Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:7519
Naheffingsaanslag mrb, buitenlands kenteken artikel 34, lid 3 wet Mrb RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/4683 en 26/2640 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 augustus 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. L.J. de Rijke), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 juli 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 14 september 2023 tot en met 13 september 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 1.606, alsmede bij gelijktijdige beschikking een boete opgelegd van € 803. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting verzonden voor over het tijdvak 14 september 2024 tot 14 december 2024 ten bedrage van € 406 (de rekening). 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur zijn verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt eerst of de rekening een voor bezwaar vatbaar besluit is. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de rekening geen voor bezwaar vatbaar besluit. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. 3.1. Bij een controle op 14 september 2024 constateert een controleur van de Belastingdienst dat belanghebbende met een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, voorzien van het buitenlands [kenteken] (hierna: de auto), gebruik maakt van de openbare weg in Nederland. De controleur maakt hiervan melding bij de inspecteur. 3.2. De eigenaresse van de auto woont in Duitsland. Zij is op verzoek van belanghebbende naar de locatie van de controle toegekomen. 3.3. Op het controleformulier staat vermeld: “Bestuurder verklaart de auto te hebben geleend van een zus van familielid. Omdat KMAR en Politie dit wilden verifiëren is de eigenaresse naar de controleplaats gekomen. Geen vrijstelling of vergunning aanwezig voor het rijden met een buitenlands kenteken tijdens controle.” 3.4. Er is voor de auto geen aangifte mrb gedaan en er is geen verzoek tot vrijstelling wegens kortdurend gebruik van de auto in Nederland ingediend. 3.5. In reactie op de vooraankondiging van de naheffingsaanslag heeft belanghebbende het volgende verklaart over het gebruik van de auto: “(..) Mijn eigen auto kon op dat moment niet rijden wegens bandenpech en ik heb toestemming gevraagd en gekregen om de auto te gebruiken om in Goes andere banden te laten monteren. Alvorens dit kon gebeuren was ik staande gehouden, en zelfs nadat de eigenaar van het bewuste voertuig terplaatse gekomen was, het kennelijk niet afdoende gebleken ten aanzien van de vooraankondiging. lk heb meermaals uitgelegd dat ik nog geen vijf kilometer had afgelegd met deze auto. (..)” 3.6. De rekening mrb is met dagtekening 25 december 2024 aan belanghebbende verzonden. 3.7. De naheffingsaanslag mrb is met dagtekening 27 december 2024 aan belanghebbende opgelegd. Beoordeling Rekening motorrijtuigenbelasting 4. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar geoordeeld dat de rekening mrb terecht is aangemaakt. Belanghebbende heeft tegen dat oordeel beroep ingesteld. 4.1. Op grond van artikel 26 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) staat slechts beroep bij de belastingrechter open indien sprake is van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. 4.2. De rekening betreft geen belastingaanslag en is ook niet op grond van een andere wettelijk bepaling aan te merken als een voor bezwaar vatbare beschikking. Tegen de betaling van de rekening, staat wel bezwaar en beroep open omdat de voldoening op aangifte gelijk wordt gesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking. Ter zitting heeft belanghebbende echter verklaard dat de rekening nog niet door hem is betaald. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Vernietiging van de uitspraak op bezwaar is echter slechts aangewezen indien de belangen van belanghebbende daarmee kunnen worden gediend. In dit geval valt niet in te zien hoe het corrigeren van de uitspraak op bezwaar op dit punt enig belang van belanghebbende kan dienen. 4.3. De rechtbank zal de rechtmatigheid van de rekening gelet op het voorgaande niet inhoudelijk behandelen en de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de rekening in stand laten. Voorwaardelijk getuigenaanbod 4.4. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift opgenomen dat hij indien en voor zover nodig de medewerkers van die bij de controle aanwezig waren en de eigenaresse van de auto wenst op te roepen als getuigen. Zij zouden kunnen bewijzen dat belanghebbende slechts op de dag van de controle de beschikking had over de auto. 4.5. De rechtbank overweegt met betrekking tot het getuigenaanbod als volgt. Belanghebbende kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb, zelf getuigen meebrengen naar de zitting. Hij is daar op gewezen in de brief met de uitnodiging voor de zitting. