Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:7659
Terugvordering van het kindgebonden budget over 2023. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3260 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres en Dienst Toeslagen, de Dienst. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 22 mei 2025 (bestreden besluit) waarin de Dienst de terugvordering van het kindgebonden budget over 2023 heeft gehandhaafd. Eiseres is het niet eens met de terugvordering en heeft hiertegen een beroepschrift ingediend. De rechtbank beoordeelt de terugvordering (onder andere) aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd in het beroepschrift. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst het kindgebonden budget over 2023 mocht terugvorderen . Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 10 januari 2025 heeft de Dienst het primaire besluit genomen waarin is vastgesteld dat eiseres geen recht geeft op kindgebonden budget 2023, waardoor een terugvordering is ontstaan. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 heeft de Dienst het bezwaar ongegrond verklaard en de terugvordering in stand gelaten. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [toeslagpartner] (de toeslagpartner van eiseres) en namens de Dienst: [persoon 1] en [persoon 2]. 2.3. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Op 6 september 2014 heeft de Dienst aan eiseres medegedeeld dat een bedrag van € 79.816 als bijzonder vermogen buiten beschouwing wordt gelaten bij de berekening van de toeslagen voor 2013 en opvolgende berekeningsjaren. Op 24 november 2021 heeft de Dienst aan eiseres medegedeeld dat een aanvullend bedrag van € 30.000 als bijzonder vermogen buiten beschouwing wordt gelaten. In totaal wordt voor de berekening van toeslagen vanaf 2022 een bijzonder vermogen van € 109.816 gehanteerd. 3.1. Op 28 december 2022 heeft de Dienst aan eiseres een voorschot kindgebonden budget 2023 verleend van € 1.557 op basis van een geschat vermogen van eiseres van € 191.700 waarbij een bedrag van € 189.632 is aangemerkt als bijzonder vermogen. Hierna heeft de Dienst het voorschot herzien. Het bedrag dat is aangemerkt als bijzonder vermogen is hierbij verlaagd naar € 109.816. De hoogte van het kindgebonden budget is niet gewijzigd. 3.2. Op 9 oktober 2024 heeft de Dienst van de inspecteur van de Belastingdienst vernomen dat in de voorlopige aanslag ten aanzien van eiseres, een rendementsgrondslag over 2023 is vastgesteld ter hoogte van € 267.527. Op 31 oktober 2024 heeft de Dienst van de inspecteur van de Belastingdienst vernomen dat in de voorlopige aanslag ten aanzien van de toeslagpartner van eiseres, een rendementsgrondslag over 2023 is vastgesteld ter hoogte van € 110.578. 3.3. Met het primaire besluit van 10 januari 2025 heeft de Dienst de definitieve berekening van het kindgebonden budget over 2023 vastgesteld op basis van een gezamenlijk vermogen van € 378.105. Hierbij heeft de Dienst een bedrag van € 109.816 aangemerkt als bijzonder vermogen. Omdat de Dienst tot de conclusie is gekomen dat eiseres geen recht heeft op kindgebonden budget in 2023, is een terugvordering ontstaan van € 1.589 (inclusief € 32,- aan rente). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bestreden besluit 4. De Dienst heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de terugvordering in stand gelaten. De Dienst concludeert namelijk dat eiseres geen recht heeft op kindgebonden budget 2023, omdat het gezamenlijk vermogen in dat jaar te hoog is volgens de definitieve berekening. Eiseres mocht met haar toeslagpartner in 2023 maximaal € 161.329 aan vermogen hebben om kindgebonden budget te krijgen. Het gezamenlijk vermogen nadat het bijzonder vermogen buiten beschouwing wordt gelaten, is € 268.289. Eiseres moet om deze reden het te veel ontvangen kindgebonden budget terugbetalen. De Dienst ziet verder geen mogelijkheid in de wet om het bedrag dat eiseres moet terugbetalen te verlagen. Het betoog dat het ontstaan van de terugvordering een gevolg is van een fout van de Dienst, maakt dit niet anders. De wetgever heeft immers voorzien dat terugvorderingen kunnen ontstaan bij foutieve schattingen. Voor terugvorderingen wordt bovendien een soepele betalingsregeling aangeboden. Toetsingskader 5. Artikel 1, eerste lid, onder b en tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkgb) definieert het kindgebonden budget als een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. Dat staat in het tweede lid. Dit betekent dat het kindgebonden budget een inkomensafhankelijke regeling is en valt onder het toepassingsgebied van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). 