Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-14
ECLI:NL:RBZWB:2026:7725
Voorlopige voorziening; omgevingsvergunning uitbreiding hoofdgebouw. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/3870 VV uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. J.H.D. Elings), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] , beide uit [woonplaats] (vergunninghouders) (gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor het vergroten van hun woning. Verzoekster is het niet eens met de verlening van deze vergunning. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Op 18 mei 2026 hebben vergunninghouders een aanvraag ingediend voor het uitbreiden van hun woning aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: het perceel). 2.1. Met het bestreden besluit van 8 juni 2026 (primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De vergunning is verleend voor de activiteiten: bouwactiviteit (technisch) omgevingsplanactiviteit 2.2. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Gedurende de bezwaarschriftenprocedure heeft ze de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Verzoekster en vergunninghouders hebben schriftelijk gereageerd. 2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergunninghouders en hun gemachtigde. Beoordeling door de voorzieningenrechter Feiten en omstandigheden 3. Vergunninghouders zijn eigenaar van het perceel. Verzoekster woont op de [adres 2] in [woonplaats] . 3.1. Het college heeft eerder, op 7 oktober 2025, twee omgevingsvergunningen verleend voor een grotere uitbreiding van de woning op het perceel. Destijds is een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit en een technische bouwactiviteit. Verzoekster heeft tegen deze vergunningen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. 3.2. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft dat verzoek op 11 mei 2026 behandeld. Ter zitting heeft verzoekster het beroep gericht tegen de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit gegrond verklaard en die vergunning voor herroepen. 3.3. Vergunninghouders hebben daarna op 18 mei 2026 een aanvraag gedaan voor het uitbreiden van het hoofdgebouw op het perceel. Deze aanvraag is gericht op de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en een technische bouwactiviteit. Met het bestreden besluit van 8 juni 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunningen verleend. Spoedeisend belang 4. De eerste vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of er sprake is van een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft namelijk alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder andere sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen waardoor de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. 4.1. Verzoekster heeft aangegeven dat het spoedeisende belang erin is gelegen dat vergunninghouders de bouwwerkzaamheden na de bouwvak willen hervatten. Vergunninghouders hebben aangegeven niet bereid te zijn om met de (verdere) bouwwerkzaamheden te wachten tot de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende reden om uit te gaan van een spoedeisend belang bij het verzoek. Toetsingskader 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag is gedaan op 18 mei 2026. Dat betekent dat in dit geval de Omgevingswet van toepassing is. 5.1. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het geheel grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 onder meer het bestemmingsplan “Oude Stad Zuidwest 2016” (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Volgens dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Wonen”. 5.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Inhoudelijke beoordeling 6. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Dit kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Kwalificatie bouwplan 7. Voor een bouwwerk zoals wordt beoogd met het bouwplan, gelden op basis van het bestemmingsplan bouwregels. Tussen partijen is in geschil welke regels van toepassing zijn op het bouwplan. Verzoekster stelt dat met het in geschil zijnde bouwplan een aan- of uitbouw wordt gerealiseerd. Volgens verzoekster had het college de aanvraag daarom moeten toetsen aan de bouwregels van artikel 16.2.4 van het bestemmingsplan. Het college meent dat het bouwplan moet worden gekwalificeerd als een uitbreiding van het hoofdgebouw, waardoor de regels van artikel 16.2.2 van het bestemmingsplan van toepassing zijn. 7.1. Voor de vraag of sprake is van het uitbreiden van een hoofdgebouw dan wel van een aan- of uitbouw, moet worden gekeken naar de in het bestemmingsplan opgenomen begripsomschrijvingen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moeten de regels van een geldend bestemmingsplan, omwille van de rechtszekerheid, letterlijk worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel moet worden uitgegaan. 