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. De rechtbank ziet bovendien geen aanleiding om de getuigen zelf op te roepen met toepassing van artikel 8:63, derde lid van de Awb. 8:42 stukken en onvolledigheid controleformulier 4.6. Belanghebbende heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er tijdens de controle meer foto’s zijn gemaakt dan degene die bij het verslag gevoegd zijn. Volgens belanghebbende zijn er onder meer nog foto’s van een kinderstoel in de auto en een foto van autobanden in de laadruimte van de auto. Deze foto’s onderbouwen het betoog van belanghebbende over het gebruik van de auto. 4.7. Daarnaast stelt belanghebbende dat het controleformulier onvolledig is omdat daarop de verklaring van de eigenaresse niet is opgenomen. De eigenaresse is naar de controle toegekomen en heeft daar verklaard dat de auto van haar is en dat belanghebbende deze slechts eenmalig heeft gebruikt. 4.8. Op grond van 8:42 Awb dient de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen aan de rechtbank, die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. 4.9. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de inspecteur niet alle stukken van het geding heeft overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur meer foto’s van de controle ter beschikking heeft gehad of dat de inspecteur beschikt over vastgelegde verklaringen die niet als gedingstukken zijn ingebracht. 4.10. Voor zover belanghebbende met zijn stellingen over de onvolledigheid van het controleformulier een beroep wenst te doen op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, slaagt dit naar het oordeel van de rechtbank niet. De controleambtenaar heeft op het formulier ingevuld dat de eigenaresse is gekomen (zie 3.2) en heeft kort de verklaring van belanghebbende genoteerd. Er rust in het kader van het uitvoeren van de controle door de medewerker geen wettelijke verplichting op hem om een vastlegging te maken van de verklaring van de eigenaresse. Naheffingsaanslag Mrb 5. De houder van een motorrijtuig is belastingplichtige voor de Wet mrb. Voor motorrijtuigen die in het buitenland zijn geregistreerd, geldt dat de houder degene is die het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. 5.1. De naheffingsaanslag mrb is op grond van artikel 34, tweede lid, berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt, de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Het derde lid van artikel 34 van de Wet mrb bepaalt ‘indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven. 5.2. Partijen hebben een verschillende opvatting van de zwaarte van de bewijslast als opgenomen in artikel 34, derde lid, van de Wet mrb. Belanghebbende stelt met een verwijzing naar het Hoge Raad arrest van 5 april 2019 dat belanghebbende kan volstaan met aannemelijk maken dat de auto hem een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Volgens de inspecteur rust op belanghebbende in dit geval een verzwaarde bewijslast en dient belanghebbende overtuigend aan te tonen dat het motorrijtuig hem een gedeelte van de twaalf maanden niet ter beschikking heeft gestaan. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 34, derde lid, van de Wet mrb dat op belanghebbende een verzwaarde bewijslast rust. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien “doen blijken” in de wettekst wordt gebruikt dit moet worden uitgelegd als “overtuigend aantonen”. De jurisprudentie waar belanghebbende naar heeft gewezen ziet op de naheffingsperiode berekend op grond van artikel 34, tweede lid, tweede volzin, in samenhang gelezen met artikel 7, derde lid en artikel 13, tweede lid, van de Wet mrb, op grond waarvan ook over een veel langere periode dan twaalf maanden kon worden nageheven. In artikel 13, tweede lid, van de Wet mrb is het vereiste tegenbewijs omschreven als ‘aantonen’ (en dus niet als ‘doen blijken’). Vanaf 1 januari 2024 is de verwijzing naar artikel 13, tweede lid, van de Wet mrb niet meer opgenomen in artikel 34, tweede lid, van de Wet mrb en is ook niet toegepast in deze zaak. Dit laatste geldt dan ook voor de jurisprudentie die op artikel 13, tweede lid, van de Wet mrb betrekking heeft. 5.4. De stelling van belanghebbende dat de verzwaarde bewijslast in strijd is met artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM, omdat er een dan situatie ontstaat die vergelijkbaar is met het toepassen van de Fierensmarge, slaagt niet. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 oktober 2010 geoordeeld dat de toepassing van de Fierensmarge de mogelijkheid tot betwisting van de WOZ-waarde beperkt en dat dit onverenigbaar is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. De vergelijking met de onderhavige situatie gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, omdat belanghebbende in dit geval wél de mogelijkheid heeft de naheffingsaanslag effectief te betwisten. Tegen de (hoogte van de) naheffingsaanslag kan namelijk bezwaar en beroep worden ingesteld. 