Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:7180
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/3573 en 25/3681 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaken tussen 1. [eiseres] (de wildbeheereenheid) uit [plaats] , eiseres, (25/3573), (gemachtigden: mr. R. Lie-A-Lien en [gemachtigde] ), en 2. [eiser] (de boa) uit [woonplaats] , eiser, (25/3681), (gemachtigde: mr. M. Busse), hierna gezamenlijk aangeduid als eisers, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris), verweerder. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de wildbeheereenheid om extra geweldsmiddelen ten behoeve van de boa, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Eisers voeren een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het niet noodzakelijk is om de boa uit te rusten met een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris met de adviezen van de toezichthouders onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet noodzakelijk is om de boa uit te rusten met een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen . Daarnaast is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Eisers krijgen gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de wildbeheereenheid ongegrond verklaard. 2.2. Eisers hebben - afzonderlijk van elkaar - beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De staatssecretaris heeft gereageerd op de beroepen met een verweerschrift. 2.4. Met de beslissing van 13 januari 2026 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaken naar een meervoudige kamer verwezen. 2.5. De rechtbank heeft de beroepen op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de boa, de gemachtigde van de boa, de gemachtigden van de wildbeheereenheid en namens de staatssecretaris mr. T.J. Crom en mr. M.H. Kazem. 2.6. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn in beide zaken met zes weken verlengd. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3.1. De wildbeheereenheid is belast met het in stand houden en onderhouden van de terreinen en wateren die bij haar in gebruik zijn. De boa is al jaren in dienst bij de wildbeheereenheid als boa domein II (milieu, welzijn en infrastructuur). De boa heeft als functieomschrijving flora- en faunabeheerder en is hoofdzakelijk belast met de opsporing van (economische) milieudelicten. 3.2. Op 5 juni 2024 heeft de wildbeheereenheid een aanvraag gedaan ten behoeve van de boa om verlenging van de eerder toegekende opsporingsbevoegdheid en de eerder toegekende politiebevoegdheden conform artikel 7, eerste, derde en vierde lid van de Politiewet 2012. Daarnaast vraagt de wildbeheereenheid om verlenging van het eerder toegekende vrijheidsbeperkende middel handboeien en de eerder toegekende geweldsmiddelen pepperspray, uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. 3.3. Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het voornemen kenbaar gemaakt om de aanvraag van de wildbeheereenheid af te wijzen, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Gelet op de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket in Amsterdam (hierna: toezichthouder) en de korpschef van de Nationale Politie (hierna: direct toezichthouder) is de staatssecretaris van mening dat de noodzaak voor het toekennen van de aanvraag onvoldoende is aangetoond. 3.4. Op 20 augustus 2024 heeft de wildbeheereenheid haar zienswijze kenbaar gemaakt tegen het voornemen. 3.5. Met het besluit van 30 augustus 2024 (primair besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag 4.6. Het voorgaande betekent dat de boa als belanghebbende moet worden aangemerkt bij zijn beroep gericht tegen het bestreden besluit (25/3681) en bij het beroep van de wildbeheereenheid (25/3573). Zoals op zitting met partijen is besproken komt de rechtbank dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van de boa tegen het aan de wildbeheereenheid gerichte bestreden besluit. Bestreden besluit 5.1. De staatssecretaris heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag van de wildbeheereenheid mocht worden afgewezen, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Allereerst slaagt het beroep van de wildbeheereenheid op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet. De toezichthouders hadden bij de aanvragen van de wildbeheereenheid in 2014 en 2019 weliswaar positief geadviseerd, maar de aanvragen niet getoetst aan de destijds geldende criteria uit de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: de Beleidsregels). Het vuurwapen is in 2014 en 2019 onterecht toegekend, omdat de staatssecretaris te lichtvaardig te veel waarde had toegekend aan de enkele uitkomst van de niet onderbouwde adviezen van de toezichthouders, in plaats van zelf een volledige toetsing te doen. Dat in het verleden een onjuiste beslissing is genomen, betekent niet dat dit moet worden herhaald. 