Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:7670
en 25/2653. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt over het belastingjaar 2021. Het beroep met betrekking tot belastingjaar 2018 is ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/2652 en 25/2653 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (Spanje), belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de (afzonderlijke) uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 april 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2018 en 2021 opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en vergrijpboetes opgelegd (de vergrijpboetes). Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven: Jaar Zaaknummer Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Vergrijpboete 50% Belastingrente 2018 25/2652 € 22.590 € 36.799 € 4.599 € 1.648 2021 25/2653 € 22.078 € 11.645 € 1.566 € 257 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende bij uitspraken op bezwaar van 17 april 2025 deels gegrond verklaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen verminderd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van respectievelijk € 35.837 (2018) en € 9.486 (2021). Daarbij heeft de inspecteur de boetebeschikkingen verminderd tot € 4.479 (2018) en € 1.275 (2021). De belastingrentebeschikkingen zijn dienovereenkomstig verminderd. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, Ing. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen – zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar – terecht en niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd. 2.1. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt over het belastingjaar 2021. Zij zijn overeengekomen dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 moet worden vastgesteld op € 5.144. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd en de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 opgelegde vergrijpboete moet worden vernietigd. Ook zijn partijen overeengekomen dat de inspecteur het griffierecht van € 53 zal vergoeden en dat belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van zijn proceskosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht. 2.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen partijen hebben afgesproken en zal dienovereenkomstig beslissen en het beroep met betrekking tot het belastingjaar 2021 (zaaknummer 25/2653) gegrond verklaren. Gelet op het voorgaande behoeven de beroepsgronden die betrekking hebben op het belastingjaar 2021 geen behandeling meer. 2.3. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikking ongegrond is (zaaknummer 25/2652). Belanghebbende heeft recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende was in 2018 enig bestuurder van [u.a.] . (hierna: de [u.a.] ) en [b.v.] . (hierna: de BV). Belanghebbende was in het onderhavige jaar in loondienst bij de [u.a.] . 3.1. De [u.a.] betreft een holding en hield in 2018 alle aandelen in de BV. De activiteiten van de BV betroffen het repareren van schoenen en lederwaren en het vervaardigen van hand- en sluitwerk. De BV is gevestigd aan de [adres] en handelde onder de naam ‘ [naam] ’. 3.2. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 – voor zover hier van belang – de volgende inkomsten aangegeven: Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (de [u.a.] ) € 30.000 Inkomsten uit eigen woning - € 7.410 Voordeel uit aanmerkelijk belang nihil Verzamelinkomen € 22.590 De primitieve aanslag is conform de aangifte opgelegd. 3.3. De inspecteur heeft op 18 februari 2016 een klikbrief ontvangen van een gesteld ex-medewerker van [naam] . In de klikbrief staat (onder meer) het volgende: “Zaterdags moesten we de knoppen uit de kassa halen, om alles op reparatie aan te slaan. Reparatie is 6% en verkoop 21%. Dus dat klopt ook al niet. Zondags en maandags moesten we de kassa schoonslaan.” 3.4. Naar aanleiding van de klikbrief heeft bij de BV een boekenonderzoek plaatsgevonden. Daarbij is (onder meer) de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Het rapport dat naar aanleiding van het boekenonderzoek is opgesteld dateert van 23 oktober 2023. 3.5. Uit het controlerapport volgt dat de BV geen kasadministratie heeft bijgehouden. De kassa werd dagelijks afgesloten, waarbij een zogenoemde ‘Z1-afslag’ werd gegenereerd. Deze dagelijkse Z1-afslagen heeft belanghebbende niet overgelegd. Daarnaast werd de kassa ook wekelijks afgesloten, waarbij een zogenoemde ‘Z2-afslag’ werd gegenereerd. Op deze afslag werd de door de BV in de betreffende week behaalde omzet weergegeven. Na het uitvoeren van de Z2-afslag werd de omzetstand weer op nihil gesteld. 