Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:7521
naheffingsaanslag mrb en boete, geschorst kenteken. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/5421 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. I. Siljic), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 9 maart 2024 tot en met 8 maart 2025 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd, ten bedrage van € 1.568, alsmede bij gelijktijdige beschikking een boete opgelegd van € 784 (de boetebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur zijn verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boete terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De inspecteur heeft zich in de beroepsfase op het nadere standpunt gesteld dat de boete vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende moet worden verminderd tot 10% van de nageheven belasting, zijnde € 156. 3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. De boete wordt conform het nadere standpunt van de inspecteur verminderd tot € 156. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende staat van 5 juni 2023 tot en met 24 juli 2025 in het kentekenregister geregistreerd als houder van het motorrijtuig van het merk Mercedes-Benz, met het [kenteken] (de auto). 4.1. Belanghebbende heeft het motorrijtuig voor een reparatie naar een garagebedrijf gebracht (het garagebedrijf). Tot het procesdossier behoren twee verklaringen vanuit het garagebedrijf: Verklaring 1: “Er is met met de heer [belanghebbende] op 9 maart 2024 mondeling overeengekomen dat het voertuig met het [kenteken] , binnen onze eigen terrein van [bedrijf 1] , gelegen aan [adres] te [plaats] , zou blijven staan, totdat de heer [belanghebbende] de beschikbare liquide middelen zou hebben om de auto te doen repareren (..)” Verklaring 2: “ Hierbij verklaren wij dat het voertuig met [kenteken] benz eigendom is van een klant en destijds bij ons ter reparatie is aangeboden wegens ernstige motorische problemen en defecten aan de automatische transmie. Vanwege de omvang van de technische mankementen heeft het voertuig gedurende een periode van circa anderhalf jaar 09-03-2024/09-06-2025 stilgestaan. In deze periode is een omvangrijke reparatie uitgevoerd, met een kostenindiciatie tussen de € 3.000 en € 4.000. Gedurende deze periode stond het voertuig geparkeerd op het priveterrein van ons voormalige [bedrijf 2] . 4.2. Op 14 januari 2025 is door een controlemedewerker van de Douane geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg terwijl de geldigheid van het kentekenbewijs op dat moment geschorst was. Het motorrijtuig stond op het moment van de controle geparkeerd aan de openbare weg. 4.3. Naar aanleiding van die constatering heeft de inspecteur met dagtekening 29 juli 2025 de naheffingsaanslag en de boete opgelegd. Motivering 5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boete ten onrechte aan hem zijn opgelegd. Hij heeft het kenteken van de auto laten schorsen omdat de auto gerepareerd moest worden en belanghebbende niet direct het geld had om dit te betalen. In afwachting van de reparatie is de auto bij het garagebedrijf gestald. Met het garagebedrijf heeft belanghebbende mondeling de afspraak gemaakt dat de auto niet op de openbare weg mocht worden geplaatst. Belanghebbende beroept zich op grond van het voorgaande op afwezigheid van alle schuld (avas) en heeft daarbij verwezen naar arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015. 5.1. De naheffingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Vast staat dat de auto op 14 januari 2025 aan de openbare weg stond geparkeerd. Dat is een gebruik van de openbare weg als bedoeld in artikel 35, eerste lid van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb). Nu dat gebruik is geconstateerd tijdens een voor de auto geldende schorsing, is terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De gronden die belanghebbende heeft aangevoerd veranderen het voorgaande niet. Het belastbaar feit heeft zich voorgedaan en belanghebbende wordt dan als kentekenhouder belast. Voor de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag maakt het niet uit of de auto buiten het weten om van belanghebbende op de openbare weg is geparkeerd. 5.2. De boete is in overeenstemming met artikel 37 van de Wet in combinatie met artikel 67c van de AWR opgelegd. Het beboetbaar feit is begaan omdat met de auto van belanghebbende gebruik is gemaakt van de weg tijdens een schorsing. Opzet of schuld is niet vereist. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank is van afwezigheid van alle schuld in dit geval geen sprake. Anders dan bij het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt uit de door belanghebbende overgelegde verklaringen niet dat de garagehouder in dit geval op de hoogte was van de schorsing en de aan de schorsing van een kenteken verbonden consequenties. Van belanghebbende kan wel worden verwacht dat hij de garagehouder daarvan op de hoogte stelt zodat deze weet waarom het belangrijk is dat de auto op privéterrein blijft staan. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat de auto op de openbare weg werd geplaatst. 5.4. De boete zal worden verminderd tot € 156 conform het nadere standpunt van de inspecteur. De rechtbank ziet voor een verdere vermindering geen aanleiding en acht een boete van € 156 in de gegeven omstandigheden passend en geboden. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat de boete wordt vermindert tot € 156. Voor het overige is het beroep ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. Voor de bezwaarfase wordt geen vergoeding toegekend, omdat daar niet om is verzocht voor de datum van de uitspraak op bezwaar. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking; - vermindert de boete tot € 156; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.