5.2. De staatssecretaris heeft de aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen beoordeeld aan de hand van de in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels opgesomde criteria a tot en met c en de bijzondere criteria voor een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen als genoemd in Bijlage A bij de Beleidsregels. Soort wetsovertredingen (criterium a) De wildbeheereenheid heeft weliswaar taken op het gebied van trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en registratie van dood gevonden dieren, maar de wildbeheereenheid is niet belast met toezicht op de naleving van flora- en fauna-activiteiten, zoals stroperij en jachtbepalingen. Hoewel deze taken wel zijn opgenomen in de taakomschrijving, mag de boa zijn opsporingsbevoegdheid niet inzetten voor deze taken en deze taken kunnen dan ook niet bijdragen aan de onderbouwing van de noodzaak voor het toekennen van geweldsmiddelen, aldus de staatssecretaris. De aard van de te verwachten agressie (criterium b) De staatssecretaris is het met de wildbeheereenheid eens dat bij handhaving op stroperij de aard van de te verwachten agressie eerder fysiek dan verbaal is, omdat hierbij een groter financieel gewin een rol speelt. Maar de wildbeheereenheid heeft volgens de toelichting van de staatssecretaris niet aannemelijk gemaakt dat zij door het bevoegd gezag is aangewezen als toezichthouder die is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens de Omgevingswet (Ow), daaronder begrepen stroperij en jacht. De boa mag zijn opsporingsbevoegdheden volgens de staatssecretaris niet inzetten voor activiteiten zoals stroperij en deze taken heeft de staatssecretaris dan ook buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de aard van de te verwachten agressie. Redelijke verwachting (bijzonder criterium a) De staatssecretaris is het met de wildbeheereenheid eens dat het bij de beoordeling van dit criterium niet gaat om de vraag of de boa in het verleden daadwerkelijk is geconfronteerd met (vuur)wapens of gebruik heeft moeten maken van geweldsmiddelen. De aard van het strafbare feit en de daarbij behorende mate van gevaarzetting is hierbij leidend. Ook is het juist dat stroperij niet zelden gepaard gaat met (vuur)wapens. De wildbeheereenheid heeft echter volgens de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van stroperij in het werkgebied van de boa. Wel heeft de wildbeheereenheid met de overgelegde registraties over schoten en kogelgaten in verkeersborden aangetoond dat er (vuur)wapens worden gebruikt in het werkgebied van de boa. Het blijft echter onduidelijk of deze meldingen zijn te relateren aan stroperij. Het valt niet uit te sluiten Deze gelijke gevallen worden dus ongelijk behandeld. 7.2. Daarnaast wordt in het geval van de boa een te strenge uitleg van het noodzaakscriterium toegepast. De staatssecretaris toetst namelijk aan de vraag hoeveel incidenten er in de afgelopen twaalf maanden hebben plaatsgevonden waarbij de boa geweldsmiddelen nodig had. Dat de bevoegdheden van de boa’s van de Belastingdienst/Douane categoriaal zijn toegekend, waarbij de boa’s kunnen beschikken over een korte wapenstok, pepperspray en vuurwapen, rechtvaardigt niet een andere, minder strenge uitleg van het noodzaakscriterium zoals opgenomen in de Beleidsregels dan in het geval van een individuele aanvraag van bevoegdheden. Het noodzaakscriterium moet in alle gevallen op dezelfde manier uitgelegd worden in het kader van de rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en het vertrouwensbeginsel. 7.3. Ten slotte verwijst de boa naar wat door de wildbeheereenheid is aangevoerd in het beroep met zaaknummer 25/3753. Oordeel van de rechtbank Omvang van het geding 8. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het niet noodzakelijk is om de boa uit te rusten met een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Wat zijn de bevoegdheden van de boa? 9.1. Artikel 25, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Bbo) bepaalt dat de buitengewoon opsporingsambtenaar de opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, beperkt tot wat nodig is voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd. Hij onthoudt zich van elk optreden waartoe hij niet bevoegd is. 9.2. De boa heeft volgens zijn arbeidsovereenkomst met de wildbeheereenheid als functieomschrijving flora- en faunabeheerder domein II (Milieu, Welzijn en Infrastructuur). De boa is jachtopzichter en in hoofdzaak belast met de opsporing van (economische) milieudelicten. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld wildstroperij, visstroperij en afvaldumpingen. De toezichthouders bevestigen deze taken van de boa in hun adviezen van 8 april 2024 respectievelijk 8 mei 2024 en de e-mails van 2 december 2024 respectievelijk 5 december 2024. 9.3. De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit staat dat de staatssecretaris de adviezen van de toezichthouders heeft overgenomen maar dit is onjuist. De staatssecretaris wijkt juist af van de adviezen door zich op het standpunt te stellen dat wildstroperij niet tot de opsporingsbevoegdheid van de boa behoort. Anders dan de staatssecretaris doet, maken de toezichthouders ook geen onderscheid tussen het optreden bij lichte en bij zware criminaliteit. De staatssecretaris neemt alleen de conclusie uit de adviezen over om de gevraagde extra geweldsmiddelen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen af te wijzen. De rechtbank volgt deze inconsistente motivering van de staatssecretaris niet. Dit levert een gebrek op in het bestreden besluit. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de opsporing van wildstroperij op grond van de arbeidsovereenkomst en de op dit punt eenduidige adviezen van de toezichthouders onder de bevoegdheid van de boa valt. Op zitting is ook de bevoegdheidsverdeling tussen de wildbeheereenheid en de regionale uitvoeringsdienst (namens Gedeputeerde Staten) besproken. De rechtbank overweegt in dit kader dat deze bevoegdheidsverdeling vóór de inwerkingtreding van de Ow niet anders is geweest en dat het feit dat ook anderen deze (bestuursrechtelijke) taken hebben, niet betekent dat de boa die taken niet heeft. Noodzaakcriterium 10.