Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:7233
WOZ/OZB, opbrengstlimiet, ABBB, dwangsommen RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/1959 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk, verbonden aan Juridisch adviesbureau Local Tax), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda respectievelijk Waterschap Brabantse Delta) , de heffingsambtenaar. Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank: het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2023 die betrekking heeft op nagenoemde waardebeschikking en belastingaanslagen; de klachten van belanghebbende betreffende de dwangsombeschikking van 7 september 2022; de klachten van belanghebbende betreffende de dwangsombeschikking van 2 maart 2023. 1.1. Met dagtekening 25 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar bij beschikking met nummer [nummer] (hierna: de beschikking) opgelegd het navolgende, namens de gemeente Breda: de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] op 1 januari 2022 (toestandsdatum) op € 250.000; de aanslagen (eigenaar en gebruiker) in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Breda voor het jaar 2022; de aanslag rioolheffing gebruiker 2022; namens het waterschap Brabantse Delta: de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2022; de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2022. 1.2. Op 8 april 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voornoemde beschikking en alle aanslagen die met dagtekening 25 februari 2022 aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende heeft hierbij verzocht om toezending van het taxatieverslag. 1.3. Bij brief met dagtekening 13 juli 2022, ontvangen door de belastingdienst op 20 juli 2022, heeft belanghebbende aan de heffingsambtenaar een ingebrekestelling verzonden (ingebrekestelling 1). In ingebrekestelling 1 staat, voor zover van belang, vermeld: “met brief d.d. 8 april 2022 (..) zijn bezwaarschriften ingediend tegen de belastingen, heffingen en rechten opgenomen in navolgend aanslagbiljet met nummer: - [nummer] d.d. 25 februari 2022. (..) Ingebrekestelling Tot heden zijn uitspraken op voornoemde bezwaarschriften uitgebleven. Daarmee is niet tijdig beslist op deze bezwaarschriften. Ik verzoek u dringend alsnog een dergelijke uitspraak op deze bezwaarschriften te doen (..). 1.4. Bij dwangsombeschikking van 7 september 2022 (dwangsombeschikking 1) heeft de heffingsambtenaar de ingebrekestelling niet-ontvankelijk verklaard. 1.5. Op 19 oktober 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen dwangsombeschikking 1. Het bezwaar is ingediend door verzending van een e-mail aan een e-mailadres van een ambtenaar. Dit bezwaar behoort niet tot de gedingstukken. 1.6. Met dagtekening 5 december 2022 stuurt de gemachtigde van belanghebbende een brief aan de heffingsambtenaar. In deze brief schrijft zij: “Met bezwaarschrift van 19 oktober 2022 is een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen uw besluit van 7 september 2022 dat geen dwangsom is verbeurd. Tot op heden is een uitspraak op voornoemd bezwaarschrift van 19 oktober 2022 uitgebleven. Daarmee is niet tijdig beslist op dit bezwaarschrift. Ik verzoek u dringend alsnog een dergelijke uitspraak op dit bezwaarschrift te doen (..)” 1.7. Met dagtekening 15 december 2022 stuurt de heffingsambtenaar een brief aan (de gemachtigde) van belanghebbende. In deze brief wordt zij erop gewezen dat het bezwaar van 19 oktober 2022 niet op de juiste wijze is ingediend. Belanghebbende wordt verzocht om binnen 3 weken het verzuim te herstellen en het bezwaar alsnog via de juiste weg in te dienen. 1.8. Met dagtekening 5 januari 2023 motiveert belanghebbende het bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking van 7 september 2022. De motivering van het bezwaar is op de juiste wijze bij de heffingsambtenaar ingediend. Voor zover hier van belang, is de motivering van dit bezwaarschrift het volgende opgenomen: “Met brief van 7 september 2022 overweegt u dat ter zake van het bezwaar tegen de aanslag Watersysteemheffing Gebouwd de beslistermijn nog niet was verstreken ten tijde van de ingebrekestelling van 13 juli 2022 en verklaart u de ingebrekestelling niet-ontvankelijk. Met e-mail van 19 oktober 2022 is pro forma bezwaar ingediend tegen het besluit van 7 september 2022. Met brief van 15 december 2022 verzoekt u voornoemd bezwaarschrift te motiveren. Voornoemd bezwaar wordt met deze brief gemotiveerd.” 