Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:7224
Now, nihilstelling wegens ontbreken aanvraag. De minister heeft eiseres na de afloop van de indieningstermijn niet aangemaand om alsnog een aanvraag in te dienen. Strijd met artikel 4:44, derde lid in samenhang bezien met artikel 4:44, vierde lid van de Awb. Minister niet bevoegd om de subsidie ambtshalve vast te stellen. De minister moet eiseres in de gelegenheid stellen alsnog een aanvraag in te dienen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6719 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (Now5). De tegemoetkoming is daarbij op nihil gesteld. Eiseres is het niet eens met deze vaststelling. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister op goede gronden de subsidie op nihil heeft gesteld. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet bevoegd was de subsidie op nihil te zetten. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiseres heeft gevraagd om een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Now5. Met het besluit van 14 januari 2022 is deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing . Met de beslissing op bezwaar van 27 januari 2022 is alsnog een tegemoetkoming van € 2.599 toegekend. 2.1 Op 21 juni 2022 heeft de minister aan eiseres een overzicht verstuurd met de status van de definitieve berekening van de Now5. Daarin staat vermeld dat er nog geen Now5-aanvraag is gedaan voor de definitieve berekening en dat eiseres dat nog kan doen tot en met 22 februari 2023. 2.2 Eiseres heeft geen aanvraag ingediend. Met het besluit van 8 juli 2024 is aan eiseres meegedeeld dat het definitieve bedrag van de subsidie niet berekend kan worden en dat zij het voorschot terug moet betalen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.3 Met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat als gevolg van het niet aanvragen van de definitieve subsidie de subsidie ambtshalve op nihil is gezet. Procesverloop 3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 3.1 De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en namens de minister mr. [vertegenwoordiger] deelgenomen. 3.2 De rechtbank heeft bij beslissing van 30 juni 2026 het onderzoek heropend en partijen verzocht hun standpunt kenbaar te maken over de strekking van artikel 4:44, derde lid in samenhang met artikel 4:44, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij is tevens gevraagd wat deze artikelen volgens partijen betekenen voor het bestreden besluit. 3.3 Eiseres heeft op 6 juli 2026 een reactie gegeven en de minister op 16 juli 2026. Vervolgens hebben partijen telefonisch ingestemd met het doen van een uitspraak zonder nadere zitting en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit. Standpunt eiseres 5. Eiseres heeft gesteld te begrijpen dat er regels zijn. Zij is echter vergeten de definitieve vaststelling aan te vragen. Eiseres was in de veronderstelling dat zij de aanvraag wel had gedaan. De minister heeft haar niet laten weten dat er geen aanvraag was gedaan. Er is sprake van een onfortuinlijke vergissing. De opstelling van de minister is volgens eiseres onredelijk. Eiseres wordt nu gestraft vanwege een administratieve fout terwijl de vergoeding volledig terecht was. Eiseres heeft op geen enkele wijze misbruik gemaakt van de regeling. Standpunt minister 6. De minister heeft erkend dat in de berichtgeving aan eiseres niet alles vlekkeloos is verlopen. Eiseres was echter op de hoogte van de verplichting een aanvraag in te dienen. Hoewel er niet de gebruikelijke herinneringen zijn verstuurd, is er op 21 juni 2022 wel een mailing verzonden met daarin de status van de door eiseres aangevraagde Now-subsidies. Daarin wordt duidelijk de uiterste aanvraagtermijn genoemd. Eiseres betwist ook niet dat zij op de hoogte was van de verplichtingen. Dat zij vergeten is de aanvraag in te dienen is geen reden om haar alsnog de gelegenheid te geven de aanvraag in te dienen. Een vergissing of interne miscommunicatie blijft voor rekening en risico van eiseres. 