Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:7186
Woo RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/143 WOO uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Dienst Toeslagen, verweerder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van acht verzoeken van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de verzoeken. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen vier Woo-verzoeken niet in behandeling heeft hoeven nemen en de beslissing op de andere vier Woo-verzoeken onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en/of onvoldoende heeft gemotiveerd . Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft in de periode van 11 november 2024 tot en met 7 december 2024 acht verzoeken op grond van de Woo ingediend. De Dienst Toeslagen heeft deze verzoeken met het besluit van 9 juli 2025 (primair besluit) niet in behandeling genomen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 heeft de Dienst Toeslagen eisers bezwaar ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna heeft eiser nog schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] namens de Dienst Toeslagen. Eiser heeft zich met voorafgaande kennisgeving afgemeld. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Deze procedure heeft betrekking op acht verzoeken op grond van de Woo die eiser heeft ingediend in de periode van 11 november 2024 tot en met 7 december 2024. 1. Met het Woo-verzoek van 11 november 2024 ( [kenmerk 1] ) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van informatie over de behandeling van zijn huurtoeslagdossier met betrekking tot de stopzetting per 1 maart 2020 en de latere correctie en herstelbeschikking van 14 april 2023. 2 Met het Woo-verzoek van 16 november 2024 ( [kenmerk 2] ) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle documentatie betreffende de beoordeling van de specifieke argumenten uit zijn zienswijze. Dit verzoek betreft de periode september 2023 tot heden. 3 Met het Woo-verzoek van 16 november 2024 ( [kenmerk 3] ) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle documentatie betreffende de behandeling van zijn dossier door/voor de Commissie van Wijzen. Dit verzoek betreft de periode september 2023 tot heden. 4 Met het Woo-verzoek van 16 november 2024 (kenmerk 2024-767) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle documentatie betreffende de totstandkoming van het feitenoverzicht in zijn Kinderopvangtoeslag-dossier. Dit verzoek betreft de periode augustus 2023 tot heden. 5 Met het Woo-verzoek van 16 november 2024 ( [kenmerk 5] ) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle documentatie betreffende de beoordeling van zijn situatie in het kader van de hardheidsregeling. Dit verzoek betreft de periode augustus 2023 tot heden. 6 Met het Woo-verzoek van 17 november 2024 (kenmerk 2024-792) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle documentatie betreffende de verwerking van zijn brief van 12 mei 2020 aan de Dienst Toeslagen inzake de heroverweging regeling/kwijtschelding voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebondenbudget. Dit verzoek betreft de periode mei 2020 tot heden. 7 Met het Woo-verzoek van 6 december 2024 ( [kenmerk 7] ) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van bestuurlijke informatie over systeemmarkeringen en behandelcategorieën in de periode van januari 2017 tot en met december 2021. Eiser noemt daarbij onder andere systeemcode ‘ [systeemcode] ’, behandelcategorie ‘ [behandelcategorie 1] ’ en ‘ [behandelcategorie 2] ’-verwijzingen. 8 Met het Woo-verzoek van 7 december 2024 ( [kenmerk 8] ) heeft eiser verzocht om openbaarmaking van bestuurlijke informatie over de procedures voor en gevolgen van het schatten van inkomstenbelasting over jaren 2017 en 2018. 