Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-14
ECLI:NL:RBZWB:2026:7604
NTB KOT RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/2273 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 17 februari 2025 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 17 februari 2025 en verweerder heeft deze op dezelfde datum ontvangen. Verweerder moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 17 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 18 februari 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op dezelfde datum ontvangen. Daarna zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. In het verweerschrift verzoekt verweerder primair om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025 en subsidiair om in navolging van de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2025 , de beslistermijn te bepalen op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag om compensatie voor de werkelijke schade is verstreken. 4.3. In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet op tijd nemen van een besluit op aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De Afdeling overweegt dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarbij is meegenomen dat de besluitvorming in deze aanvraagfase volledig is vastgelopen, terwijl de ingezette versnellingsmaatregelen in de huidige vorm op gespannen voet staan met doel en strekking van de Wht. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Onder de huidige omstandigheden is er volgens de Afdeling ook geen aanleiding om bij voorbaat uitzonderingen te formuleren met betrekking tot tijd die is gemoeid met alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd. 4.4. De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Verbindt de rechtbank aan deze uitspraak een dwangsom? 5. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere voorziening treffen. 5.1. In voornoemde uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak op een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag voor aanvullende compensatie wordt verbonden, op nihil moet worden gesteld. De Afdeling is ervan overtuigd dat het bij de huidige stand van zaken contraproductief werkt om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk rondom besluitvorming is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een financiële prikkel op te leggen. 5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak daarvan af te wijken en zal daarom de nadere dwangsom op nihil stellen. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 6. Eiser heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 6.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de bestuurlijke dwangsom juist heeft vastgesteld, op het maximale bedrag van € 1.442,-, in zijn dwangsombeschikking van 7 mei 2026. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de aan deze uitspraak te verbinden dwangsom wordt gesteld op nihil. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; - bepaalt dat de nadere dwangom die aan deze uitspraak wordt verbonden op nihil wordt gesteld; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden; Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 14 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. ECLI:NL:RVS:2025:1301. ECLI:NL:RBOVE:2025:4412. ECLI:NL:RVS:2026:3192. Artikel 8:55d, tweede en derde lid, van de Awb. Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.