Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:7518
naheffingsaanslag mrb, bestelautotarief pick-up. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3814 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 juli 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 13 juni 2023 tot en met 12 juni 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd, ten bedrage van € 2.340, alsmede bij gelijktijdige beschikking een boete opgelegd van € 1.170. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur zijn verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boete terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. De boete wordt verminderd tot € 1.111,50 in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 2.2. Op 4 december 2019 is het motorrijtuig van het merk en type Ford Ranger, een pick-up truck, met [kenteken] (de pick-up) gekeurd door de RDW. Als soort motorijtuig staat ‘bestelauto’ geregistreerd en bij de omschrijving van de carrosserie staat ‘afneembare bovenbouw’. De pick-up is voorzien van een dubbele cabine. 2.3. Belanghebbende staat sinds 13 december 2019 geregistreerd als houder van de pick-up. Vanaf dat moment betaalt belanghebbende mrb voor de pick-up volgens het bestelautotarief voor ondernemers (bestelautotarief) als bedoeld in artikel 24b Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb). 2.4. Op 19 december 2023 heeft met betrekking tot de pick-up een controle plaatsgevonden. Op het controleformulier staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “Voertuig is RDW gekeurd als afneembare bovenbouw. Fiscaal gezien een pick-up met dubbele cabine open laadbak. L en 40% eis zouden nader moeten worden opgemeten (voldoet hier vermoedelijk niet aan).” 2.5. Op 15 maart 2024 is door de Belastingdienst nader onderzocht of de pick-up aan de vereisten voor het bestelautotarief voldoet. Van deze controle bevinden zich een controleformulier en foto’s in het procesdossier. De lengte van de laadruimte is daarbij door de controleur gemeten op 150 centimeter. Van deze 150 centimeter is volgens de inspecteur 53 centimeter vóór het hart van de achterste as geplaatst. De controleur heeft geconcludeerd dat de pick-up voor wat betreft de afmetingen niet aan de vereisten voor het bestelautotarief voldoet. Op het controleformulier staat het volgende opgemerkt: “Binnenzijde laadbak gemeten, overgebracht buitenzijde daardoor 53 voor de as. LET OP er zit een losse ruimte, spie tussen de laadruimte en achterzijde cabine van ongeveer 5-10 cm taps-schuin aflopend, LE en LC zwevende maat moeten nemen als meetpunt (..)” 2.6. Met dagtekening 22 maart 2024 is belanghebbende door middel van een vooraankondiging van de naheffingsaanslag en boete erover geïnformeerd dat de pick-up volgens de inspecteur niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet. De toelichting daarop van de inspecteur luidt: "40% eis: de lengte van de laadruimte is 150 cm. De lengte van de laadruimte die geplaatst is voor het hart van de achterste as is 53 cm en daarmee minder dan de minimaal vereiste 40% van 150 cm is 60 cm." 2.7. De naheffingsaanslag is met dagtekening 15 mei 2024 aan belanghebbende opgelegd. Motivering Wettelijk kader 3. Voor de beantwoording van de vraag of het bestelautotarief van toepassing is op de pick-up is de volgende wet- en regelgeving van belang. 3.1. Artikel 3 van de Wet mrb luidt – voor zover hier van belang – als volgt (onderstreping door de rechtbank): “1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder personenauto mede verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen met een toegestane maximum massa van 3.500 kg of minder met een laadruimte, zulks met uitzondering van een motorrijtuig met een laadruimte in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die: (…) d. ingeval het motorrijtuig een dubbele cabine heeft met zitruimte achter de bestuurder voor één rij naast elkaar in de rijrichting zittende personen: 1°. over ten minste 150 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm; en 2°. voor ten minste 40 percent van de lengte voor het hart van de achterste as is geplaatst en een lengte heeft van: I. ten minste 150 cm; en II. ten minste twee derde van de lengte die de laadruimte zou hebben indien de zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken; en III. ten minste twee maal die van de cabine, tenzij de cabine een hoogte heeft van ten minste 130 cm; en (…)” 3.2. De afmetingen van de laadruimte zoals omschreven in artikel 3 van de Wet mrb kunnen worden gemeten aan de hand van de