6.1 Slechts bij hoge uitzondering wordt een werkgever na sluiting van het loket in de gelegenheid gesteld om een aanvraag in te dienen. Die uitzonderingen zijn opgenomen in het buitenwettelijk beleid. Deze uitzonderingen doen zich echter niet voor bij eiseres. Het is van belang dat binnen een redelijke termijn de rechtmatigheid van subsidies wordt vastgesteld. Dat een uiterste aanvraagtermijn wordt gehanteerd is dus op zichzelf legitiem en in het algemeen belang. Het loslaten van het uitgangspunt dat alleen in zeer bijzondere omstandigheden wordt afgeweken van de aanvraagtermijn, zou verstrekkende gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk. 6.2 Eiseres was zelf in verzuim. Herinneringen worden onverplicht en uit coulance verstuurd. Het belang van de minister moet daarom zwaarder wegen dan dat van eiseres. Bij de terugvordering is artikel 18 van de Now5 van toepassing. Ook bij de terugvordering moeten de belangen gewogen worden. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat er sprake is van een financiële noodsituatie. Overwegingen rechtbank 7. De rechtbank stelt vast dat in de beslissing op bezwaar als grondslag voor de subsidievaststelling artikel 4:46 van de Awb is genoemd. Zoals de minister in zijn verweerschrift en ter zitting heeft erkend, is dit niet juist en is artikel 4:44 van de Awb van toepassing. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank hiervan uitgaan. 7.1 Artikel 4:44 van de Awb gaat over de subsidievaststelling. Uit het eerste lid volgt dat de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet indienen. In de Now5 was de aanvraagtermijn voor de vaststelling van de subsidie in eerste instantie gesteld op uiterlijk 22 februari 2023. Op 11 december 2022 is deze termijn door de regelgever verlengd tot en met 2 juni 2023 . 7.2 Niet in geschil is dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend. Ingevolge artikel 4:44, derde lid van de Awb kan de minister, als binnen de gestelde termijn geen aanvraag is ontvangen, een termijn stellen binnen welke de aanvraag alsnog moet zijn ingediend. Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend kan de minister de subsidie ambtshalve vaststellen. 7.3 De rechtbank is van oordeel dat uit de samenhang tussen het derde en vierde lid van artikel 4:44 van de Awb volgt dat de subsidie-ontvanger, als op de uiterste termijn nog geen aanvraag is ontvangen, eerst nog in de gelegenheid moet worden gesteld alsnog de aanvraag in te dienen voordat de bevoegdheid tot ambtshalve vaststelling ontstaat. Dat dit ook de bedoeling is geweest van de wetgever blijkt uit de Memorie van Toelichting. Daarin staat: Het derde en vierde lid regelen de rechtsgevolgen van overschrijding van de termijn voor indiening van de aanvraag tot vaststelling. Indien deze termijn wordt overschreden, of indien geen enkele termijn is gesteld, kan het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger aanmanen de aanvraag alsnog, binnen een door het bestuursorgaan te bepalen nieuwe termijn, in te dienen. Deze regeling sluit aan bij hetgeen in artikel 4:5 is bepaald ten aanzien van onvolledige of anderszins ondeugdelijke aanvragen. Indien de aanvraag ook na de bij de aanmaning gestelde nieuwe termijn niet is ingediend, kan het bestuursorgaan de subsidie ambtshalve vaststellen, op basis van de hem ter beschikking staande gegevens. Uit deze toelichting kan niet anders worden opgemaakt dan dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht dat eerst een aanmaning plaatsvindt, voordat de subsidie ambtshalve kan worden vastgesteld. Dit is ook vaste rechtspraak. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 3 augustus 2021. Hoewel het in die uitspraak ging over de toepasselijkheid van het Kaderbesluit, wordt in overweging 6.3 een algemene overweging gegeven over de systematiek van artikel 4:44, derde en vierde lid, van de Awb. Deze uitspraak is dus, anders dan de minister lijkt te stellen in zijn reactie van 16 juli 2026, ook van toepassing op de zaak van eiseres. 7.4 De stelling van de minister in zijn reactie van 16 juli 2026 dat artikel 4;44, derde lid, van de Awb geen verplichting geeft om een aanvullende termijn te geven, is op zich juist. Maar, zoals hiervoor al aangegeven, bestaat die verplichting wel als de minister de subsidie ambtshalve wil vaststellen. Artikel 4:44, vierde lid, van de Awb geeft die bevoegdheid tot ambtshalve vaststelling immers pas als na afloop van de termijn die op grond van het derde lid werd gegeven, nog geen aanvraag is ontvangen. 