1.9. Bij brief met dagtekening 9 januari 2023, ontvangen door de heffingsambtenaar op 11 januari 2023 heeft belanghebbende aan de heffingsambtenaar een ingebrekestelling verzonden (ingebrekestelling 2). In deze ingebrekestelling is het volgende opgenomen: “Met brief d.d. 8 april 2022 zijn pro forma bezwaarschriften ingediend tegen de belastingen, heffingen en rechten opgenomen in navolgend aanslagbiljet met nummer: - [nummer] d.d. 25 februari 2022. (..) Ingebrekestelling Tot heden zijn uitspraken op de bezwaarschriften ten aanzien van de WOZ-beschikking, aanslag Rioolheffing en aanslag Zuiveringsheffing uitgebleven. Daarmee is niet tijdig beslist op deze bezwaarschriften. Ik verzoek u dringend alsnog een dergelijke uitspraak op deze bezwaarschriften te doen (..)” 1.10. Met dagtekening 22 januari 2023 heeft belanghebbende haar bezwaren tegen de met dagtekening 25 februari 2022 opgelegde aanslagen gemotiveerd. Gelijktijdig met de motivering van het bezwaar heeft belanghebbende de heffingsambtenaar verzocht om de volgende informatie te overleggen (verzoek ex artikel 40 WOZ): gehanteerde grondprijzenbrief of nota met uitgifteprijzen voor woningbouw, bedrijfsterreinen en met name grond voor maatschappelijke en/of bijzonder doeleinden; door verweerder ten aanzien van vergelijkbare sportaccommodaties in [plaats] gehanteerde prijzen per m2; grondstaffel; taxatiekaart met KOUDVL factoren; (lucht)foto’s van het object en objectonderdelen met vermelding van oppervlakte. 1.11. Op 26 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar (een gedeelte) van de door belanghebbende gevraagde informatie aan haar toegezonden, namelijk: het taxatieverslag van de onroerende zaak; het taxatieverslag; een luchtfoto; een overzicht grondprijs incourant [plaats] ; grondprijzen [plaats] 2022; brochure grondprijzen [plaats] 2020. 1.12. Op 30 januari 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Na afloop van de hoorzitting zijn de volgende aanvullende stukken aan belanghebbende toegezonden: de begroting waterschap Brabantse Delta; de begroting gemeente Breda ; Corona-correctie onroerende goed; addendum taxatiewijzer Algemene handreiking invloed corona op waardepeildatum 1 januari 2020; Kadaster: Eigendomsinformatie [kenmerk 1]; Kadaster: Eigendomsinformatie [kenmerk 2]. 1.13. Belanghebbende heeft op 2 februari 2023 de motivering van haar bezwaren tegen de met dagtekening 25 februari 2022 opgelegde aanslagen nader aangevuld. 1.14. Met dagtekening 7 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan ten aanzien van de met dagtekening 25 februari 2022 vastgestelde verzamel-beschikking WOZ en belastingaanslagen. De beslissing luidt als volgt: “(…) Na beoordeling van uw bezwaarschrift, betreffende de aanslag gemeentelijke- en/of waterschapsbelastingen 2022 met aanslagnummer [nummer] , heb ik besloten om: • uw bezwaar ongegrond te verklaren; • het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen; • de aanslagregel [adres] [plaats] , onroerende zaakbelasting eigenaar niet-woning groot € 576,25 te handhaven; • de aanslagregel [adres] [plaats] , onroerende zaakbelasting gebruiker niet-woning groot € 465,25 te handhaven; • de aanslagregel [adres] [plaats] , watersysteemheffing gebouwd groot € 78,75 te handhaven; • de aanslagregel [adres] [plaats] , WOZ-beschikking groot € 250.000,00 te handhaven.” 1.15. Met dagtekening 10 februari 2023 stuurt de heffingsambtenaar aan (de gemachtigde van) belanghebbende een brief met als onderwerp ‘Aanvulling uitspraak op bezwaar’. In deze brief schrijft de heffingsambtenaar, voor zover hier van belang, het volgende: “Tot mijn spijt heb ik bij een controle moeten constateren dat genoemde uitspraak niet volledig is nu niet is ingegaan op alle door u aangedragen punten. Dit betreft de punten met betrekking tot aanslagregels rioolheffing, watersysteemheffing gebouwd en zuiveringsheffing. Bovendien ontbreekt een formeel besluit omtrent de aanslagregels rioolheffing en zuiveringsheffing nu deze niet in het dictum worden benoemd. Hiervoor bied ik u in de eerste plaats mijn verontschuldigingen aan. Daarnaast wil ik deze onvolkomenheid middels dit schrijven corrigeren. (..) Beslissing Gelet op het bovenstaande heb ik, betreffende de aanslag gemeentelijke- en/of waterschapsbelastingen 2022 met aanslagnummer [nummer] , besloten om: - uw bezwaar ongegrond te verklaren; - de aanslagregel [adres] [plaats] , rioolheffing gebruiker niet-woning groot € 230,40 te handhaven; - de aanslagregel [adres] [plaats] , zuiveringsheffing bedrijfsruimten groot € 188,55 te handhaven.” 