blokmethode. In artikel 3, van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Uitvoeringsregeling) is daarover het volgende bepaald: “1. De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in artikel 3 van de wet voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. (…)” 3.3. In het besluit inrichtingseisen bpm en mrb van 16 december 2021 is goedgekeurd dat de laadruimte van een pick-up – onder bepaalde voorwaarden – ook over de bodem van de laadruimte mag worden gemeten: “2.3.2.1 Meetmethoden laadruimte pick-up De lengte van de laadruimte van een pick-up moet volgens de blokmethode worden gemeten. Bij het ontbreken van een overkapping bij een pick-up is de hoogte niet relevant. Is op de laadruimte een kap of huif aanwezig dan moet de daardoor ontstane gesloten laadruimte voldoen aan alle afmetingen van het bijbehorende fiscale blok. Goedkeuring Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de lengte ook bepaald kan worden door te meten over de bodem van de laadruimte mits deze methode geen andere uitkomst oplevert dan de blokmethode. Als deze methode wordt toegepast, moet vanaf het achterste punt van het tussenschot een loodlijn worden neergelaten op de bodem van de laadruimte. De lengte van de laadruimte wordt gemeten vanaf het punt waar de loodlijn de bodem raakt. Evenals bij de blokmethode wordt gemeten parallel aan de lengte-as van het motorrijtuig. Deze twee meetmethoden gelden ook om te bepalen of de laadruimte van een bestelauto met dubbele cabine voor ten minste 40 procent van de lengte voor het hart van de achterste as is gelegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel d, ten tweede van de wet). (...)” 3.4. Op 24 februari 2024 is het besluit inrichtingseisen bpm en mrb geactualiseerd. Hierin is het volgende opgenomen (onderstreping door de rechtbank aangebracht): “1. Inleiding - In dit besluit zijn standpunten aangepast of verduidelijkt over de volgende onderwerpen: Meetmethoden laadruimte pick-up (2.3.2.1): verduidelijkt waar de loodlijn te plaatsen omdat dit in de praktijk tot onduidelijkheden leidde. (…) 23.2.1 Meetmethoden laadruimte pick-up De lengte van de laadruimte van een pick-up moet volgens de blokmethode worden gemeten waarbij de maten van het fiscale blok inclusief de hoogte in acht moeten worden genomen. Is op de laadruimte een kap of huif aanwezig dan moet de daardoor ontstane gesloten laadruimte voldoen aan alle afmetingen van het bijbehorende fiscale blok. Goedkeuring Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de lengte van de laadruimte van een pick-up ook bepaald kan worden door te meten over de bodem van de laadruimte mits deze methode geen andere uitkomst oplevert dan de blokmethode. Als deze methode wordt toegepast, moet vanaf het achterste punt van de binnenrand aan de voorkant van de laadbak een loodlijn worden neergelaten op de bodem van de laadruimte. De lengte van de laadruimte wordt gemeten vanaf het punt waar de loodlijn de bodem raakt. Evenals bij de blokmethode wordt gemeten parallel aan de lengteas van het motorrijtuig. Deze twee meetmethoden gelden ook om te bepalen of de laadruimte van een bestelauto met dubbele cabine voor ten minste 40 procent van de lengte voor het hart van de achterste as is gelegen (artikel 3, derde lid, onderdeel d, subonderdeel 2, wet bpm c.q. artikel 3, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2, wet mrb).” Legaliteitsbeginsel 3.5. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het legaliteitsbeginsel is geschonden. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag voor het gehele tijdvak het besluit inrichtingseisen bpm en mrb van 24 februari 2024 toegepast (zie 4.3), terwijl dit besluit bij aanvang van het tijdvak nog niet van toepassing was. 3.6. De rechtbank is van oordeel dat van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake is. Uit de inleiding van het geactualiseerde besluit inrichtingseisen bpm en mrb (zie 3.4) volgt duidelijk dat sprake is van een verduidelijking van de al bestaande goedgekeurde meetmethode. Van een wijziging in de meetmethode is aldus geen sprake. Bestelautotarief voor ondernemers 3.7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat op de pick-up het bestelautotarief van toepassing is. De bewijslast dat sprake is van het lagere tarief mrb voor bestelauto rust op belanghebbende. 