5.1. Als een ouder het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft én de gezamenlijke rendementsgrondslag (bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001) van de ouder en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 161.329, dan bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget. Dat bepaalt artikel 1, vierde lid, van de Wkgb zoals dat artikel gold in 2023. 5.2. Artikel 13b, eerste lid, van de Awir bepaalt dat bij het vaststellen van een beschikking de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling, de Dienst de rechtstreeks betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Het tweede lid bepaalt dat voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een beschikking als bedoeld in het eerste lid, niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen. 5.3. Artikel 26, eerste lid, van de Awir bepaalt dat de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd, als een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt. Het tweede lid bepaalt dat het terug te vorderen bedrag volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd wordt. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid. 5.4. In het Verzamelbesluit toeslagen zijn beleidsregels opgesteld voor het matigen van terugvorderingen. Van een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als: de belanghebbende te kwader trouw is; de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar; de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend; de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens; de belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen; de terugvordering het gevolg is van een wettelijke bepaling die in een later berekeningsjaar in het voordeel van belanghebbende is gewijzigd, zoals een gewijzigde inkomens- of vermogensgrens. Het uitgangspunt bij bovenstaande situaties is dat deze op zichzelf niet tot matiging van de terugvordering leiden. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden na een belangenafweging echter toch reden zijn de terugvordering te matigen. Daarbij geldt dat een combinatie van factoren – die ieder op zichzelf beschouwd geen onevenredige terugvordering opleveren – in samenhang wel kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een voor de belanghebbende onevenredige terugvordering die moet worden gematigd. Wat voert eiseres aan? 6. Eiseres vindt de terugvordering onterecht, omdat de Dienst fouten heeft gemaakt bij het vaststellen van het bijzonder vermogen. De Dienst heeft de wijzigingen van het bijzonder vermogen bovendien nooit kenbaar gemaakt aan eiseres, terwijl dat omgekeerd van haar wel wordt verwacht. Eiseres kon de terugvordering dus zelf nooit voorkomen. In het verlengde hiervan wijst eiseres erop dat de Dienst zelf had moeten weten dat het bijzonder vermogen onjuist was vastgesteld, op basis van de bij de Dienst bekende gegevens. In 2014 heeft de Dienst namelijk het eerste verzoek voor inbreng van bijzonder vermogen goedgekeurd en in 2020 de aanvulling. Voor eiseres is niet duidelijk wanneer de fout is ontstaan en wanneer deze is gecorrigeerd. Ten tweede heeft eiseres aangevoerd dat de Dienst ook is uitgegaan van een onjuist gezamenlijk vermogen, omdat bijna € 38.000 aan vermogen van haar in 2023 minderjarige dochter is meegerekend. Eiseres beschikt echter niet over dit geld en dus mag dit niet worden meegerekend. Ten slotte heeft haar toeslagpartner een WIA-uitkering en een lopende betalingsregeling. De toeslagpartner en eiseres zullen allebei in de problemen komen door de terugvordering. Eiseres verzoekt om hiermee rekening te houden. 6.1. De rechtbank stelt vast dat het betoog van eiseres uiteenvalt in twee rechtsvragen. Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de Dienst het kindgebonden budget 2023 op goede gronden op € 0 heeft vastgesteld. Als dat zo is, dan staat vast dat er een bevoegdheid tot terugvordering is ontstaan. In dat geval komt de rechtbank toe aan beantwoording van de tweede vraag, of de Dienst de terugvordering moest matigen vanwege bijzondere omstandigheden. Heeft de Dienst het kindgebonden budget 2023 op goede gronden op € 0 vastgesteld? 7. De rechtbank oordeelt dat de Dienst op goede gronden het kindgebonden budget 2023 heeft vastgesteld op € 0 omdat het gezamenlijke vermogen van eiseres te hoog is. Omdat eiseres een voorschot heeft ontvangen, heeft dit tot gevolg dat een terugvordering is ontstaan. 