7.5 De rechtbank stelt vast dat de minister eiseres na afloop van de indieningstermijn niet heeft aangemaand om alsnog een aanvraag in te dienen. De minister heeft zich, in de reactie van 16 juli 2026, op het standpunt gesteld dat door de verlenging van de aanvraagtermijn van 22 februari 2023 naar 26 juli 2023 voor alle subsidie-ontvangers, voldaan is aan artikel 4:44, derde lid, van de Awb. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het wijzigen van de indieningstermijn in de regeling voor alle aanvragers, kan immers niet op een lijn gesteld worden met het aanmanen van een subsidie-aanvrager. Daar komt bij dat deze wijziging van de regeling van 11 december 2022 dateert, ver voor het verzuim van eiseres om tijdig een aanvraag in te dienen, en ook daarom al geen nadere aanmaning om alsnog een aanvraag in te dienen kan zijn. Om van een aanmaning te kunnen spreken, is het noodzakelijk dat iemand persoonlijk wordt aangesproken om alsnog een aanvraag in te dienen. Nu de minister eiseres niet heeft aangemaand een aanvraag in te dienen, was de minister ook niet bevoegd om de subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat het bestreden besluit alleen om deze reden al niet in stand kan blijven. De overige gronden van eiseres hoeven daarom niet nader besproken te worden. Conclusie en gevolgen 8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is omdat sprake is van een bevoegdheidsgebrek. Dit betekent dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het gebrek kan niet worden hersteld, omdat eiseres eerst nog moet worden aangemaand een aanvraag in te dienen. Omdat de aanmaning in tijd voor de ambtshalve vaststelling moet liggen kan de minister dit gebrek niet herstellen binnen deze beroepsprocedure. De rechtbank zal daarom, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb ook het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat ook de terugvordering die met dat besluit is vastgesteld, komt te vervallen. 8.1 Ter informatie van partijen merkt de rechtbank op dat de minister eiseres nu eerst een nieuwe termijn moet geven om alsnog de aanvraag in te dienen. Eiseres heeft in zijn reactie van 6 juli 2026 gesteld dat het niet meer mogelijk is om een aanvraag in te dienen omdat het systeem geblokkeerd is. De rechtbank begrijpt deze stelling zo dat het loket voor het aanvragen van de Now inmiddels is gesloten. Dit betekent echter niet dat een aanvraag niet meer kan worden ingediend. De minister zal aan eiseres moeten meedelen op welke manier zij alsnog de aanvraag, buiten het loket om, kan indienen. Als eiseres binnen de gestelde termijn de aanvraag heeft ingediend, zal de minister op basis van deze aanvraag de subsidie moeten vaststellen. Als eiseres niet binnen de gestelde termijn de aanvraag heeft ingediend, zal de minister alsnog bevoegd zijn om de subsidie ambtshalve (op nihil) vast te stellen. 8.2 Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 6 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage wettelijk kader Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:44, derde lid, Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend kan het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend. Artikel 4:44,vierde lid Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld. Artikel 8:72, derde lid De bestuursrechter kan bepalen dat: a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (Now5) Artikel 17, eerste lid De werkgever vraagt de vaststelling van de subsidie aan vanaf 1 juni 2022, of een eerder tijdstip, dat bekend gemaakt wordt via www.uwv.nl, tot en met 2 juni 2023. Hij dient de aanvraag in door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 9, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Tot 1 december 2022 was de aanvraagtermijn bepaald tot en met 22 februari 2023. Artikel 17, eerste lid, van de Now5 Artikel 4:44, vierde lid, van de Awb Kamerstukken II, 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz 71 ECLI:NL:CBB:2021:800