1.16. Op 2 maart 2023 heeft de heffingsambtenaar een dwangsombeschikking genomen (dwangsombeschikking 2), naar aanleiding van de ingebrekestelling (ingebrekestelling 2) die belanghebbende op 11 januari 2023 heeft ingediend. Aan belanghebbende is een dwangsom van € 299 toegekend. 1.17. Belanghebbende heeft op 21 maart 2023 een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2023 betreffende het verzamelbiljet waarmee de waardebeschikking en de belastingaanslagen bekend zijn gemaakt. 1.18. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 12 april 2023, ontvangen door de heffingsambtenaar op 13 april 2023, bezwaar gemaakt tegen dwangsombeschikking 2. 1.19. Op 23 oktober 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar. In dit gesprek heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat het bezwaar tegen dwangsombeschikking 2 wordt aangehouden in afwachting van een procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. 1.20. Op 19 december 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot dwangsombeschikking 2. Het bezwaar is ongegrond verklaard. 1.21. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (voornoemd) en, namens de heffingsambtenaar, de heer [persoon] . 1.22. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. Het doen van deze uitspraak heeft geruime tijd meer gekost dan beoogd en dan wenselijk is. De rechtbank betreurt dat. Feiten 2. Belanghebbende is als eigenaar en gebruiker aangemerkt van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] (de onroerende zaak). Het betreft een clubhuis/kantine van een jeu de boules vereniging. Beoordeling door de rechtbank Geschilomschrijving en oordeel rechtbank 2.1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak daarom nog of : het beroep op alle onderdelen ontvankelijk is gelet op de gefaseerde afdoening van de bezwaren tegen de waardebeschikking en de belastingaanslagen; het motiveringsbeginsel is geschonden doordat de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2023 onvoldoende is gemotiveerd; artikel 40 wet WOZ is geschonden; de aanslag rioolheffing, de aanslag watersysteemheffing gebouwd en de aanslag zuiveringsheffing ten onrechte en/of tot te hoge bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd omdat de opbrengstlimiet is overschreden; belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan dwangsommen dan haar reeds is toegekend naar aanleiding van de door haar ingediende ingebrekestellingen; belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de lange duur van de procedure. Vooraf: WOZ-waarde niet langer in geschil 3. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar zich op het nadere standpunt gesteld dat het beroep aangaande de WOZ-waarde ontvankelijk is en de waarde van de onroerende zaak moet worden verlaagd tot € 200.000. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat voor dat geval de waarde niet langer in geschil is. Ook is niet in geschil dat de aanslagen onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig moeten worden verminderd. De rechtbank zal overeenkomstig het nadere standpunt van de heffingsambtenaar beslissen. In zoverre is het beroep reeds gegrond. 3.1. Het beroep is op twee onderdelen gegrond, te weten ten aanzien van de waardebeschikking en ten aanzien van dwangsombeschikking 2. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Daarbij verdient opmerking dat sprake is van een veelheid aan geschilpunten. Belanghebbende heeft ten aanzien van vrijwel alle handelingen van de heffingsambtenaar gedurende het procesverloop beroepsgronden aangevoerd. 3.2. Daarbij komt dat de gedingstukken van belanghebbende structuur missen (het beroepschrift heeft twee passages met weergave van de feiten en in twee verschillende delen worden beroepsgronden aangevoerd, zonder dat de samenhang wordt benoemd). De rechtbank heeft moeten zoeken naar de stellingen van belanghebbende. In het onderstaande heeft de rechtbank daarom een eigenstandige volgorde aangehouden, in afwijking van de volgorde zoals gehanteerd in de gedingstukken. Ontvankelijkheid van het beroep : alleen beroep na uitspraak op bezwaar 3.3. Beroep kan slechts worden ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op 7 februari 2023 en op 10 februari 2023 documenten aan belanghebbende beschikbaar gesteld die zijn aangeduid als uitspraken op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat beide documenten uitspraken op bezwaar zijn en dat met het document van 10 februari 2023 onvolkomenheden in het document van 7 februari 2023 zijn hersteld. De rechtbank oordeelt ten aanzien van de status van de beide documenten en het motiveringsbeginsel als volgt. 