7.1. Op basis van de Awir wordt een voorschot verstrekt tijdens het kalenderjaar wanneer de kosten worden gemaakt en wordt na afloop van het berekeningsjaar de definitieve berekening gemaakt. Het voorschot wordt berekend op basis van gegevens die de aanvrager heeft verstrekt. Aan eiseres is op 28 december 2022 een voorschot kindgebonden budget 2023 verleend gebaseerd op een geschat vermogen van € 191.700. Hierna is op 22 april 2023 het voorschot herzien op grond van artikel 16, vijfde lid, van de Awir. Hierbij heeft de Dienst hetzelfde geschat vermogen gehanteerd, maar heeft de Dienst wel het bijzonder vermogen aangepast naar het juiste bedrag. De hoogte van het voorschot is hierdoor niet gewijzigd. In 2025 heeft de Dienst vervolgens de definitieve berekening gemaakt, op basis van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting. De Dienst is hierbij uitgegaan van een gezamenlijk vermogen over 2023 van € 378.105 in 2023. Wanneer dit vermogen wordt verminderd met het bijzonder vermogen, komt dat neer op een vermogen van € 268.289. In 2023 gold een vermogensgrens van € 161.329. De rechtbank concludeert dat uit de gegevens van de inspecteur van de Belastingdienst volgt dat het gezamenlijk vermogen ongeveer € 100.000 hoger was dan de vermogensgrens in 2023. Dat betekent dus dat eiseres geen recht heeft op kindgebonden budget op basis van het gezamenlijk vermogen in de voorlopige aanslag. De Dienst heeft deze gegevens terecht ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. 7.2. Het betoog van eiseres dat het gezamenlijk vermogen onjuist is omdat het vermogen van haar minderjarige dochter was meegerekend, leidt niet tot een ander oordeel. Het is namelijk vaste rechtspraak dat de Dienst de aanslag inkomstenbelasting volgt zoals vastgesteld door de inspecteur. De Dienst is er dan ook terecht vanuit gegaan dat de in artikel 1, vierde lid, van de Wkgb neergelegde vermogensgrens voor aanspraak op kindgebonden budget in 2023 is overschreden, aan de hand van het in de aanslagen opgenomen vermogens. Indien eiseres het niet eens is met het door de inspecteur vastgestelde vermogen, dan dient zij zich tot die inspecteur te wenden. Als het (eventuele) rechtsmiddel slaagt en het vermogen wordt gewijzigd, dan is de Dienst op grond van artikel 20, eerste lid van de Awir verplicht om de tegemoetkoming met inachtneming van die wijziging te herzien. Het betoog dat de Dienst een fout heeft gemaakt met het bijzonder vermogen, maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders dat eiseres in 2023 geen recht had op kindgebonden budget. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de Dienst bij het eerste voorschot voor 2023 een te hoog bijzonder vermogen heeft gehanteerd. Het ontstaan van de terugvordering is echter niet een gevolg van de fout met het bijzonder vermogen, maar de terugvordering is ontstaan omdat het geschat gezamenlijk vermogen ten tijde van het voorschot veel lager was dan het gezamenlijk vermogen in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Moest de Dienst de terugvordering matigen vanwege bijzonder omstandigheden? 8. De rechtbank oordeelt dat de Dienst in redelijkheid mocht besluiten om het gehele bedrag terug te vorderen. Volgens het Verzamelbesluit Toeslagen is de Dienst op grond van artikel 26 van de Awir in beginsel gehouden een te veel betaald bedrag terug te vorderen. In haar uitspraak van 23 oktober 2019 is de ABRvS teruggekomen van haar eerdere vaste rechtspraak en heeft zij overwogen dat artikel 26 van de Awir niet dwingend voorschrijft dat steeds het volledige bedrag moet worden teruggevorderd. De terugvorderingsbevoegdheid dient te worden uitgeoefend met inachtneming van de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, en het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Deze verplichting is nu uitdrukkelijk gecodificeerd in artikel 13b van de Awir, dat de mogelijkheid biedt om bij bijzondere omstandigheden van herziening of terugvordering af te zien, dan wel deze te matigen, waarbij rekening moet worden gehouden met de menselijke maat. 8.1. In het Verzamelbesluit Toeslagen zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen en is vermeld dat de financiële situatie of financiële problemen van belanghebbenden die terugbetaling van toeslagen verhinderen, in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een betalingsregeling. Als de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens, dan is de terugvordering in beginsel ook niet onevenredig. Zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft vastgesteld, is in het geval van eiseres de terugvordering ontstaan omdat bij het voorschot een te laag vermogen is gehanteerd, terwijl bij de definitieve berekening is gebleken dat de vermogensgrens is overschreden. Het uitgangspunt op basis van het beleid is dus dat de terugvordering in deze zaak niet onevenredig is. 8.2. De omstandigheid dat de Dienst een fout heeft gemaakt met het bijzonder vermogen kan niet leiden tot de conclusie dat terugvordering onevenredig zou zijn. In de eerste plaats omdat de terugvordering niet het gevolg is van deze fout. Ook als het bijzonder vermogen meteen correct was ingevoerd in 2022, dan had eiseres destijds een voorschot gekregen op basis van de destijds gehanteerde vermogen. De Dienst heeft immers toegelicht