktober 2025. In dat advies geeft de CBGV aan dat de aanvullende stukken geen aanleiding geven om het advies van 15 september 2025 te herzien. Eiseres heeft hierop op 5 november 2025 haar reactie gegeven. 3.9. De minister heeft het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd. De minister heeft daarbij de adviezen van de CBGV gevolgd. Deze zijn volgens de minister zorgvuldig tot stand gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiseres voor een verklaring van vakbekwaamheid heeft kunnen afwijzen. Dit doet zij onder meer aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd, haar beroepsgronden. Wat vindt eiseres? 4.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de besluitvorming onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Zij voert aan dat de beoordelingsmatrix die ten grondslag heeft gelegen aan het advies van 17 december 2024 niet in alle fasen van de procedure is overgelegd, waardoor voor haar onduidelijk is gebleven op welke gronden haar bezwaar is afgewezen. Eiseres voert aan dat zij tijdens de procedure aanvullende documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij beschikt over relevante theoretische kennis, praktijkervaring en beroepsvaardigheden. Volgens eiseres zijn deze stukken niet of onvoldoende meegewogen. Daarnaast stelt eiseres dat haar werkervaring onjuist is beoordeeld. Eiseres stelt dat een volledige afwijzing onterecht is gelet op haar vierjarige universitaire opleiding en tien jaar relevante werkervaring. 4.2. Op 16 juni 2026 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend en toegelicht dat zij haar diploma’s en opleidingsdocumenten heeft laten beoordelen door de [hogeschool]. Zij is door de [hogeschool] toegelaten om een vervolgopleiding te volgen. Als aanvullende voorwaarde werd uitsluitend gesteld om de cursus ‘Evidence Based Medicine’ te volgen. Eiseres stelt deze cursus met succes te hebben afgerond. Daarnaast heeft eiseres stagegelopen als partusassistent is zij momenteel werkzaam als leerling kraamverzorgende bij [instelling kraamzorg]. Wat vindt de minister? 4.3. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat de Wet BIG de belangen van patiëntveiligheid en de kwaliteit van de zorg beoogt de beschermen. Om in Nederland als verloskundige te kunnen werken is inschrijving in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG noodzakelijk. Artikel 30 van de Wet BIG regelt dat inschrijving in het register het bezit van een getuigschrift vereist waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. In artikel 31 van de Wet BIG en artikel 5 van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008 staat beschreven wat tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige wordt gerekend. Eiseres heeft in Iran haar verloskunde diploma gehaald. Op situaties waarin het hiervoor bedoelde getuigschrift in het buitenland behaald is, is artikel 41, van de Wet BIG van toepassing. Artikel 41, eerste lid noemt drie mogelijkheden om tot registratie te komen: automatische erkenning (sub a), de verklaring van vakbekwaamheid (sub b) of erkenning van beroepskwalificaties (sub c). Eiseres heeft haar diploma behaald buiten de Europese Unie. In dat geval bestaat alleen de mogelijkheid genoemd onder sub b. Hoe luidt het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de CBGV te beschouwen is als een onafhankelijke deskundige op het gebied van waardering van vakbekwaamheid van een buitenlands gediplomeerde. De minister mag zijn besluit op het advies van de CBGV baseren , mits hij zich ervan heeft vergewist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud inzichtelijk en concludent is. Het laatste betekent dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar moet zijn. Als het advies aan die eisen voldoet, mag de minister van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht. Zorgvuldigheid van de adviezen van de CBGV 6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de adviezen van de CBGV niet zorgvuldig tot stand gekomen zijn. Zij stelt dat de wijze waarop haar dossier is beoordeeld onvoldoende recht doet aan de erkenning van haar diploma en de daarmee vastgestelde opleidingswaarde. Daarnaast stelt eiseres dat de CBGV niet alle door haar overlegde informatie heeft meegenomen in de waardering van haar diploma. 