3.4. De heffingsambtenaar heeft niet de mogelijkheid om een eenmaal gedane uitspraak op bezwaar te vervangen of aan te vullen. Een tweede uitspraak op bezwaar ten aanzien van dezelfde beschikking heeft daarom in fiscaalrechtelijke zin geen zelfstandige betekenis. 3.5. In het onderhavige geval is echter sprake van beslissingen ten aanzien van meerdere beschikkingen, welke over twee documenten verdeeld zijn. Immers, in het document van 7 februari 2023 is niet op alle in geschil zijnde onderdelen beslist. Dat is pas gebeurd in het document van 10 februari 2023. In zoverre hebben de twee documenten verschillende functies en hebben beide documenten zelfstandige betekenis. De rechtbank duidt daarom de documenten als volgt. 3.5.1. Naar het oordeel van de rechtbank moet het document van 7 februari 2022 worden aangemerkt als de uitspraak op bezwaar betreffende, de namens de gemeente [plaats] opgelegde: waardebeschikking 2022; de aanslagen (eigenaren en gebruiker) onroerendezaaksbelastingen 2022; de namens het waterschap Brabantse Delta opgelegde: - aanslag watersysteemheffing gebouwd 2022. Het beroepschrift van 21 maart 2023 wordt geacht mede tegen al deze beslissingen te zijn gericht. Dat beroep is ontvankelijk. Voor zover ten aanzien van deze beschikking en aanslagen nadien nog aanvullingen en/of correcties zijn gedaan, zijn deze non-existent. Wat dat betekent voor de eventuele schending van het motiveringsbeginsel, wordt hierna behandeld. 3.5.2. Naar het oordeel van de rechtbank moet het document van 10 februari 2022 worden aangemerkt als de uitspraak op bezwaar betreffende. de namens de gemeente Breda opgelegde: - aanslag rioolheffing 2022; de namens het waterschap Brabantse Delta opgelegde: - aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2022. Het beroepschrift van 21 maart 2023 wordt geacht mede tegen al deze beslissingen te zijn gericht. Dat beroep is ontvankelijk. De aanvulling op de eerdere motivering ten aanzien van de aanslag watersysteemheffing heeft geen juridische status. Omdat het alleen een aanvulling van de motivering betreft en geen vermindering van de aanslag, is het ook geen ambtshalve beslissing krachtens artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Schending van motiveringsbeginsel in de uitspraak op bezwaar 3.6. Belanghebbende stelt dat de onvolkomenheden een schending van het motiveringsbeginsel vormen. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. 3.7. Ten aanzien van de stelling van het motiveringsbeginsel. Een schending van het motiveringsbeginsel kan niet ertoe leiden dat een waardebeschikking en/of belastingaanslagen worden vernietigd. Wel is het een vormfout die aanleiding kan geven tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten. Omdat het beroep reeds gegrond is vanwege de vermindering van de waardebeschikking, heeft belanghebbende reeds om die reden recht op deze vergoedingen. De stelling omtrent de schending van het motiveringsbeginsel behoeft daarom geen behandeling meer. Schending van artikel 40 Wet WOZ gedurende de bezwaarprocedure 4. Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet aan degene die in het kader van een geschil over een waardebeschikking een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt. 4.1. Belanghebbende stelt dat artikel 40 Wet WOZ is geschonden. Bij de motivering van het bezwaar heeft zij verzocht om toezending van de grondprijzen, grondstaffel, taxatiekaart en foto’s. Deze zijn volgens belanghebbende niet vóór de uitspraak op bezwaar aan haar verstrekt. 