7.2. Het begrip ‘bouwen’ zoals bedoeld in artikel 16.2.2 van het bestemmingsplan omvat onder andere het vergroten van een bouwwerk. Tussen partijen is niet in geschil dat de bestaande woning van vergunninghouders een bouwwerk is dat kan worden aangemerkt als hoofdgebouw. Niet in geschil is dat binnen het volledige bouwvlak een hoofdgebouw mag worden opgericht. 7.3. Het bestemmingsplan definieert een aanbouw als: ‘een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw’. Het bestemmingsplan definieert een uitbouw als: ‘een gebouw, dat als vergroting van een bestaande ruimte is/wordt gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw’. 7.4. Op grond van artikel 16.2.4 van het bestemmingsplan zijn op het bouwen van een aanbouw of een uitbouw dezelfde bouwregels van toepassing. De vraag of met het bouwplan een aanbouw of een uitbouw wordt gerealiseerd, is daarom op zichzelf genomen niet van doorslaggevend belang. De voorzieningenrechter acht daarom met name van belang of het gebouw al dan niet door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt is. Hierin is namelijk het voor de kwalificatie van het bouwplan relevante onderscheid met het (uitbreiden van het) hoofdgebouw gelegen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het bouwplan worden gekwalificeerd als een uitbreiding van het hoofdgebouw. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de uitbreiding door de uiterlijke verschijningsvorm weliswaar kan worden onderscheiden van de bestaande woning, maar dat het nieuwe bouwdeel niet als architectonisch ondergeschikt is aan te merken. Voor dat oordeel acht de voorzieningenrechter van belang dat het volume van het nieuwe bouwdeel in vergelijking met de bestaande woning omvangrijk is en het nieuwe bouwdeel, net als de bestaande woning, twee verdiepingen bevat die geheel ten dienste staan aan de woonfunctie, waarbij in de situatie na de verbouwing een geheel nieuwe indeling van de bestaande woning samen met de vergroting is voorzien. Dat het bouwplan voorziet in het gebruik van andere hoogwaardige materialen en het feit dat het nieuwe bouwdeel een – beperkt – lagere nokhoogte heeft dan de bestaande woning, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Naar voorlopig oordeel kan het bouwplan daarom niet worden gekwalificeerd als aan- of uitbouw, zodat de beperkingen die voor die typen bebouwing gelden, niet van toepassing zijn. Overschrijding bouwvlak 8. Verzoekster stelt dat het vergunde bouwwerk in strijd is met artikel 16.2.2 van het bestemmingsplan, omdat het bouwvlak wordt overschreden. 8.1. Op grond van artikel 16.2.2, onder a, van het bestemmingsplan moeten hoofdgebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwvlak een diepte van 12 meter heeft. De voorzieningenrechter constateert op basis van de toelichting die partijen ter zitting hebben gegeven en de beschikbare foto’s dat de achtergevel van het in geschil zijnde bouwwerk precies binnen het bouwvlak is gepland maar dat de kapconstructie het bouwvlak met ongeveer 45 centimeter overschrijdt. Daarnaast is voorzien in een paneel over de gehele hoogte van het bouwwerk aan de oostelijke grens – de grens met het perceel van verzoekster – dat ook ongeveer 45 centimeter buiten het bouwvlak uitsteekt. 8.2. Het college stelt dat deze delen van het bouwplan moeten worden aangemerkt als ongeschikte delen van het bouwwerk in de zin van artikel 1.98 van het bestemmingsplan, waardoor het bouwplan niet in strijd is met artikel 16.2.2 van het bestemmingsplan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college dit ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt. In de beslissing op bezwaar kan het dat nader uitwerken. Omgevingsvergunning technische bouwactiviteit 9. Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat de verleende omgevingsvergunning voorziet in het realiseren van een uitbreiding van het hoofdgebouw op het perceel. Er is zowel een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit als voor de technische bouwactiviteit. 9.1. De voorzieningenrechter constateert dat het college bij de besluiten van 7 oktober 2025 eveneens een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit heeft verleend. De omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is, zoals het college in het verweerschrift terecht opmerkt, in rechte vast komen te staan, omdat het hiertegen ingestelde rechtsmiddel ter zitting op 11 mei 2026 is ingetrokken. 