5.5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd omdat hij slechts één dag – de dag van de controle – houder is geweest van de auto. Naast de door hem afgelegde verklaringen (zie 3.3. en 3.5) heeft belanghebbende ter onderbouwing het volgende overgelegd: betaalbewijzen van “kfz-steuer” in Duitsland voor de periode 3 januari 2024 tot en met 2 januari 2025, een betaalbewijs van een Duitse verzekering voor de periode 1 januari 2024 tot en met 1 januari 2025 en het kentekenbewijs deel twee van de auto. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat hij ten tijde van de constatering van het weggebruik met de auto, zelf ook een motorrijtuig op zijn naam had staan. Het is dan volgens hem niet aannemelijk dat de auto hem ter beschikking stond in periode waarover de naheffingsaanslag is opgelegd. Ter zitting heeft hij verder een toelichting gegeven op het gebruik van de auto op de dag van de controle. Belanghebbende heeft verklaard dat hij onderweg was om autobanden in de opslag te leggen toen hij aangehouden werd voor de controle. Zijn eigen auto had op dat moment pech. Destijds had hij een garagebedrijf samen met een vennoot. De auto was van een nicht van die vennoot. De nicht van de vennoot was bij de vennoot op familiebezoek. 5.6. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te doen blijken dat de auto hem een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM 5.7. De stelling van belanghebbende heffingssystematiek in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM slaagt niet. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2013 reeds geoordeeld dat artikel 34 van de Wet mrb niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Opcenten 5.8. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte opcenten naar het hoogste tarief zijn berekend bij de naheffingsaanslag mrb. Volgens hem moet voor het berekenen van de opcenten het tarief van de provincie Zeeland worden toegepast omdat daar de controle heeft plaatsgevonden naar aanleiding waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd. Door het toepassen van het hoogste tarief voor de opcenten voor de naheffingsaanslag worden belastingplichtigen die in Zeeland wonen en die rijden met een motorrijtuig met een buitenlands kenteken ten onrechte anders behandeld dan belastingplichtigen die in Zeeland wonen en die rijden met een motorrijtuig met een Nederlands kenteken. 5.9. Artikel 222a, derde lid, van de Provinciewet, bepaalt dat bij de naheffing van mrb op grond van artikel 34 van de Wet mrb belasting opcenten worden berekend volgens het hoogste aantal opcenten dat in enige provincie van toepassing was op de dag waarop het gebruik van de weg met het motorrijtuig is geconstateerd. 5.10. De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 222a, derde lid, van de Provinciewet, terecht naar het hoogste tarief opcenten zijn berekend. Een belastingplichtige die in Zeeland woont en die rijdt met een motorrijtuig met een buitenlands kenteken is niet gelijk te stellen met een belastingplichtige die in Zeeland woont en die rijdt met een motorijtuig met een Nederlands kenteken. In de parlementaire toelichting bij artikel 222a, derde lid, van de Provinciewet, is overwogen dat ‘Ter wille van een eenvoudige uitvoering is gekozen voor een systeem waarin de feitelijke woonplaats(en) van een belastingplichtige en een eventuele wijziging van het aantal opcenten gedurende de periode van naheffing geen rol speelt.' 5.11. Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd en niet te hoog vastgesteld. Verzuimboete 5.12. Indien de verschuldigde belasting niet binnen de gestelde termijn wordt betaald kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 5.514. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de naheffingsaanslag terecht is. Omdat belanghebbende de verschuldigde belasting niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, mag de inspecteur een verzuimboete opleggen. De boete bedraagt 50% van het bedrag wat wordt nageheven. Voor belanghebbende komt dit neer op een boetebedrag van € 803. De boete is in overeenstemming met voornoemde bepalingen opgelegd. 5.13. Schuld of verwijtbaarheid speelt bij de rechtmatigheid van de verzuimboete geen rol. Wel dient de verzuimboete achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). Dat sprake is van avas heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat belanghebbende niet met de auto was gaan rijden als hij de wetgeving kende is daarvoor onvoldoende. 5.14. De rechtbank ziet wel aanleiding om de boete te matigen en acht een boete van € 200 in dit geval passend en geboden, gelet op de moeilijke bewijspositie van belanghebbende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat de verhouding tussen hem en de vennoot slecht is geworden waardoor hij nog moeilijk aan informatie van de nicht van de vennoot kan komen.