6.1. De CBGV heeft op verzoek van de minister zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase (nadere) adviezen afgegeven over de aanvraag van eiseres voor een verklaring van vakbekwaamheid. In die advisering heeft de CBGV steeds de door eiseres aangeleverde (aanvullende) bewijsstukken en toelichtingen meegenomen. Eiseres is ook in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Het dossier is in totaal vier keer in een commissievergadering besproken, omdat eiseres meerdere malen, waaronder in de bezwaarfase, in de gelegenheid is gesteld aanvullende bewijsstukken aan te leveren en de minister daarover nader advies heeft ingewonnen bij de CBGV. De minister licht toe dat deze adviezen elkaar opvolgen en een verduidelijking of aanvulling bevatten van het voorgaande advies. De beoordelingstabellen uit het initiële advies van 17 december 2024 zijn het uitgangspunt van de daaropvolgende nadere adviezen. De adviezen moeten dan ook in samenhang worden gelezen. De minister is van mening dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent is. Initieel advies van 17 december 2024 6.2. Uit het advies van de CBGV van 17 december 2024 volgt dat de CBGV aan de hand van onder meer de door eiseres aangeleverde informatie met betrekking tot haar opleiding tot verloskundige getoetst heeft of zij met deze opleiding het eindniveau heeft bereikt op de eindtermen, competenties en vaardigheden die Nederlandse studenten bij het voltooien van de opleiding moeten hebben. Aan het eindniveau heeft de CBGV de vakbekwaamheid getoetst. Daarbij heeft de CBGV onder meer als achtergrondinformatie gebruik gemaakt van de conclusies van Nuffic. De CBGV heeft verder in de bijlage met bijgevoegde tabellen aangegeven of de huidige vakbekwaamheid op ten minste hetzelfde niveau ligt als in Nederland is vereist. 6.3. De commissie is daarbij eerst nagegaan of er in de gevolgde (beroeps-)opleiding sprake is van tekortkomingen. Vervolgens is nagegaan of deze tekortkomingen zijn weggewerkt door latere of andere opleidingen of (na) scholing, cursussen, beroeps- en/of praktijkervaring. De uitkomst van de door de CBGV verrichte toets is opgenomen in de beoordelingstabellen in de bijlage bij het advies. Nader advies van 24 februari 2025 6.4. De CBGV heeft met het aanvullend advies van 24 februari 2025 de zienswijze van eiseres in de beoordeling betrokken en de aanvullende documenten waaronder haar cijferlijst, modules en werkervaring inhoudelijk beoordeeld. Als aanvulling op de ingediende zienswijze heeft de commissie eiseres tijdens het zienswijzegesprek meerdere vragen gesteld. Nader advies van 15 september 2025 6.5. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft eiseres een aantal aanvullende documenten in de bezwaarfase overlegd. De CBGV op 17 juli 2025 een nader advies uitgebracht. In dit advies heeft de CBGV gesteld dat de inhoud van de aanvullende stukken geen aanleiding geven om het eerder uitgebrachte advies te herzien. Op 15 september 2025 heeft de CBGV dit nader advies uitgebreider toegelicht. De CBGV heeft toegelicht dat ten aanzien van de geconstateerde verschillen niet is gebleken dat eiseres hier een aanvullende training of anderszins bijscholing in heeft gevolgd. Tevens is de CBGV ingegaan op de werkervaring van eiseres en het feit dat de laatste werkervaring meer dan vijf jaar geleden is. Nader advies van 31 oktober 2025 6.6. Tot slot is door de CBGV op 31 oktober 2025 nog een nader advies gegeven naar aanleiding van een aantal aanvullende documenten die eiseres heeft overlegd als reactie op het nader advies van 15 september 2025. De CBGV heeft in haar beoordeling de overlegde documenten betrokken en uitgelegd dat hoewel er certificaten van onlinecursussen zijn overlegd, scholing in onder andere evidence-based medicine, preconceptiezorg en de (huidige) counseling voor prenatale screening ontbreekt. Tevens is CBGV ingegaan op de werkervaring van eiseres en is nader toegelicht waarom de werkervaring, niet tot een ander oordeel heeft geleid. 6.7. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de deskundigenadviezen zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. De door eiseres overlegde documenten zijn door de CBGV meegenomen in de beoordeling. Naar aanleiding van de overlegde documenten heeft de CBGV vijf adviezen uitgebracht, waarin telkens tot dezelfde conclusie gekomen wordt, te weten dat de vakbekwaamheid van eiseres niet gelijkwaardig is aan de vakbekwaamheid van in Nederland gediplomeerde verloskundigen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de CBGV de opleiding en ervaring van eiseres onvoldoende heeft meegewogen. Dat eiseres van mening is dat haar opleiding en ervaring van een ander niveau zijn dan waar de CBGV vanuit gaat, maakt de adviezen nog niet onzorgvuldig. Meewegen beroepservaring en praktijkervaring 7. Voorts acht eiseres het niet terecht dat haar beroepservaringen en praktijkerving niet is meegewogen. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat ten onrechte voorbij is gegaan aan haar werkervaring als verloskundige. Volgens het advies van de CBGV is er alleen prenatale en postnatale zorg geleverd. Dit klopt volgens eiseres niet. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij in Iran praktijkervaring heeft opgedaan. Eiseres heeft 2000 uur klinische stage gelopen in het ziekenhuis, waarbij zij meer dan 60 bevallingen zelfstandig heeft begeleid. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar de syllabus van haar opleiding. Eiseres stelt dat deze informatie ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling. De minister verwijst naar het advies van de CBGV. De CBGV stelt dat eiseres weliswaar stages heeft gevolgd, maar uit de overlegde stukken blijkt dat daarbij niet is gewerkt op het niveau dat vereist is tijdens de Nederlandse opleiding tot verloskundige. Daarom is de CBGV van oordeel dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen de gevolgde opleiding en de Nederlandse opleiding tot verloskundige. Deze verschillen zijn niet overbrugd omdat de overlegde stukken geen informatie bevatten waaruit blijkt dat voldaan is aan de strikte eisen waaraan de stages/beroepswerkzaamheden tijdens de opleiding tot verloskundige moeten voldoen. Ook met betrekking tot de supervisie bestaan er wezenlijke verschillen tussen de opleidingen, zo stelt de CBGV. 7.1. De minister verwijst verder naar het advies van de CBGV waaruit volgt dat de beroepservaring is opgesomd en meegewogen. Geoordeeld is echter dat deze te eenzijdig is geweest voor het beroep verloskundige. De beroepservaring compenseert niet het missen van bepaalde vaardigheden zoals up-to-date inzichten in counseling, zelfstandige risicoselectie en beleid bepalen. De minister wijst erop dat eiseres tussen 2018 en 2025 geen verloskundige zorg heeft geleverd. Voor zover de werkervaring al zou kunnen leiden tot enige compensatie van de geconstateerde verschillen, is dit niet mogelijk gezien het feit dat de laatste werkervaring meer dan vijf jaar geleden is. 7.2. Ten aanzien van de gehanteerde termijn van vijf jaar licht de minister toe dat wanneer het diploma ouder is dan vijf jaar en de beroepservaring in de vijf jaar voorafgaande aan het in behandeling nemen van de aanvraag minder is dan 2.080 uur of van een lager niveau is, dient vakbekwaamheid als niet gelijkwaardig te worden beoordeeld. Dit bevordert dat er zorg wordt verleend door zorgverleners die actief zijn in hun beroep. Ook een beroepsbeoefenaar met een Nederlandse diploma of diploma uit een EU-land van ouder dan vijf jaar, zal voor de eerste registratie in het BIG-register moeten aantonen dat hij voldoet aan de werkervarings- of scholingscriteria. Gelet hierop kan de minister volgen dat de CBGV alleen rekening houdt met werkervaring die niet ouder is dan vijf jaar. 7.3. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de beroeps- en praktijkervaring van eiseres wel bij de beoordeling is betrokken. Verder is het navolgbaar waarom met de beroepservaring van langer dan vijf jaar geleden geen rekening kan worden gehouden. Daarnaast is voldoende gemotiveerd op welke wijze de door eiseres opgedane praktijkervaring is meegewogen en waarom deze ervaring niet de geconstateerde tekortkomingen opheft. 7.4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister het advies van de CBGV, ook wat betrekt de inhoud daarvan, aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. 