4.2. Evenals voor het motiveringsbeginsel geldt ook ten aanzien van een schending van artikel 40 Wet WOZ dat dit niet ertoe leiden dat een waardebeschikking wordt vernietigd. Wel is het een vormfout die aanleiding kan geven tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten. Omdat het beroep reeds gegrond is vanwege de vermindering van de waardebeschikking, heeft belanghebbende reeds om die reden recht op deze vergoedingen. De stelling omtrent de schending van artikel 40 Wet WOZ behoeft daarom eveneens geen behandeling meer. Overschrijding opbrengstlimiet: algemeen 5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de opbrengstlimiet is overschreden. Deze stelling is ingenomen met betrekking tot: namens de gemeente Breda: - de aanslag rioolheffing gebruiker 2022; namens het waterschap Brabantse Delta: de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2022; de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2022. 5.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende dit standpunt nader toegelicht. Daarbij is aangevoerd dat belanghebbende op een gegeven moment weliswaar inzicht heeft gekregen in de stukken door de heffingsambtenaar, maar dat zij vervolgens met het verzoek om een cijfermatige onderbouwing redelijke twijfel heeft opgeroepen over die stukken. 5.2. Voor de verdeling van de bewijslast en de beoordeling van de geschilpunten neemt de rechtbank tot uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 18 april 2014, onderdelen 3.3.2 tot en met 3.3.6, uiteen heeft gezet. 5.3. De rechtbank stelt vast dat de begroting van de gemeente Breda over het jaar 2022 is gepubliceerd op de website van de gemeente en openbaar toegankelijk is. Dit digitale document heeft de rechtbank aan haar beoordeling ten grondslag gelegd. 5.4. De begroting van het waterschap Brabantse Delta 2022 is op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als gedingstuk ingebracht. Overschrijding opbrengstlimiet: aanslag rioolheffing 2022 5.5. Ten aanzien van de begroting van de aanslag rioolheffing gebruiker 2022 oordeelt de rechtbank als volgt. 5.5.1. Belanghebbende voert onder de paragraaf ‘Ten aanzien van de aanslag Rioolheffing’ in haar beroepschrift algemene gronden aan met de strekking dat de bedragen die zijn genoemd in de begroting in relatie tot de rioolheffing niet te herleiden zijn. Met deze stelling is onvoldoende gemotiveerd gesteld welk aspect van de begroting belanghebbende betwist. 5.5.2. Belanghebbende voert onder de paragraaf ‘IV Aanslag rioolheffing’ in haar beroepschrift aan dat vijf onderdelen van de begroting niet kwalificeren als een last, te weten: Personeelslasten; Overhead; BTW; Bijdrage BWB; Internationale samenwerking. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift gedetailleerd en per onderdeel toegelicht wat de aard en achtergrond is van deze lasten. Belanghebbende heeft in reactie hierop geen nadere gronden aangevoerd of tekortkomingen in de ramingen voor het voetlicht gebracht. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Het betoog van belanghebbende faalt op dit onderdeel. Overschrijding opbrengstlimiet: aanslag watersysteemheffing gebouwd 2022 5.6. Ten aanzien van de begroting van de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2022 oordeelt de rechtbank als volgt. 5.6.1. Belanghebbende voert onder de paragraaf ‘Ten aanzien van de aanslag Watersysteemheffing Gebouwd’ in haar beroepschrift eveneens algemene gronden aan De rechtbank verwijst naar haar oordeel in onderdeel 6.3.2. hiervoor. 5.6.2. Belanghebbende voert onder de paragraaf ‘V Aanslag Watersysteemheffing Gebouwd’ in haar beroepschrift aan dat (zakelijk weergegeven) twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake van watersysteembeheer, omdat niet duidelijk is op welke wijze en met in achtneming van welke uitgangspunten toedeling van kosten heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift (en al eerder in de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2023) gedetailleerd en per onderdeel toegelicht hoe deze lasten tot stand zijn gekomen. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aan zijn bewijstaak voldaan. Het betoog van belanghebbende valt echter al door de ondergrens van gemotiveerd stellen. De zinnen zijn niet congruent en hoewel het een passage is ten aanzien van de ‘watersysteemheffing’, hanteert belanghebbende het begrip ‘zuiveringsheffing’. Belanghebbende heeft op dit onderdeel daarom onvoldoende gemotiveerd gesteld welk gebrek kleeft aan de begroting op dit punt. Het betoog van belanghebbende faalt daarom ook op dit onderdeel. Overschrijding opbrengstlimiet: aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2022 5.7. Ten aanzien van de begroting van de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2022 oordeelt de rechtbank als volgt. 