9.2. Bij de thans in geschil zijnde omgevingsvergunning is wederom een vergunning voor de technische bouwactiviteit verleend op basis van de bij de aanvraag ingediende bouwtekeningen. Met verzoekster stelt de voorzieningenrechter vast dat deze bouwtekeningen gelijk zijn aan die bij het oorspronkelijke bouwplan. Het nu voorziene bouwplan wijkt echter op onderdelen af van deze bouwtekeningen. Anders dan in het oorspronkelijke bouwplan, bevat het nu vergunde bouwplan niet langer ook een aanbouw aan de achtergevel van de uitbreiding van het hoofdgebouw. Dat betekent op zijn minst dat op de plaats waar die aanbouw in het oorspronkelijke bouwplan zou aansluiten op de uitbreiding van het hoofdgebouw een buitengevel zal (moeten) worden gerealiseerd, zoals ook blijkt uit de tekeningen die behoren bij de aangevraagde omgevingsplanactiviteit. In hoeverre vergunninghouder kan volstaan met het gebruikmaken van de niet langer betwiste vergunning voor de technische bouwactiviteit voor het oorspronkelijke plan, zoals verweerder in het verweerschrift veronderstelt, valt te betwisten. Nu echter de gronden in bezwaar zich niet zozeer richten tegen de technische bouwactiviteit op zichzelf en, naar verwachting voor het nieuwe stuk achtergevel zo nodig een aangepaste vergunning voor de technische bouwactiviteit kan worden gevraagd en verleend, ziet de voorzieningenrechter ook in dit gebrek geen aanleiding de vergunning te schorsen. Redelijke eisen van welstand 10. Verzoekster stelt dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. 10.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Omgevingscommissie in haar advies van 3 juni 2026 heeft geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de welstandscriteria van de Nota Omgevingskwaliteit Tilburg. Het college heeft zowel in het verweerschrift als ter zitting toegelicht dat moet worden uitgegaan van de Welstandsnota 2017 van de gemeente Tilburg (hierna: Welstandsnota), omdat het omgevingsplan van de gemeente naar deze Welstandsnota verwijst. 10.2. Het college stelt het bouwplan op grond van artikel 8.5 van de Welstandsnota is vrijgesteld van een welstandstoets en het daarom enkel hoeft te beoordelen op sprake is van een welstandsexces in de zin van artikel 14.3 van de Welstandsnota. Het college heeft toegelicht dat geen sprake is van een welstandsexces. 10.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek bevat, omdat uit het bestreden besluit niet voldoende duidelijk blijkt op basis van welke beleidsregels de welstandstoets is uitgevoerd. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om het bestreden besluit om deze reden te schorsen, omdat het college dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan herstellen. Belangenafweging 11. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog geen zodanige gebreken aan het bestreden besluit kleven dat de verleende omgevingsvergunning in bezwaar geen stand zou kunnen houden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang dat vergunninghouders hebben bij effectuering van de omgevingsvergunning groter is dan het belang van verzoekster bij schorsing van die omgevingsvergunning. Conclusie en gevolgen 12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning niet wordt geschorst. 12.1. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 14 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingswet Artikel 5.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit; b. (…) tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevel. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit; b. (…) voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Oude Stad Zuidwest 2016 Artikel 1.4 Aanbouw Een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Artikel 1.98 Ondergeschikte delen van een bouwwerk Bouwdelen die ondergeschikt zijn aan de hoofdmassa van het desbetreffende bouwwerk, zoals overstekende daken, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, trappen en trappenhuizen, liftkappen en lifthuizen, luchtbehandelings-/ventilatieinstallatie, bordessen, funderingen, goten, hijsinrichtingen, gevelreclames, gevelisolatie (al dan niet met bijbehorende ommanteling), draagconstructies en dergelijke. Hieronder worden in elk geval niet verstaan entrees, erkers en ondergrondse bouwwerken. Artikel 1.124 Uitbouw Een gebouw, dat als vergroting van een bestaande ruimte is/wordt gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Artikel 16.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene regels: hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ondergeschikte delen van het bouwwerk, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, het bouwwerk overschrijden; (…) Artikel 16.2.4 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en in het erf worden gebouwd, met dien verstande dat wanneer deze bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd, de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3m moet bedragen; aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan; (…) Welstandsnota 2017 Artikel 8.5 Welstandsvrije gebieden en categorieën De regelgeving geeft de mogelijkheid om gebieden of categorieën van bouwwerken aan te wijzen waarvoor vooraf geen redelijke eisen van welstand gelden en de welstandstoetsing dus achterwege kan blijven. Vanuit het uitgangspunt dat niet meer geregeld moet worden dan nodig is vanuit het publieke belang, geldt vanaf 1 januari 2012 in Tilburg: Het veranderen en vergroten