8. -Het evenredigheidsbeginsel- 8.1. Eiseres acht het tot slot onevenredig om van haar te verlangen een volledige opleiding te volgen. Het volledig volgen van een opleiding, terwijl zij een vierjarige universitaire opleiding heeft gedaan, en tien jaar relevante werkervaring heeft, kan volgens haar niet van haar worden verlangd. 8.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De belangen die de Wet BIG beoogt te beschermen (patiëntveiligheid en kwaliteit van zorg) zijn groot en die heeft de minister, mede gelet op de geconstateerde verschillen tussen de vakbekwaamheid van eiseres en het eindniveau van de Nederlandse opleiding, zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres om zonder aanvullende opleiding of met een aanzienlijk kortere aanvullende opleiding in Nederland als verloskundige te kunnen werken. Conclusie en gevolgen 9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de minister mocht uitgaan van het advies van de CBGV en het verzoek van eiseres tot het verlenen van een verklaring van vakbekwaamheid voor het beroep van verloskundige heeft mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond en het bestreden besluit kan in stand blijven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Faqiri, griffier, op 10 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: relevante wet- en regelgeving Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) Artikel 3 lid 1 Er worden registers ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als: arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige, physician assistant, orthopedagoog-generalist, klinisch technoloog. Artikel 30 Om in het desbetreffende register als verloskundige te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. Artikel 31 Tot het gebied van deskundigheid van de verloskundige wordt gerekend het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het gebied van de verloskunst alsmede het verrichten van bij de maatregel te omschrijven andere handelingen, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de maatregel te stellen. Bij of krachtens de maatregel kunnen geneesmiddelen of medische hulpmiddelen worden aangewezen waarvan het voorschrijven, toedienen onderscheidenlijk toepassen tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige behoort en kan apparatuur worden aangewezen waarvan het gebruik tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige behoort. Artikel 41 1 In afwijking van het in artikel 6, onder a, bepaalde wordt aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd: a. indien hij in het buitenland een door Onze Minister aangewezen getuigschrift heeft verkregen dat als zodanig door Onze Minister is erkend en dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde eisen mag worden afgeleid; b. indien Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan; c. indien hij ten aanzien van het betrokken beroep in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties ofwel aan hem gedeeltelijke toegang is verleend tot het betrokken beroep als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied van de verloskundige 2008 Artikel 5 1. Tot het gebied van deskundigheid van de verloskundige wordt gerekend het verrichten van handelingen op het gebied van de verloskunst en andere handelingen, gericht op een optimale uitkomst van de zwangerschap, het bevorderen en bewaken van het natuurlijke verloop van de zwangerschap, de bevalling en het kraambed, alsmede op het voorkomen van afwijkingen bij de vrouw of het kind, door het inschatten van het verloskundige risico bij een vrouw gedurende haar zwangerschap, bevalling en kraambed, het vertalen van het verloskundige risico in verloskundig beleid en het op basis daarvan verlenen van raad en bijstand, alsmede het daar waar nodig consulteren van dan wel verwijzen naar een arts. 2. Tot de handelingen op het gebied van de verloskunst, bedoeld in het eerste lid, behoren het: a. medisch begeleiden van de zwangerschap en de bevalling, van de geboorte van de placenta, van de eerste ontwikkelingen van het kind en van het herstel van de vrouw gedurende het kraambed; b. verrichten van vaginaal onderzoek zonder apparatuur dan wel met behulp van bij regeling van Onze Minister aangewezen apparatuur; c. opheffen van liggingsafwijkingen door uitwendige handgrepen; d. verrichten van amniotomie tijdens de bevalling. 