3.6. Belanghebbende heeft een aantal Z-2 afslagen overgelegd. Hieruit volgt (onder meer) een uitsplitsing van i) de behaalde omzet per PIN, ii) de contante omzet, en iii) de omzet op rekening. Daarnaast werd een onderscheid gemaakt tussen de omzet die is belast tegen het verlaagde tarief en de omzet die is belast tegen het algemene tarief. De zogenoemde ‘grandtotal teller’ kan niet op nihil worden gesteld en registreert de omzet cumulatief vanaf de datum van de eerste ingebruikname van de kassa. 3.7. Uit het controlerapport volgt verder – voor zover relevant – het volgende met betrekking tot de behaalde omzet: “3.1.3Balanspost omzetbelasting De schuld omzetbelasting aan het einde van het jaar wordt niet bepaald. De adviseur zegt niet door te krijgen hoe de aangiften, die door de heer [belanghebbende] worden ingediend, eruit zien (wat is omzet hoog, wat is omzet laag, wat is de voorbelasting). De omzetbelasting is feitelijk één grote doorlopende post die nooit is/wordt afgesloten. Het maken van jaarlijkse aansluitingsberekeningen, wettelijk verplicht, worden niet gemaakt. Eventuele verschillen met de ingediende aangiften dienen te worden gesuppleerd. Ook aan deze verplichting is niet voldaan. (…) 3.2.1 Diverse kosten Van een aantal kosten in 2017 en 2018 zijn de facturen opgevraagd. Een aantal van deze facturen kon niet worden overgelegd, terwijl andere facturen zien op privé uitgaven en dus geen kosten zijn voor de onderneming en ook de omzetbelasting niet kan worden geclaimd. In onderstand overzicht zijn deze facturen/ kosten opgenomen. (…) [overzicht] (…) Grandtotal (…) Als we deze wekelijkse grandtotals van elkaar aftrekken dan zien we duidelijk verschillen tussen de omzet volgens de Z-2 afslagen en de omzet grandtotal. Er blijkt meer bruto omzet te zijn geweest. Deze hogere bruto omzet bedraagt in (…) 2018 € 36.799,74 (zie bijlagen I en II). (…) “ 3.8. Bij brief van 31 oktober 2023 heeft de inspecteur aangekondigd voornemens te zijn de navorderingsaanslag en vergrijpboete over (onder meer) het jaar 2018 op te leggen. In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende: “Gedurende het onderzoek bij [b.v.] is naar voren gekomen dat er is gemanipuleerd met de Z-2 afslagen. Hierdoor is er te weinig omzet aangegeven in de administratie van [b.v.] . De verschillen zijn naar voren gekomen door de geboekte omzet van de Z-2 afslagen te vergelijken met de omzet van de grandtotal omzet zoals door de kassa is bijgehouden en ook tot uitdrukking komt op de Z-2 afslagen. Aangezien u verantwoordelijk was om op zaterdag de kassa af te slaan, de administratie voerde, de aangiften omzetbelasting doet, moet u er van op de hoogte zijn geweest dat er te weinig omzet in de administratie werd verantwoord. Vanuit uw functie als bestuurder van beide rechtspersonen kan het niet anders dan dat u op de hoogte bent geweest van de gevoerde werkwijze en daardoor (middellijk) [b.v.] heeft benadeeld en uzelf heeft bevoordeeld. (…) Door de wijze waarop belastingplichtige heeft gehandeld heeft hij willens en wetens gelden aan de [b.v.] onttrokken om zichzelf te bevoordelen. Immers de omzet is niet in de administratie van de [b.v.] terechtgekomen en dus ook niet in het eigen vermogen van [b.v.] . De verzwegen omzet is ten goede gekomen aan de enig bestuurder (de heer [belanghebbende] ). U deed immers de administratie, sloeg de kassa of op zaterdag en voerde de administratie. Gelet op uw positie als bestuurder moet U zich ervan bewust zijn geweest dat U gelden aan de BV onttrok. Door een deel van de omzet aan de BV te onttrekken en hiervan geen melding te maken in zijn aangifte inkomstenbelasting maakt de heer [belanghebbende] zich schuldig aan ( voorwaardelijke) opzet, waarbij een boete van 50% wordt opgelegd.” 3.9. Vervolgens heeft de inspecteur de navorderingsaanslag en vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Hierbij heeft de inspecteur een correctie toegepast voor het inkomen uit aanmerkelijk belang (onttrekkingen) van € 36.799 (zie 1.1). 3.10. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase aangegeven dat de zoon van een bevriende oud-schoenmaker (hierna: de werknemer) op therapeutische basis werkzaam was bij de BV. Eind 2018 bleek dat de werknemer geld uit de kas had gestolen en extra kasafslagen maakte. 3.11. De adviseur van belanghebbende heeft bij brief van 22 april 2024 gereageerd op het informatieverzoek van de inspecteur. In die brief staat – voor zover relevant – het volgende: “De heer [belanghebbende] dacht dat het ging om een incident in december 2018. Hij heeft eerste contact gezocht met [persoon] , die het volgende appte: “Goede dag , heb me vader gesproken. Ik ben wat dingen met mezelf aan het regelen. Ga voor drinken naar meeting en donderdag afspraak huisarts. Als ik weet hoeveel ik geleend had of hoe jij het ook ziet , het was kortom niet netjes dan wordt overgemaakt en ik kom persoonlijk excuses maken in aankomende tijd. Ja heb het zwaar voor nu.” Daarna met de vader van [persoon] . De vader heeft de schade terugbetaald, op de rekening van de bv: 500 euro op 27 december 2018 en 462 euro op 8 februari 2019. Omdat de heer [belanghebbende] niet wist dat er veel meer dan dit verdwenen was, heeft hij het hierbij gelaten. Bij het onderzoek kwam naar voren dat er veel meer verdwenen was.” 3.12. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft de inspecteur het inkomen uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2018 verminderd met € 962 wegens de kasdiefstal. Daarbij heeft hij de boetebeschikking verminderd tot € 4.479. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd. Motivering Omkering en verzwaring van de bewijslast 4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. 4.1. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. 4.2. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende in 2018 meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang 4.3. De inspecteur betoogt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard in verband met privé-uitgaven van ten minste € 16.330 (inclusief btw) die de BV ten behoeve van belanghebbende heeft gedaan (zie 3.7). Volgens de inspecteur hebben deze uitgaven geleid tot een bewuste vermogensverschuiving van de BV naar belanghebbende en is als gevolg daarvan een relatief en absoluut omvangrijk belastingbedrag (€ 2.961) niet geheven. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat voor een uitdeling van winst is vereist dat enig geldbedrag of andere waarde het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder is gaan behoren op grond van de tussen de vennootschap en de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen (het objectieve vereiste). Indien en voor zover een dergelijke onttrekking kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen (objectieve vereiste), en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling (het subjectieve vereiste). 4.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich een bewuste vermogensverschuiving van de BV naar belanghebbende voorgedaan, waarbij belanghebbende is bevoordeeld en de BV is verarmd. De rechtbank overweegt daartoe dat belanghebbende niet heeft bestreden dat de BV aanzienlijke privé-uitgaven ten behoeve van hem heeft gedaan. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich van voornoemde vermogensverschuiving bewust is geweest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende enig bestuurder en enig (indirect) aandeelhouder van de BV is en dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de administratie – die door belanghebbende wordt verzorgd – van de BV ernstige gebreken vertoont. Zo ontbreekt de kasadministratie en zijn verschillende significante betalingen niet in de administratie verantwoord. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de door de BV betaalde privé-uitgaven aan belanghebbende ten goede zijn gekomen. Nu belanghebbende deze vermogensverschuiving niet als inkomen uit aanmerkelijk belang in zijn aangifte heeft verantwoord, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Redelijke schatting 4.6. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van inkomsten. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak om de schatting zodanig te onderbouwen met feitelijke stellingen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Als de inspecteur daarin slaagt dan ligt het op de weg van belanghebbende, als hij de schatting betwist, om daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren. De rechtbank zal hierna beoordelen of de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 36.799 op een redelijke schatting berust. 4.7. Naar het oordeel van de rechtbank berust de navorderingsaanslag op een redelijke en niet willekeurige schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De inspecteur heeft de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang gebaseerd op de door belanghebbende overgelegde Z2-afslagen van de BV. Uit deze afslagen volgt dat een bedrag van € 55.797 aan contante omzet is gerealiseerd en dat het verschil tussen de afslagen en de grand total € 36.799 bedraagt. De inspecteur heeft zijn schatting daarmee gebaseerd op concrete gegevens uit de – gebrekkige – administratie van de BV. De rechtbank acht de schatting daarmee redelijk en niet willekeurig. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat belanghebbende enig (indirect) aandeelhouder en bestuurder van de BV is. Gelet daarop en de omvang van de niet in de administratie verantwoorde omzet, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zich hiervan bewust moet zijn geweest. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat deze niet-verantwoorde omzet aan belanghebbende ten goede is gekomen. 