3.1. Op 11 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen eiser bericht dat niet helemaal duidelijk is welke documenten eiser precies nodig heeft. Er wordt voorgesteld om een digitale/telefonische afspraak te maken om de Woo-verzoeken te bespreken. Op 13 april 2025 heeft eiser hierop gereageerd en aangegeven dat hij de voorkeur geeft aan volledige schriftelijke behandeling van zijn Woo-verzoeken per e-mail. Op 29 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen per verzoek opmerkingen gemaakt en/of vragen aan eiser gesteld. Eiser heeft op 13 mei 2025 bericht dat afstelling werkbaar en bespreekbaar is, mits deze de oorspronkelijke reikwijdte en doelstelling van elk afzonderlijk verzoek volledig respecteert. Dat meerdere verzoeken thematisch gerelateerd zijn aan het toeslagendossier doet daar niet aan af: het betreft uiteenlopende bestuurslagen, beleidsonderdelen en procedurele verhoudingen. Vervolgens heeft eiser per Woo-verzoek een toelichting gegeven. Met het bericht van 1 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen per Woo-verzoek specifieke opmerkingen gemaakt en/of vragen aan eiser gesteld ter concretisering van de verzoeken. Met het bericht van 6 juli 2025 heeft eiser aangegeven dat de verzoeken zijn ingediend op grond van artikel 4.1 van de Woo en zien op bestuursinformatie over beleid, interne besluitvorming, werkinstructies en interne communicatie. De toelichting per verzoek die eiser eerder heeft gegeven blijft onverkort van kracht. 3.2. Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen de acht Woo-verzoeken van eiser met toepassing van artikel 4.1, zesde lid, van de Woo niet in behandeling genomen. Eisers verzoeken zijn onvoldoende concreet en er kan redelijkerwijs geen uitvoering worden gegeven aan de openbaarmakingsplicht. Hoewel eiser op 13 mei 2025 een toelichting per verzoek heeft verstrekt blijkt uit die toelichtingen dat de reikwijdte van de verzoeken zodanig breed en onbepaald is dat deze zonder nadere concretisering feitelijk neerkomen op een verzoek om volledige openlegging van gehele werkprocessen, beleidssystemen en interne communicatie over meerdere jaren. Het ontbreken van afbakening in tijd, betrokken organisatieonderdelen of documenttypen maakt het niet mogelijk een gericht zoekproces te starten dat in verhouding staat tot de beschikbare capaciteit. Daarnaast zijn er verschillende verzoeken die overduidelijk zien op (de omgang met) eisers persoonlijke dossier, waar artikel 5.5 van de Woo een meer passende oplossing zou zijn. Daar gaat eiser niet in mee. De Dienst Toeslagen is eiser voldoende behulpzaam geweest bij het preciseren van zijn Woo-verzoek. Eiser is meermaals uitgenodigd om zijn verzoeken nader te concretiseren of toe te lichten in een gesprek of schriftelijke uitwisseling. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Standpunt Dienst Toeslagen 4. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiser in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit dit besluit en het verweerschrift blijkt dat de Dienst Toeslagen zich op het volgende standpunt stelt. De Dienst Toeslagen handhaaft dat eisers verzoeken niet duidelijk en niet concreet zijn. Eiser heeft aangegeven dat hij informatie wil die niet ziet op zijn persoonlijke dossier. Kijkend naar de verzoeken en de titels daarvan lijkt het om gegevens en keuzes omtrent zijn persoonlijke dossier te gaan. Omdat dit niet duidelijk was tijdens de behandeling van zijn verzoeken heeft de Dienst Toeslagen om een toelichting gevraagd. Eiser gaf hierin aan dat meerdere verzoeken thematisch gerelateerd zijn aan het toeslagendossier, maar dat zijn verzoeken uiteenlopende bestuurslagen, beleidsonderdelen en procedurele verhoudingen betreft. Eisers nadere concretisering bleek nog niet duidelijk. Eisers verzoeken en de latere concretisering zijn op zodanige wijze geformuleerd dat het feitelijk neerkomt op een verzoek tot volledige openlegging van gehele werkprocessen, beleidssystemen en interne communicatie over meerdere jaren. Eiser heeft expliciet aangegeven dat het gaat om verzoeken zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Woo. Een afbakening naar persoon als bedoeld in artikel 5.5 van de Woo kan dan ook niet, waardoor de Woo-verzoeken niet voldoende zijn gepreciseerd. De Dienst Toeslagen heeft voldoende inspanningen geleverd om de Woo-verzoeken nader te preciseren, zonder resultaat. Met de e-mails van 11 april 2025, 29 april 2025 en 1 juli 2025 is de Dienst Toeslagen eiser behulpzaam geweest bij het concretiseren van zijn Woo-verzoeken. De Dienst Toeslagen heeft expliciete vragen gesteld over wat eiser per verzoek nodig heeft. Eiser heeft gereageerd dat zijn eerdere concretisering van kracht bleef. Eiser heeft hiermee geen antwoorden gegeven op de vragen van