van een bestaand gebouw aan de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde, welke geen gevel heeft gericht naar het openbaar gebied , aan de achterkant van het hoofdgebouw (tussen het verlengde van de bestaande zijgevels), tot ten hoogste het bestaande hoogste punt van het gebouw (waarbij de nok intact wordt gelaten), is welstandsvrij. Dit geldt niet voor gebouwen waarvan meerdere zijden zijn gericht op het openbaar toegankelijk gebied en evenmin voor beschermde monumenten. De bebouwing moet rechtstreeks passen binnen het bestemmingsplan. Op de grond staande aan- en uitbouwen en bijgebouwen van maximaal 5 meter hoog bij bestaande gebouwen ( niet zijnde beschermde monumenten), voor zover gelegen in het 'achtererfgebied' (conform bijlage II, Bor) en welke geen gevel hebben gericht naar en/of grenzend aan openbaar toegankelijk gebied, zijn welstandsvrij. De bebouwing moet rechtstreeks passen binnen het bestemmingsplan. Veranderingen van bouwwerken en gebouwen waarbij het uiterlijk ongewijzigd blijft zijn welstandsvrij. De in artikel 2 en 3 (bijlage II) van het "Besluit omgevingsrecht" genoemde bouwwerken, voor zover in, op, of aan een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in de gemeentelijke monumentenverordening zijn welstandsvrij (de activiteit ‘het wijzigen van een monument’ is en blijft van toepassing). De raad kan via een beeldkwaliteit- of bestemmingsplan welstandsvrije zones aanwijzen. Aangewezen gronden op bedrijventerreinen ( Kaart 1 Welstandsniveaus beheer & ontwikkeling ) zijn welstandsvrij. Deze regels zijn onafhankelijk van de niveauaanduiding en gelden dus overal. Uiteraard mag een bouwwerk niet in ernstige mate strijdig zijn met de redelijke eisen van welstand. De excessenregeling blijft van toepassing. Ad 1 en 2) Achterzijde hoofdgebouw, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde In de hoofduitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 4 is gesteld dat de uitwerking van het welstandsbeleid niet moet leiden tot overbodige regelzucht, maar meer vrijheid moet bieden waar dat kan. Tevens is gesteld dat het welstandsbeleid wordt toegespitst op de betekenis van bouwplannen voor het publieke belang en de openbare ruimte. Op grond daarvan wordt meer welstandsvrijheid geboden aan de achterzijde van gebouwen bij het veranderen en vergroten van het hoofdvolume. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat de toevoeging aan de achterzijde niet hoger mag zijn dan de bestaande bebouwing en dat tevens de nok (als daarvan sprake is) intact wordt gelaten (zie illustratie). Aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen zodra die zijn gelegen in het achtererfgebied (zie paragraaf 11.2) zijn eveneens welstandsvrij. Hieronder vallen dus ook de zij-erven zolang die niet naar het openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd. In de bepaling is een belangrijke koppeling met het bestemmingsplan gelegd. Zodra een bouwinitiatief afwijkt van het bestemmingsplan geldt de welstandstoets. (…) Artikel 14.3 Excessenregeling Het voorkomen van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand wordt ook wel repressief welstandstoezicht genoemd. De gemeente Tilburg hanteert bij het toepassen van de excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Het gaat hierbij dus om zaken waaraan het merendeel van de mensen zich ergert. Excessencriteria zijn relatieve criteria. Het is immers per definitie zo dat een exces een onvoorspelbare buitensporigheid betreft. In Tilburg wordt actief in dit kader opgetreden in het buitengebied. Voor de bestaande stad wordt gereageerd op basis van meldingen. Voor het repressieve welstandstoezicht gelden de volgende criteria. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een zogenaamd ‘Exces’ als: er sprake is van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied; een bouwwerk is samengesteld uit aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken (sloop)materialen; door toepassing van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en/of versieringen van de gevel, waaronder reclame, de samenhang in het straatbeeld wordt verstoord; bij een bouwwerk het onderhoud aan de gevel en de gevelelementen in relatie tot dat in de omgeving duidelijk zichtbaar wordt verwaarloosd; op een bouwwerk op de naar het openbaar toegankelijk gebied gerichte gevel(s) graffiti-uitingen zijn aangebracht. Rb. Zeeland-West-Brabant 11 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4331. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.66, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Zie bijvoorbeeld Afdeling 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2340 (r.o. 4.1). Artikel 1.27 van bestemmingsplan Oude Stad Zuidwest 2016. Artikel 1.33 en 1.70 van bestemmingsplan Oude Stad Zuidwest 2016. Artikel 1.4 van bestemmingsplan Oude Stad Zuidwest 2016. Artikel 1.124 van bestemmingsplan Oude Stad Zuidwest 2016.