dat de fout met het bijzonder vermogen geen gevolgen heeft gehad voor het voorschot. In het eerste voorschot was het vermogen: € 267.527 - € 189.632 = € 77.895. Hierna heeft de Dienst de fout met het bijzonder vermogen hersteld in het tweede voorschot: 267.527 - 109.632 = € 157.895. Beide vermogens waren lager dan de vermogensgrens van € 161.329. Ook het betoog dat ten onrechte het vermogen van de dochter van eiseres is meegerekend, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid om af te zien van terugvordering van het gehele bedrag. Eiseres heeft het meerekenen van het vermogen van de dochter voor het eerst aangevoerd in het aanvullend beroepschrift. Tijdens de zitting heeft de Dienst toegelicht hiermee niet bekend te zijn geweest. Mede gelet op de vaste rechtspraak dat de Dienst de aanslag inkomstenbelasting volgt zoals vastgesteld door de belastinginspecteur, is niet gebleken dat de Dienst in dit geval rekening kon houden met het (eventuele) vermogen van de dochter (bijvoorbeeld door de terugvordering te matigen). Hierbij is ook van belang dat de vermogensgrens nog steeds ruimschoots zou zijn overschreden als een bedrag van € 38.000 buiten beschouwing zou worden gelaten. In dat geval zou de het vermogen zijn: 268.289 - 38.000 = € 238.289. De rechtbank zal in deze uitspraak verder in het midden laten of inderdaad sprake is van vermogen (van de dochter) dat ten onrechte is meegerekend. Eiseres is er verder niet in geslaagd om (andere) bijzondere omstandigheden aan te voeren waarom de terugvordering van het gehele bedrag onevenredig zou zijn. Zij wijst op het gegeven dat haar toeslagpartner een WIA-uitkering heeft en dat het vermogen (vooral) zit in stenen. Hieruit blijkt niet dat de financiële situatie van eiseres (met of zonder haar toeslagpartner) het onmogelijk zou maken om het teruggevorderde bedrag te kunnen voldoen en anders een betalingsregeling te treffen met de Dienst. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst het kindgebonden budget 2023 mocht terugvorderen. Eiseres krijgt geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier, op 13 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 1 Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen. In afwijking van het eerste lid is deze wet op inkomensafhankelijke regelingen die vóór 1 januari 2006 van kracht zijn, slechts van toepassing voor zover dit in de desbetreffende inkomensafhankelijke regeling is bepaald. Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht. Artikel 13b Bij het vaststellen van een beschikking op grond van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling weegt de Dienst Toeslagen de rechtstreeks betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een beschikking als bedoeld in het eerste lid mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen. Artikel 16, eerste lid De Dienst Toeslagen verleent de belanghebbende die een aanvraag voor een tegemoetkoming indient vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld binnen 13 weken na de ontvangst van de aanvraag. Artikel 26, eerste lid Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd. Artikel 47 Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen beleidsregels te geven om tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij de toepassing van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling mochten voordoen. Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, of bij de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget mochten voordoen. Het ontwerp van een krachtens het tweede lid vast te stellen ministeriële regeling wordt aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan twee weken na de overlegging van het ontwerp. Indien binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de ministeriële regeling bij wet wordt geregeld, wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de ministeriële regeling niet vastgesteld. Wet op het kindgebonden budget Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid en vierde lid In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder […] kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. […] In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 146.011 of, indien de ouder het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 184.633. Bij de bepaling van de rendementsgrondslag, bedoeld in de vorige zin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Wet op het kindgebonden budget (11-02-2023) Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, tweede en vierde lid In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder […] kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. […] In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 127.582 of, indien de ouder het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 161.329.