de Dienst Toeslagen. Hoewel de Woo-verzoeken met de reactie van 13 mei 2025 iets concreter zijn geworden, is nog steeds niet duidelijk wat voor documenten eiser precies zoekt. De Dienst Toeslagen heeft eiser de mogelijkheid gegeven om in gesprek te gaan. Eiser wilde dit uitsluitend per e-mail behandelen. Er hoeft niet per onderdeel of verzoek gemotiveerd te worden. Het is niet wenselijk om meerdere keren dezelfde beslissing te nemen. Bovendien staat er geen wetsartikel aan in de weg om de Woo-verzoeken samen te voegen. Daarbij is in het bestreden besluit per Woo-verzoek aangegeven waarom die niet voldoende zijn gepreciseerd. Daarnaast is het zo dat in dit geval herhalingen ook geen redelijk doel dienen, omdat bij alle verzoeken de concretisering ontbreekt. Hoewel eiser stelt dat de verzoeken zien op bestuursinformatie, is de Dienst Toeslagen van mening dat dit niet bij alle verzoeken het geval is. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht waarom de verzoeken betreffende de stopzetting van toeslagen begin 2020, het feitenoverzicht, de behandeling door de Commissie van Wijzen, de hardheidsregeling, de zienswijze en de brief van 20 mei 2020 betrekking hebben op eisers persoonlijk dossier. De beslissing is echter gebaseerd op artikel 4.1, zesde lid, van de Woo. Beroepsgronden 5. Eiser heeft gesteld dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat na de door hem verstrekte toelichting per verzoek nog sprake was van een situatie waarin de Dienst Toeslagen redelijkerwijs niet kon vaststellen op welke informatie de verzoeken zagen. Het bestreden besluit maakt niet per Woo-verzoek kenbaar waarom de toelichting onvoldoende zou zijn. Het bestreden besluit maakt niet inzichtelijk of is bezien of de verzoeken afzonderlijk of in onderdelen behandeld konden worden. Niet blijkt welke onderdelen per verzoek persoonsgebonden zouden zijn noch waarom overige onderdelen niet los daarvan konden worden behandeld. Ook wordt niet inzichtelijk gemaakt welke concrete zoekroute, documentcategorie of afbakening na de verstrekte toelichting nog ontbrak om een werkbare zoekslag uit te voeren. De Dienst Toeslagen verwijst naar het uitblijven van een nadere reactie op de vragen van 1 juli 2025. Deze vragen zagen in belangrijke mate op het meesturen of aanwijzen van reeds bekende stukken teneinde het zoeken te vergemakkelijken. Het bestreden besluit maakt niet kenbaar waarom het niet meesturen of aanwijzen van dergelijke stukken ertoe leidt dat de verzoeken onvoldoende concreet zijn gebleven. In de correspondentie heeft de Dienst Toeslagen ook andere aspecten benoemd, waaronder langdurige capaciteitsproblemen, het voorstel om meerdere Woo-verzoeken samen te voegen en eerdere duiding van afzonderlijke verzoeken onder artikel 5.5 van de Woo. Deze elementen maken deel uit van de feitelijke context waarin het primaire besluit is genomen. Het bestreden besluit bevat hierover geen kenbare weging, terwijl deze context relevant is. 5.1. Eiser heeft in reactie op het verweerschrift gesteld dat het standpunt dat zijn Woo-verzoeken onvoldoende concreet zijn niet houdbaar is. Uit het verweerschrift blijkt dat de Dienst Toeslagen wist op welke verzoeken, onderwerpen en documentcategorieën zijn beroep ziet. De Dienst Toeslagen benoemt de verzoeken afzonderlijk, koppelt deze aan concrete onderwerpen en geeft inhoudelijk weer waarom volgens de Dienst Toeslagen geen behandeling zou hoeven plaatsvinden. Daarmee bevestigt de Dienst Toeslagen dat de bestuurlijke aangelegenheden voldoende bepaalbaar waren. De Woo-verzoeken zagen niet op abstracte thema’s. Het zijn concrete bestuurlijke aangelegenheden gekoppeld aan zijn toeslagendossier, specifieke processtappen en besluitvorming. Dat de Dienst Toeslagen deze verzoeken in het verweerschrift zelf kan rubriceren en duiden, bevestigt dat de verzoeken voldoende concreet waren om ten minste een gerichte zoekslag te verrichten. De Woo-verzoeken staan rechtstreeks in verband met de controleerbaarheid van de besluitvorming in eisers Kinderopvangtoeslag-/Catshuisdossier. In die procedure gaat het onder meer om de volledigheid van het dossier, de interne besluitvorming, het feitenoverzicht, de Commissie van Wijzen-lijn, de hardheidsbeoordeling en de gehanteerde toetsingskaders. De Dienst Toeslagen suggereert dat eisers verzoeken eerder onder artikel 5.5 van de Woo zouden vallen, maar dat miskent de aard van de verzoeken. Voor zover de omvang of arbeidsintensiteit van de verzoeken problemen geeft kan dit geen collectieve afwijzing wegens onvoldoende concretisering dragen. De afwijzing berust niet op een concrete beoordeling van eisers Woo-verzoeken, maar op een algemene kwalificatie vooraf. Dat is onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Juridisch kader 6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep tijdig ingediend? 