3.8. Ter zitting heeft gemachtigde aan de hand van een meegebrachte modeluitvoering van een pick-up (Ford Raptor) omschreven op welke wijze volgens hem moet worden gemeten of de pick-up aan de inrichtingseisen voor de toepassing van het bestelautotarief voldoet. Volgens belanghebbende is voor de toepassing van artikel 3 van de Wet mrb de lengte van de laadvloer van belang en niet de lengte van de laadruimte. Aan de voorkant van de laadruimte zit een onderdeel dat tegen de achterwand van de cabine is geplaatst (hierna: onderdeel a). De laadvloer loopt onder onderdeel a door tot de achterwand van de cabine (de losse ruimte, zoals ook vermeld in het controleformulier, zie 2.5). De lengte van de laadvloer moet tot aan de achterwand van de cabine worden gemeten, dus onder onderdeel a door. De lengte van de laadvloer bedraagt op grond van het voorgaande 156 centimeter, waarvan 66 centimeter vóór het hart van de achterste as is geplaatst, aldus belanghebbende. Daarmee is voldaan aan het in artikel 3 wet mrb opgenomen vereiste dat 40% van de lengte van de laadruimte is geplaatst voor het hart van de achterste as (de 40%-eis). Volgens belanghebbende is de blokmethode (zie 3.2) niet van belang bij het bepalen van de 40%-eis. De 40%-eis moet worden bepaald aan de hand van de lengte van de laadvloer en niet aan de hand van het fiscale blok. Onderdeel a moet bij de meting van de lengte van de laadvloer buiten beschouwing worden gelaten omdat dit kan worden weggezaagd. Belanghebbende bepleit dat onderdeel daarom demontabel is. 3.9. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de lengte van de laadruimte moet worden gemeten aan de hand van de blokmethode. Voor het vaststellen van de lengte van de laadruimte heeft de inspecteur gemeten vanaf onderdeel a tot aan de achterkant van de laadruimte. De inspecteur betwist dat onderdeel a moet worden aangemerkt als een demontabel onderdeel. 3.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de lengte van de laadvloer langer is dan de door de inspecteur gemeten 150 centimeter. De door belanghebbende voorgestane meetmethode volgt niet uit de hiervoor opgenomen wet- en regelgeving. In de wettekst van artikel 3 Wet mrb is het de laadruimte – en niet de laadvloer – waaraan nadere eisen worden gesteld in het eerste lid, onder a tot en met d. Aan de laadruimte is dan ook de eis gesteld dat deze voor ten minste 40 percent van de lengte voor het hart van de achterste as is geplaatst. De lengte van de laadruimte van de pick-up moet op grond van artikel 3 uitvoeringsregeling worden gemeten aan de hand van de fiscale blokmethode. Hierop is in de besluiten inrichtingseisen bpm en mrb (zie 3.3 en 3.4) slechts een uitzondering gemaakt voor zover de goedgekeurde meetmethode geen andere uitkomst oplevert dan een meting aan de hand van de blokmethode. Indien een blok met de afmetingen als genoemd in artikel 3 Wet mrb in de onderhavige pick-up zou worden geplaatst zou dit tegen onderdeel a aan geschoven worden. Onderdeel a is daarom ook het punt waar de meting van de lengte van de laadruimte begint. De inspecteur is voor het meten van de lengte van de laadruimte van de juiste meetpunten uitgegaan. Het standpunt van belanghebbende dat voor het bepalen of voldaan is aan de 40%-eis niet moet worden uitgegaan van het fiscale blok, slaagt niet. In de beide besluiten (zie 3.3 en 3.4) is opgenomen dat de daarin genoemde twee meetmethoden ook gelden om te bepalen of de laadruimte van een bestelauto met dubbele cabine voor ten minste 40 procent van de lengte voor het hart van de achterste as is gelegen. Ook voor de 40%-eis geldt dus dat de lengte alleen over de vloer mag worden gemeten, indien de uitkomst niet anders is dan bij een meting aan de hand van de blokmethode. Het standpunt dat onderdeel a buiten beschouwing moet worden gelaten bij het bepalen van de lengte van de laadruimte slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet de bedoeling zijn dat er onderdelen moeten worden weggezaagd om aan de inrichtingseisen voor een bestelauto te voldoen. Onderdeel a is met de laadruimte verbonden en maakt daar onderdeel van uit. De rechtbank concludeert dat de lengte van de laadruimte terecht is bepaald op 150 centimeter. 3.11. Verder heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de meting door de inspecteur niet nauwkeurig genoeg is verricht. Voor het bepalen van het hart van de achteras heeft de inspecteur gemeten vanaf de bovenkant van de opstaande zijkanten van de laadruimte. Volgens belanghebbende had gemeten moeten worden vanaf de bodem van de laadruimte. Bovendien is de meting niet nauwkeurig omdat de pick-up een oude vering heeft en de banden mogelijk niet goed zijn opgepompt. Daar komt bij dat de vloer waarop de meting heeft plaatsgevonden mogelijk niet waterpas is. Bovendien heeft de inspecteur geen lasers, loodlijnen, winkelhaken of waterpassen gebruikt. Dit alles maakt de meting erg onnauwkeurig, aldus belanghebbende. 