4.8. De stelling van belanghebbende dat een deel van de contante uitgaven aanvankelijk onjuist in de administratie van de BV is verwerkt en inmiddels is gecorrigeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Evenmin heeft belanghebbende doen blijken dat meer dan € 962 – het bedrag waarmee de inspecteur bij zijn schatting reeds rekening heeft gehouden – uit de kas is gestolen (zie 3.12) door een werknemer. Belanghebbende heeft deze stellingen niet met concrete stukken onderbouwd en heeft daarmee niet doen blijken dat het door de inspecteur geschatte inkomen uit aanmerkelijk belang onjuist is. Dit betekent dat de navorderingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Vergrijpboete 4.9. De inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 50% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig inkomstenbelasting is voldaan (zie 3.8). 4.10. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende te weinig inkomstenbelasting heeft voldaan. 4.11. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). 4.12. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft overtuigend aangetoond dat de BV zich voordelen heeft laten ontgaan ten behoeve van de persoonlijke behoeften van haar (indirecte) aandeelhouder. Belanghebbende in zijn hoedanigheid, van (indirect) aandeelhouder en bestuurder van de BV was zich naar het oordeel van de rechtbank hiervan bewust. Door desondanks de (verkapte) winstuitdeling niet in de aangifte IB/PVV 2018 in aanmerking te nemen, heeft belanghebbende een onvolledige aangifte gedaan en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het inkomen uit aanmerkelijk belang bij aanslag IB/PVV 2018 te laag zou worden vastgesteld. Daarom is sprake van (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende. De inspecteur heeft de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank acht een boete van € 4.479 in de gegeven omstandigheden passend en geboden. Undue delay 4.13. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank nog wel aanleiding om de boete behorend bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een overschrijving van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 31 oktober 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die de boete is aangekondigd aan belanghebbende. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) twee jaar en tien maanden verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met tien maanden. De boete wordt daarom verder gematigd met 10% tot € 4.031. 4.14. Nu partijen bij wijze van compromis zijn overeengekomen dat de vergrijpboete behorend bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 moet worden vernietigd (zie 2.1), kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boete. Aangezien die boete – zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar (zie 1.2) – meer dan € 1.000 bedraagt, zal de rechtbank hiervoor compensatie voor de verdragsschending verlenen in vorm van een vergoeding van immateriële schade. De schadevergoeding bedraagt € 1.000 voor de boete over het jaar 2021, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 30 november 2023 (9 maanden overschrijding). Tussen de aankondiging van de boete en de uitspraak op bezwaar is afgerond 11 maanden verstreken. Dit brengt mee dat het gehele bedrag voor rekening komt van de inspecteur. Belastingrente 4.15. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep voor het jaar 2021 (zaaknummer 25/2653) is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vergrijpboete en vermindert de op dat jaar betrekking hebbende navorderingsaanslag en bijbehorende belastingrentebeschikking. Het beroep voor het jaar 2018 (zaaknummer 25/2652) is ongegrond. Dat betekent dat die navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking in stand blijven. De boetebeschikking behorend bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 wordt in verband met undue delay verminderd tot € 4.031. 5.1. Omdat het beroep voor het jaar 2021 gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten die hij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt op basis van het Besluit vastgesteld. Bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken van belanghebbende samenhangen. De zaken zijn immers nagenoeg gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van deze zaken betrekking hadden op dezelfde materie en casuïstiek. 5.2. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van 2 punten (bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting), met een waarde van € 666 per punt. Ook heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. Naar het oordeel van de rechtbank is een wegingsfactor van 1 in deze zaak juist. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.