5.7.1. Belanghebbende voert onder de paragraaf ‘Ten aanzien van de aanslag Zuiveringsheffing’ in haar beroepschrift algemene gronden aan en beschrijft het procesverloop. De rechtbank verwijst voor de algemene gronden naar haar oordeel in onderdeel 6.3.2. hiervoor. Ten aanzien van de gebreken in het procesverloop is in het bovenstaande een oordeel gegeven. Voor zover sprake is van gebreken kan dat echter de aannemelijkheid van de naleving van de opbrengstlimiet niet aantasten. 5.7.2. Belanghebbende voert onder de paragraaf ‘V Aanslag Zuiveringsheffing’ in haar beroepschrift eveneens aan dat (zakelijk weergegeven) twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake van watersysteembeheer, omdat niet duidelijk is op welke wijze en met in achtneming van welke uitgangspunten toedeling van kosten heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift (en al eerder in de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023) gedetailleerd en per onderdeel toegelicht hoe deze lasten tot stand zijn gekomen. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aan zijn bewijstaak voldaan. Daar komt bij dat de passage op dit onderdeel woordelijk nagenoeg identiek is aan de passage ten aanzien van de passage over watersysteemheffing, met als enige verschil de verwijzing naar ‘p.81 t/m 83’ in plaats van ‘Bijlage 3’. Tegenover de zorgvuldige inspanning van de heffingsambtenaar om de verschillende onderdelen toe te lichten, heeft belanghebbende volstaan met gelijkluidende passages en algemene bewoordingen. Indachtig de bewijslastverdeling uit het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014 schiet het betoog van belanghebbende tekort. Het betoog van belanghebbende faalt daarom ook op dit onderdeel. Dwangsombeschikking 1 5.8. Dwangsombeschikking 1 is vastgesteld op 7 september 2022. Daarin is het verzoek tot toekenning van een dwangsom niet-ontvankelijk verklaard (zie onder 1.4 hiervoor). Tegen deze beslissing is belanghebbende in bezwaar gegaan. Op dit bezwaar was ten tijde van het instellen van beroep nog niet beslist. Op grond van artikel 4:19 van de Awb loopt de afwikkeling van dit 1e verzoek tot toekenning van een dwangsom rechtstreeks mee in deze beroepsprocedure. Om die reden heeft de rechtbank ook geen apart zaaknummer aangemaakt. Belanghebbende betwist de niet-ontvankelijkheid. Voor de motivering sluit de rechtbank aan bij het schrijven van belanghebbende aan de heffingsambtenaar van 5 januari 2023. 5.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om toekenning van een dwangsom voor zover het bezwaar betrekking had op de waardebeschikking en de belastingaanslagen, zowel namens de gemeente Breda als namens het waterschap Brabantse Delta. De termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar liep tot het einde van het kalenderjaar. Er was dus geen sprake van een termijnoverschrijding aan de zijde van het bestuursorgaan. 5.10. De stelling van belanghebbende dat artikel 131 van de Waterschapswet niet van toepassing is, slaagt niet. Vast staat dat belanghebbende ook bezwaar (en later ook beroep) heeft ingesteld tegen de waardebeschikking. Als gevolg daarvan is de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet onherroepelijk komen vast te staan. De stelling dat relevant is dat ín het bezwaarschrift tegen de aanslag ‘watersysteemheffing gebouwd’ geen bezwaar is gemaakt tegen de waardebeschikking, volgt de rechtbank niet. In de wetgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de interpretatie dat voor de toepassing van artikel 131 van de Waterschapswet uitsluitend de tekst van het bezwaarschrift tegen de aanslag ‘watersysteemheffing gebouwd’ moet worden gevolgd. Het waterschap is bovendien niet bevoegd om zelfstandig een oordeel te vormen over de WOZ-waarde. Het waterschap volgt in zoverre het oordeel van de gemeente. Naar het oordeel van de rechtbank berust de lezing van artikel 131 van de Waterschapswet daarom op een onjuiste wetsinterpretatie. Deze stelling slaagt niet. 5.11. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ook geen consequenties verbonden aan het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom. Het overschrijden van de uitspraaktermijn bij een bezwaar tegen de dwangsombeschikking, levert geen nieuwe dwangsom op. 5.12. Het bezwaar tegen dwangsombeschikking 1 is daarom ongegrond. De rechtbank zal in het dictum dit bezwaar daarom ongegrond verklaren. Dwangsombeschikking 2 5.13. Dwangsombeschikking 2 is vastgesteld op 2 maart 2023. Daarin is het verzoek tot toekenning van een dwangsom ontvankelijk geacht en is het verzoek toegewezen (zie onder 1.16 hiervoor). Aan belanghebbende is een dwangsom van € 299 toegekend. Tegen deze beslissing is belanghebbende in bezwaar gegaan. Op grond van artikel 4:19 van de Awb loopt de afwikkeling van dit 2e verzoek tot toekenning van een dwangsom echter rechtstreeks mee in deze beroepsprocedure. Om die reden heeft de rechtbank ook geen apart zaaknummer aangemaakt. Met betrekking tot het bezwaar is gaande de beroepsprocedure alsnog door de heffingsambtenaar beslist, te weten bij beschikking van 19 december 2024. 5.14. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan de uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 geen zelfstandige betekenis toe. De rechtbank vult op grond van artikel 8:69 Awb de rechtsgronden aan, in zoverre dat het vast stelt dat het standpunt van de heffingsambtenaar in beroep is dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom van € 299. Belanghebbende betwist de hoogte van de toegekende dwangsom. Zij stelt dat recht bestaat op drie maal het bedrag van € 299. Tegen de berekening als zodanig is/zijn geen beroepsgronden en/of verweer uitgewisseld. 5.15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op tweemaal het verbeurde bedrag van € 299. Bij het indienen van de ingebrekestelling heeft belanghebbende vermeld dat deze ziet op de waardebeschikking, de aanslag rioolheffing en de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten. 5.15.1. De stellingen met betrekking tot de waardebeschikking staan op zichzelf. De heffingsambtenaar heeft daarvoor uiteindelijk op 7 februari 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. Voor deze (te late) uitspraak op bezwaar verbeurt de heffingsambtenaar éénmaal de dwangsom van € 299. 5.15.2. De stellingen met betrekking tot de aanslagen rioolheffing en de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten vertonen grote onderlinge samenhang. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de opbrengstlimiet is overschreden en heeft de heffingsambtenaar gewezen op haar bewijslast daaromtrent. Voor deze belastingaanslagen heeft de heffingsambtenaar uiteindelijk op 10 februari 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. In zoverre is het verloop in deze procedure ook afwijkend van de procedure over het voorgaande belastingjaar. Voor deze eveneens (te late) uitspraak op bezwaar verbeurt de heffingsambtenaar éénmaal de dwangsom van € 299. 5.16. Het bezwaar tegen dwangsombeschikking 2 is daarom gegrond. De rechtbank zal in het dictum aan belanghebbende de dwangsom van € 299 met nogmaals € 299 verhogen, tot € 598. Vergoeding van immateriële schade voor de lange duur van de procedure 5.17. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij stelt zich op het standpunt dat het belang in deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt. Ter onderbouwing heeft zij ter zitting aangevoerd dat de verschuldigde dwangsommen bij elkaar meer dan € 1.000 bedragen. 5.18. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en inhoud van de procedure, het verloop ervan en de gelijktijdige behandeling in beroep, sprake is van samenhang tussen de verschillende beschikkingen die aan de orde zijn. De rechtbank kijkt daarom voor de overschrijding van de redelijke termijn naar de eerste bezwaarhandeling van belanghebbende. De eerste bezwaarhandeling dateert van 8 april 2022, zijnde het bezwaar tegen het verzamelbiljet waarop de waardebeschikking en de belastingaanslagen bekend zijn gemaakt. 5.19. Sinds het instellen van bezwaar zijn (afgerond) 52 maanden verstreken. De redelijke termijn is daarom met 28 maanden overschreden. 5.20. Belanghebbende heeft het verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan ter zitting van 12 maart 2025. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek toetst aan de uitgangspunten zoals opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024. Kernelement daaruit is dat recht op een vergoeding bestaat indien het belang meer bedraagt dan € 1.000. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van. Vast staat dat recht bestaat op een vermindering van de aanslagen onroerendezaakbelastingen en op een aanvullende dwangsom van € 299. Voor het overige heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat deze bedragen vermeerderd met het financiële belang van haar stellingen (indien en voor zover in redelijkheid ingenomen), de grens van € 1.000 overschrijdt. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding zal worden afgewezen. Wettelijke rente 5.21. Ter zitting is namens belanghebbende verzocht om vergoeding van wettelijke rente. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van wettelijke rente voor zover de in beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht en/of vergoeding van schade niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan. Proceskostenvergoeding en griffierecht 5.22. Het beroep betreffende de WOZ-waarde en betreffende dwangsombeschikking 2 is gegrond. Belanghebbende heeft daarom recht op vergoeding van het griffierecht en op een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding moet rechtstreeks aan belanghebbende worden betaald. De rechtbank bepaalt deze vergoeding met inachtneming van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht als volgt. 5.23. Met betrekking tot de WOZ-waarde/aanslagen-beschikking worden 2 punten vastgesteld voor de bezwaarfase (bezwaarschrift en hoorzitting) met een waarde per punt van € 666. Voor de beroepsfase worden eveneens 2 punten vastgesteld (beroepschrift en rechtbankzitting) met een waarde per punt van € 934. De wegingsfactor voor deze vergoeding is 1. Het bezwaar en het beroep zijn ingesteld vóór inwerkingtreding van de Wet herziening proceskosten WOZ en Bpm, dus voor matiging bestaat geen aanleiding. 5.24. Met betrekking tot de dwangsombeschikking worden 2 punten vastgesteld voor de bezwaarfase (bezwaarschrift en hoorzitting) met een waarde per punt van € 666. De wegingsfactor voor deze vergoeding is 0,5. Voor de beroepsfase oordeelt de rechtbank dat geen zelfstandige vergoeding wordt toegekend, omdat deze vergoeding op grond van artikel 4:19 van de Awb meeloopt in de procedure tegen de hoofdzaak. Belanghebbende heeft ook feitelijk geen zelfstandig beroepschrift ingediend. 5.25. De totale vergoeding bedraagt € 3.866. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen de waardebeschikking 2022, de aanslagen onroerendezaakbelastingen 2022 en de dwangsombeschikking van 2 maart 2023; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2023 voor zover deze betrekking heeft op de waardebeschikking 2022 en de aanslagen onroerendezaakbelastingen 2022; vermindert de vastgestelde waarde tot € 200.000 en vermindert de aanslagen onroerendezaakbelastingen 2022 dienovereenkomstig; bekrachtigt de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2023 voor het overige; verhoogt de bij beschikking van 2 maart 2023 toegekende dwangsom tot € 598; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar van 19 december 2024; verklaart het beroep voor het overige ongegrond; wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af; gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 aan haar vergoedt; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.866; bepaalt dat voor zover de in beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Resulterend in Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 28 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2743. Tegen de waardebeschikking en de belastingaanslagen. Verderop in de uitspraak wordt ingegaan op de meelopende beroepen tegen de dwangsombeschikkingen. Artikel 7.1 van de Awb. Hoge Raad 11-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1132. Betreffende de waardebeschikking en de belastingaanslagen. Betreffende de waardebeschikking en de belastingaanslagen. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787. Artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet, artikel 126, tweede lid, Waterschapswet en artikel 131 Waterschapswet. Welke uitsluitend betrekking heeft op de aanslag watersysteemheffing gebouwd. Hoge Raad 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:733. ECLI:NL:HR:2019:787, eerder genoemd. Vergelijk Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4089 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 28 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2743 (eerder genoemd). ECLI:NL:HR:2024:853. Artikel 30a Wet WOZ, vierde lid, van de Awb. Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onderdeel 1.3 onder b.