3.12. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van fouten in de meting die ertoe hebben geleid dat de controleur tot een verkeerde uitkomst is gekomen. Gelet op de lengte van de laadruimte van 150 centimeter zou het gedeelte dat vóór het hart van de achteras zou zijn gelegen, 60 centimeter moeten zijn om te voldoen aan de 40%-eis. De inspecteur heeft dit gedeelte gemeten op 53 centimeter. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het verschil tussen het meten aan de bovenrand van de opstaande rand van de zijkant van laadruimte in plaats van op de bodem van de laadruimte – tezamen met de andere door belanghebbenden aangedragen punten – er toe hebben geleid dat de inspecteur het gedeelte vóór het hart van de achterste as 7 centimeter te kort heeft gemeten. Daarbij acht de rechtbank bovendien van belang dat de meting is uitgevoerd door professionele controleurs die zijn opgeleid om deze metingen uit te voeren. 3.13. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Verzuimboete 3.14. Bij de constatering dat een auto niet (meer) aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, kan de inspecteur, naast de nageheven belasting, een boete opleggen op basis van artikel 37 van de Wet mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 3.15. De boete is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. De pick-up voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voor ondernemers. 3.16. Voor het opleggen van de verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Een verzuimboete blijft wel achterwege indien is sprake is van afwezigheid van alle schuld of van een pleitbaar standpunt. 3.17. De stelling van belanghebbende dat zij de auto heeft gekocht bij een professionele ombouwer en dat zij er daarom vanuit mocht gaan dat aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voor ondernemers werd voldaan, is onvoldoende om te kunnen spreken van avas. Op belanghebbende blijft de verantwoordelijk rusten voor het doen van een juiste aangifte mrb. Nu belanghebbende zich beroept op een begunstigende regeling moet zij zorgen dat ze op de hoogte is van de gestelde inrichtingseisen en zorgen dat zij daaraan voldoet. 3.18. Van een pleitbaar standpunt is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wanneer de geldende wet- en regelgeving wordt toegepast op de laadruimte van de pick-up, voldoet deze niet aan de inrichtingseisen die daaraan worden gesteld voor de toepassing van het bestelautotarief. Er is geen sprake van een standpunt dat gelet op de stand van de jurisprudentie pleitbaar of verdedigbaar is. 3.19. De rechtbank acht de opgelegde boete van € 1.170 in dit geval passend en geboden. 3.20. Tot slot constateert de rechtbank ambtshalve dat vanaf de aankondiging van de boete tot het moment dat de rechtbank uitspraak doet meer dan twee jaar zijn verstreken, nu de vooraankondiging is gedaan op 22 maart 2024. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor wat betreft de boete met afgerond 5 maanden is overschreden. De boete dient te worden verminderd met 5% , zodat deze wordt verminderd tot € 1.111,50. Vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn 3.21. Belanghebbende heeft in het beroepschrift, ingediend op 5 augustus 2025, verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 3.22. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 juni 2024 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met 2 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond 1 jaar en 1 maand heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang, komt dit bedrag voor rekening van de inspecteur. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. De boete wordt in verband met ‘undue delay’ verminderd tot € 1.111,50. Ook heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade van € 500. 4.1. Omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 , wat neerkomt op € 233,50. 4.2. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 en ook omdat de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. - vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete; - vermindert de boete tot € 1.111,50; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Besluit van 16 december 2021, nr. 2021-213898, Stcrt 2021, nr. 48134. Besluit van 26 februari 2024, nr. 2024-4511, Stcrt. 2024, 6352. vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.