Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:7664
Bpm. Taxatiemethode kan niet worden toegepast, omdat de auto één dag na de keuring door de RDW is geschouwd. De handelsinkoopwaarde kan worden vastgesteld aan de hand de koerslijstmethode. Het beroep is gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11451 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.621 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur € 31 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een inkoopfactuur te overleggen. 1.5. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht, maar tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende heeft op 3 oktober 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi RS 4 Avant 2.9 TFSI RS 4 Quattro met [VIN-nummer] (de auto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.230. 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport van 29 september 2022 bij de aangifte gevoegd. 3.2. De auto is op 28 september 2022 door de RDW gekeurd. 3.3. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de schouw door de taxateur heeft plaatsgevonden na de goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de bij de aangifte gevoegde koerslijst van X-Ray berekend op € 7.851 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1). Motivering Vooraf: inkoopfactuur ingediend na sluiting onderzoek 4. Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek alsnog een inkoopfactuur ingediend. De rechtbank ziet in dit stuk geen aanleiding om het onderzoek ter heropenen en laat het buiten beschouwing. Op grond van het procesreglement wordt de inkoopfactuur wel toegevoegd aan het procesdossier. Herleidingsmethode 5. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. Taxatiemethode 5.1. Tussen partijen staat vast dat de auto op 28 september 2022 door de RDW is gekeurd en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 29 september 2022 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de fysieke schouw van de auto één dag na de keuring bij de RDW (het afschrijvingsmoment) heeft plaatsgevonden. 5.2. Belanghebbende stelt dat artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm niet zo kan worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto één dag na de keuring door de RDW is geschouwd. Volgens belanghebbende komt de andersluidende opvatting van de inspecteur in strijd met de doelstelling van de wetgever, en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel. 5.3. De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld: “Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.” 5.4. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld na het afschrijvingsmoment. Die lezing druist naar het oordeel van de rechtbank ook niet in tegen enig rechtsbeginsel. 5.5. Daarnaast heeft belanghebbende niet (tijdig) een inkoopfactuur overgelegd. Ook daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet. Koerslijstmethode Historische nieuwprijs 5.6. Voor dat geval voert belanghebbende aan dat de verschuldigde Bpm dient te worden bepaald aan de hand van de koerslijstmethode. In dat kader voert belanghebbende aan dat de historische nieuwprijs van de auto – gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 – moet worden vastgesteld op € 164.253. 5.7. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de historische bruto Bpm aan de hand van de CO2-uitstoot van de auto zelf. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische bruto Bpm, uitgaande van een CO2-uitstoot van 208 gr/km NEDC, € 33.669 bedraagt. 5.8. Evenmin is in geschil dat de netto catalogusprijs van de referentieauto uit de koerslijst van X-Ray € 107.921 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de bepaling van de historische nieuwprijs niet van deze netto catalogusprijs uit te gaan. Vermeerderd met btw en een historische bruto Bpm van € 33.669, stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op € 164.253. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. Handelsinkoopwaarde 5.9. Voor de handelsinkoopwaarde dient volgens belanghebbende aangesloten te worden bij de handelswaarde van € 44.848 die volgt uit de koerslijst van X-Ray die bij het taxatierapport is gevoegd. 5.10. De inspecteur heeft ter zitting betwist dat de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst van X-Ray tot uitgangspunt moet worden genomen. Daartoe voert de inspecteur (onder meer) aan dat de koerslijst van X-Ray integraal onderdeel uitmaakt van het door belanghebbende overgelegde taxatierapport. Nu het taxatierapport volgens de inspecteur niet deugdelijk is, kan aan de daarbij gevoegde koerslijst ook geen waarde worden ontleend. Daarnaast stelt de inspecteur dat de auto met een NEDC CO2-uitstoot niet voorkomt in de gebruikte koerslijst. Volgens de inspecteur is de handelsinkoopwaarde daarom niet bruikbaar. Tot slot brengt een hogere historische nieuwprijs mee dat tevens van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. 5.11. De rechtbank overweegt dat een belastingplichtige de waardedaling van een gebruikt motorrijtuig (onder meer) aannemelijk kan maken met een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de enkele omstandigheid dat het taxatierapport – volgens de inspecteur – niet deugdelijk is, niet mee dat de daarbij gevoegde koerslijst niet meer kan worden toegepast. (De hoogte van) de inkoopfactuur of het ontbreken daarvan is naar het oordeel van de rechtbank evenmin relevant voor toepassing van de koerslijstmethode. 5.12. De rechtbank volgt de inspecteur evenmin in zijn standpunt dat de koerslijst buiten beschouwing moet blijven wegens de toepassing van een andere meetmethode dan wel door het verschil in CO2-uitstoot. Daartoe overweegt de rechtbank dat een andere meetmethode van de CO2-uitstoot de uitvoering van de auto niet verandert. Voor de consument blijft het dezelfde uitvoering ongeacht de gebruikte meetmethode van de CO2-uitstoot. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur deze koerslijst ook als uitgangspunt heeft genomen, dat de relevante voertuigkenmerken in de koerslijst zijn verwerkt en niet is gebleken dat sprake is van bijzondere kenmerken of eigenschappen die een afwijking van de koerslijst rechtvaardigen. 5.13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de handelsinkoopwaarde kan worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst van X-Ray, en wijzigt in dit geval het afschrijvingspercentage van de auto. Hoogte naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking 5.14. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 164.253, een handelsinkoopwaarde van € 44.848 en een bruto Bpm van € 28.042, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 7.656. Omdat belanghebbende op aangifte reeds een bedrag van € 3.230 heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 4.426. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd. Immateriële schadevergoeding 5.15. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 5.16. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 16 juni 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. 5.17. Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.426. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. 6.2. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.426 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500; veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Zie artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbank, Staatscourant 2025, 20750. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm in samenhang met Bijlage I van de Uitvoeringsregeling Bpm en Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.