3. Tot de andere handelingen, bedoeld in het eerste lid, behoren het: a. psychologisch begeleiden van de vrouw gedurende haar zwangerschap, bevalling en kraambed; b. aan de vrouw of het kind voorschrijven dan wel voorschrijven en toedienen van bij regeling van Onze Minister aangewezen geneesmiddelen of medische hulpmiddelen; c. verrichten van episiotomieën of het hechten van laesie van perineum of labium, al dan niet gepaard gaande met het toepassen van lokale anesthesie door bij regeling van Onze Minister aangewezen middelen; d. ten behoeve van onderzoek bij de vrouw afnemen van bloed al dan niet door middel van een punctie; e. ten behoeve van onderzoek bij de vrouw afnemen van materiaal van de cervix en vagina ten behoeve van een cytologisch preparaat of kweek; f. ten behoeve van onderzoek bij het kind afnemen van bloed door middel van een punctie in de hiel; g. bij de vrouw afnemen van urine door middel van catheterisatie; h. verrichten of laten verrichten van laboratoriumonderzoek; i. adviseren van de vrouw over haar levenswijze gedurende de zwangerschap; j. geven van voedingsadviezen aan de vrouw of ten behoeve van het kind, waaronder het adviseren over borstvoeding; k. geven van voorlichting aan en counselen van de vrouw en, in voorkomende gevallen, haar partner over de mogelijkheden tot prenatale en neonatale screening alsmede prenatale diagnostiek; l. stellen van de indicatie voor prenatale diagnostiek; m. adviseren van de vrouw en, in voorkomende gevallen, haar partner met betrekking tot anticonceptie en gezinsplanning; n. reanimeren van de pasgeborene; o. optreden bij acute shock of fluxus postpartum, waaronder wordt begrepen het intraveneus inbrengen van een infuus en het door middel van een infuus dan wel door middel van een intraveneuze injectie toedienen van bij regeling van Onze Minister aangewezen geneesmiddelen. Besluit buitenlands gediplomeerden volksgezondheid Artikel 3 1. De commissie heeft tot taak Onze Minister met betrekking tot een in het buitenland genoten opleiding tot een in artikel 3 van de wet genoemd beroep of een krachtens artikel 34 van de wet aangewezen beroep van advies te dienen over de vraag: a. welke buiten het EER-gebied behaalde getuigschriften in aanmerking komen voor aanwijzing krachtens artikel 41, eerste lid, onder a, dan wel 45, eerste lid, onder a, van de wet; b. of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de wet behoort te worden afgegeven; c. of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een verklaring als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder b, van de wet behoort te worden afgegeven; d. of aan de onder b bedoelde verklaring beperkingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de wet moeten worden verbonden; e. of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de wet. 2 De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister van advies te dienen over de vraag of werkervaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de wet, welke is opgedaan buiten het EER-gebied en buiten Zwitserland, kan meetellen bij het vaststellen van het aantal uren waarbinnen de werkzaamheden zijn verricht op het terrein van het desbetreffende beroep binnen de individuele gezondheidszorg. 3 Op verzoek van Onze Minister adviseert de commissie Onze Minister over de vraag of de werkervaring die een fysiotherapeut, een gezondheidszorgpsycholoog, een psychotherapeut, een physician assistant, een orthopedagoog-generalist of een klinisch technoloog heeft opgedaan buiten Nederland, doch binnen het EER-gebied of in Zwitserland, kan meetellen bij het vaststellen van het aantal uren waarbinnen de werkzaamheden zijn verricht op het terrein van de fysiotherapie, de gezondheidszorgpsychologie, de psychotherapie, de physician assistant, de orthopedagoog-generalist onderscheidenlijk het terrein van de klinisch technoloog. Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:9 Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Artikel 3 aanhef en onder b, van het Besluit buitenlandse gediplomeerden volksgezondheid en bijvoorbeeld, ECLI:NL: RVS: 2019:3299, r.o. 13.3 ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL: RVS:2019:3299, r.o. 13.6. en ECLI:NL: RVS: 2019:420 Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) Artikel. 2 jo. artikel. 3, eerste lid, Besluit periodieke registratie Wet BIG.