7. Het bestreden besluit is gedateerd op 3 november 2025. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Aangezien het beroepschrift is ingediend op 29 december 2025, is het beroepschrift niet binnen deze termijn ingediend. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest, omdat in de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit wordt vermeld dat eiser voor 30 december 2025 in beroep kan gaan en hij voor deze datum beroep heeft ingesteld. Volgens vaste rechtspraak wordt het op grond van een onjuiste rechtsmiddelenclausule te laat indienen van een beroepschrift in beginsel verschoonbaar geacht. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan in dit geval af te wijken. Het beroep is dus ontvankelijk. Heeft de Dienst Toeslagen eisers Woo-verzoeken terecht niet in behandeling genomen? 8. De rechtbank stelt ten eerste vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers verzoeken niet op grond van artikel 5.5 van de Woo zijn ingediend. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit uitgebreid wordt stilgestaan waarom eisers verzoeken onder artikel 5.5 van de Woo zouden vallen. Eiser heeft duidelijk aangegeven dat wordt verzocht om openbaarmaking op grond van artikel 4.1 van de Woo en niet om inzage op grond van artikel 5.5 van de Woo. Wellicht zien eisers Woo-verzoeken gedeeltelijk op persoonlijke informatie van eiser, maar dit is niet relevant voor de vraag of de verzoeken buiten behandeling kunnen worden gesteld. 9. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen eisers acht Woo-verzoeken op grond van artikel 4.1, zesde lid, van de Woo terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat de verzoeken te algemeen geformuleerd zijn. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 9.1. In het geval een verzoek te algemeen geformuleerd is, moet een bestuursorgaan op grond van artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo de verzoeker vragen om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam. Het gaat om het gezamenlijk zoeken naar een rechtvaardige invulling van het verzoek. De Dienst Toeslagen moet dus de gelegenheid bieden om het Woo-verzoek te concretiseren en van eiser mag verwacht worden dat hij daaraan meewerkt. Hoewel eiser niet kan worden verplicht tot mondeling overleg met de Dienst Toeslagen, zou dit naar het oordeel van de rechtbank voor zowel de Dienst Toeslagen als eiser wel beter zijn geweest om te komen tot concretisering. 9.2. Op grond van artikel 4.1, zesde lid, van de Woo kan het bestuursorgaan besluiten een verzoek niet te behandelingen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als hiervoor bedoeld. Hieronder valt ook de situatie dat het verzoek na specificering nog steeds te algemeen is. 10. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat in één besluit wordt beslist op acht Woo-verzoeken, maar dan is wel vereist dat de motivering voor ieder van die verzoeken correct is. Hierna beoordeelt de rechtbank per verzoek of de motivering voldoende is. 10.1. Huurtoeslag ( [kenmerk 1] ) De rechtbank is met de Dienst Toeslagen van mening dat het Woo-verzoek van eiser over de huurtoeslag te algemeen is geformuleerd en dat nadere specificering dus noodzakelijk is. De door de Dienst Toeslagen op 29 april 2025 gestelde vraag of eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de in het Woo-verzoek genoemde beschikkingen, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet relevant in het kader van de Woo. Eisers verzoek is namelijk niet ingediend in het kader van een bezwaarprocedure. De vraagstelling op 1 juli 2025 of eiser stukken wenst te ontvangen over de interne besluitvorming en het beoordelingsproces, is niet gericht op concretisering. Uit het Woo-verzoek blijkt namelijk al dat het verzoek daarop ziet. De Dienst Toeslagen is dus onvoldoende behulpzaam geweest bij precisering van eisers Woo-verzoek betreffende de huurtoeslag. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit met betrekking tot dit verzoek onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in het verlengde daarvan onvoldoende is gemotiveerd. In zoverre komt het bestreden besluit dus voor vernietiging in aanmerking. 10.2. Zienswijze ( [kenmerk 2] ) De rechtbank stelt vast dat eiser met zijn e-mail van 13 mei 2025 adequaat heeft gereageerd op de vraagstelling van de Dienst Toeslagen van 29 april 2025 betreffende zijn Woo-verzoek over zijn zienswijze. De rechtbank constateert verder dat de Dienst Toeslagen in de e-mail van 1 juli 2025 heeft aangegeven dat er gezocht kan worden naar documenten die zien op de verwerking, eventuele interne bespreking en beoordeling van de zienswijze in het bezwaar met betrekking tot de kinderopvangtoeslag 2017-2018. De Dienst Toeslagen heeft hiermee dus niet gevraagd om nadere concretisering, maar juist bevestigd dat er gezocht kan gaan worden. In het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom dit Woo-verzoek desondanks nog te algemeen geformuleerd is. In zoverre komt het bestreden besluit dus voor vernietiging in aanmerking. 10.3. Commissie van Wijzen ( [kenmerk 3] ) De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen in de e-mail van 29 april 2025 geen vraag stelt over eisers Woo-verzoek betreffende de Commissie van Wijzen. Daarin wordt immers alleen aangegeven dat eiser een Woo-verzoek kan indienen bij de Commissie van Wijzen en dat hun werkwijze al openbaar is. De vraag van de Dienst Toeslagen in de e-mail van 1 juli 2025 of eiser documenten wil opvragen die uitleg geven over de documenten die zijn bijgehouden ten tijde van de behandeling van zijn dossier bij de Commissie van Wijzen, is naar het oordeel van de rechtbank al beantwoord met eisers Woo-verzoek en zijn toelichting van 13 mei 2025. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voldoende concreet verzoek. De Dienst Toeslagen heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek te algemeen geformuleerd is om in behandeling te nemen. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. 10.4. Feitenoverzicht ( [kenmerk 4] ) De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen in de e-mails van 29 april 2025 en 1 juli 2025 eiser heeft verzocht om het feitenoverzicht toe te zenden waarop zijn Woo-verzoek ziet, omdat niet duidelijk is waarop dit ziet. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een terecht verzoek, gezien de te algemene omschrijving in zijn Woo-verzoek. Eiser heeft echter nagelaten om het feitenoverzicht over te leggen, zodat hij ten onrechte niet correct gereageerd heeft op het verzoek van de Dienst Toeslagen. Eiser heeft dus onvoldoende meegewerkt aan de precisering van zijn Woo-verzoek. De Dienst Toeslagen heeft dit Woo-verzoek dan ook terecht buiten behandeling gesteld. 10.5. Hardheidsregeling ( [kenmerk 5] ) De Dienst Toeslagen heeft in de e-mails van 29 april 2025 en 1 juli 2025 met betrekking tot het Woo-verzoek dat ziet op de hardheidsregeling gevraagd of eiser de reactie op zijn verzoek kan meesturen en of dit een reactie vanuit UHT of een andere afdeling binnen de Dienst Toeslagen was. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een terecht verzoek, gezien de algemene omschrijving in zijn Woo-verzoek. Eiser heeft echter nagelaten om dit stuk toe te zenden en te reageren op deze vraag, zodat niet duidelijk is geworden op welke hardheidsregeling eisers Woo-verzoek ziet. De Dienst Toeslagen heeft dit Woo-verzoek dan ook terecht buiten behandeling gesteld. 10.6. Brief van 12 mei 2020 ( [kenmerk 6] ) De rechtbank is met de Dienst Toeslagen van mening dat het Woo-verzoek van eiser betreffende de brief van 12 mei 2020 te algemeen is geformuleerd en dat nadere specificering dus noodzakelijk is. De door de Dienst Toeslagen gestelde vraag op 29 april 2025 of eiser bezwaar heeft gemaakt in die procedure, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet relevant in het kader van de Woo. Eisers verzoek is namelijk niet ingediend in het kader van een bezwaarprocedure. Het verzoek van de Dienst Toeslagen aan eiser op 29 april 2025 en 1 juli 2025 om de brief van 12 mei 2020 toe te zenden, is naar het oordeel van de rechtbank wel relevant om te bepalen waar het Woo-verzoek op ziet. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat niet duidelijk is in welk kader en bij welke instelling deze brief is ingediend en dat meerdere systemen moeten worden doorzocht om deze brief te lokaliseren, terwijl sommige systemen niet door de Dienst Toeslagen doorzoekbaar zijn. Het was dus aan eiser om ter concretisering van zijn Woo-verzoek een kopie van deze brief te overleggen. Dit heeft eiser nagelaten. De Dienst Toeslagen heeft dit Woo-verzoek dan ook terecht buiten behandeling gesteld. 10.7. Systeemmarkeringen en behandelcategorieën ( [kenmerk 7] ) De rechtbank is met de Dienst Toeslagen van mening dat het Woo-verzoek van eiser betreffende de systeemmarkeringen en behandelcategorieën te algemeen is geformuleerd en dat nadere specificering dus noodzakelijk is. Zonder dat is het verzoek niet begrijpelijk. De Dienst Toeslagen heeft met de e-mails van 29 april 2025 en 1 juli 2025 dan ook terecht gevraagd over welke systeemmarkeringen en behandelcategorieën eiser het precies heeft en hem verzocht een document te overleggen waarin de systeemcode [systeemcode] wordt genoemd. Hierop heeft eiser niet gereageerd. De Dienst Toeslagen heeft dit Woo-verzoek dan ook terecht buiten behandeling gesteld. 10.8. Schatten van inkomstenbelasting ( [kenmerk 8] ) De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen eisers Woo-verzoek betreffende de inkomstenbelasting terecht voor een deel heeft doorgestuurd aan de Belastingdienst. In de e-mails van 29 april 2025 en 1 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen echter geen vragen gesteld ter precisering voor het andere deel.Er is alleen een toelichting gegeven over hoe wordt omgegaan met het inkomen dat de Belastingdienst doorgeeft. De Dienst Toeslagen is dus onvoldoende behulpzaam geweest bij precisering van dit Woo-verzoek. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit met betrekking tot dit verzoek onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in het verlengde daarvan onvoldoende is gemotiveerd. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Conclusie en gevolgen 11. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de Woo-verzoeken met de volgende onderwerpen en kenmerken: Huurtoeslag ( [kenmerk 1] ), Zienswijze ( [kenmerk 2] ), Commissie van Wijzen ( [kenmerk 3] ) en Schatten van inkomstenbelasting ( [kenmerk 8] ). Voor de overige vier Woo-verzoeken blijft het bestreden besluit in stand. 11.1. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De reden hiervoor is dat de Dienst Toeslagen en eiser opnieuw informatie zullen moeten uitwisselen. De rechtbank geeft partijen daarbij in overweging dat het goed zou zijn als dit via mondeling overleg plaatsvindt. Ook zal de rechtbank niet met een tussenuitspraak de Dienst Toeslagen opdragen om het gebrek te herstellen, omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 11.2. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de Dienst Toeslagen op de genoemde vier Woo-verzoeken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor vier maanden. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist. 11.3. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 3 november 2025 voor zover dit betrekking heeft op de Woo-verzoeken betreffende de huurtoeslag ( [kenmerk 1] ), zienswijze ( [kenmerk 2] ), Commissie van Wijzen ( [kenmerk 3] ) en het schatten van de inkomstenbelasting ( [kenmerk 8] ); draagt de Dienst Toeslagen op binnen vier maanden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser betreffende deze vier Woo-verzoeken met inachtneming van deze uitspraak; draagt de Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 4 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet open overheid Artikel 4.1 1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. (…) 4. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. 5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam. 6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Artikel 5.5 1. Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. (…) Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4270).