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Bbo, wordt een opsporingsbevoegdheid verleend als die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de buitengewoon opsporingsambtenaar, en wanneer een beroep op de politie daarbij bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. Dit criterium is nader uitgewerkt in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels. Het noodzaakcriterium wordt op basis van de Beleidsregels ook gehanteerd voor de toekenning van gewel Tenslotte wordt ook de frequentie waarin de desbetreffende boa alleen opereert betrokken in de beoordeling. Ook voor het toekennen van een vuurwapen zijn aanvullende criteria gegeven in bijlage A van de Beleidsregels: Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Het is, indien zich een geval als onder 1. genoemd voordoet, bezwaarlijk of onmogelijk om een beroep te doen op de politie. Het is bezwaarlijk of onmogelijk om op een andere, minder ingrijpende wijze in de beveiliging van de eiser te voorzien. 12.2. De criteria b en c staan tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank moet beoordelen of de staatssecretaris tot het oordeel kon komen dat er geen redelijke verwachting bestaat dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid kan komen te verkeren, waarin hij of anderen met onmiddellijk gebruik van een (vuur)wapen wordt geconfronteerd. 12.3. De staatssecretaris voert aan dat, op basis van de adviezen van de toezichthouders en de incidentenoverzichten, geen sprake is van een redelijke verwachting dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de omstandigheid kan komen te verkeren waarin hij met onmiddellijk gebruik van een (vuur)wapen wordt geconfronteerd. De rechtbank volgt dit standpunt van de staatssecretaris niet. 12.4. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, alleen al omdat het optreden bij wildstroperij tot de taken van de boa hoort, een redelijke verwachting dat de boa met een (vuur)wapen wordt geconfronteerd. In het geval van wildstroperij is namelijk per definitie sprake van het gebruik van een vuurwapen. Daarnaast kan het incidentenoverzicht meetellen als extra onderbouwing van de redelijke verwachting, maar deze kan niet gebruikt worden om de noodzaak te doorkruisen. Dit maakt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat het, gelet op de taakstelling van de boa, niet de redelijke verwachting is dat hij snel zal worden geconfronteerd met vuurwapengebruik. Dit vraagt een nadere toelichting, die nu ontbreekt. 12.5. Verder acht de rechtbank relevant dat de boa al sinds 2012 over een vuurwapen en een uitschuifbare wapenstok beschikt en deze drie keer eerder door de staatssecretaris zijn toegekend. De toezichthouders hebben bij deze eerdere toekenningen positief geadviseerd. Dat bij deze drie eerdere toekenningen door twee verschillende toezichthouders herhaaldelijk dezelfde fout is gemaakt, zoals de staatssecretaris nu beweert, acht de rechtbank zonder nadere toelichting onaannemelijk. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris bij e-mail van 11 juli 2024 aan de toezichthouders heeft verzocht om nader te onderbouwen waarom in de voorafgaande periodes vanaf 2012 wel een vuurwapen is toegekend en wat er nu gewijzigd is. Bij e-mail van 29 augustus 2024 heeft de staatssecretaris opeens geschreven dat een antwoord van de toezichthouders - gelet op de termijnen - niet meer nodig is. Er is dus geen nadere motivering gekomen van de toezichthouders die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Het bestreden besluit is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid. Conclusie en gevolgen 13.1. De beroepen zijn gegrond, omdat de staatssecretaris met de adviezen van de toezichthouders onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij de geweldsmiddelen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen mocht weigeren. Daarnaast is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank, gelet op de aard en de omvang van de hiervoor geconstateerde gebreken, geen aanleiding voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus, zoal Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 4, eerste lid Een akte van opsporingsbevoegdheid wordt verleend, een aanwijzing wordt gedaan, dan wel een aanvullende opsporingsbevoegdheid wordt toegekend, indien die opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de desbetreffende persoon of de dienst waarbij hij werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. Artikel 25, eerste lid De buitengewoon opsporingsambtenaar beperkt de opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, tot hetgeen nodig is voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd. Hij onthoudt zich van elk optreden waartoe hij niet bevoegd is. Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar 3.2. Criteria toekenning bevoegdheden Criteria toekenning opsporingsbevoegdheid: noodzaakcriterium Conform het BBO wordt een titel van opsporingsbevoegdheid verleend dan wel verlengd indien daartoe noodzaak bestaat en de boa betrouwbaar en bekwaam is. Er is voldaan aan het noodzaakcriterium wanneer naar het oordeel van de Minister van Justitie en Veiligheid, de opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de betreffende persoon of de dienst waarbij deze werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. 6 Over de noodzaak voor toekenning van (extra) opsporingsbevoegdheid wordt door de boa-werkgever advies gevraagd aan de direct toezichthouder en toezichthouder als bedoeld in artikel 1, vierde lid, BBO. Zie ook paragraaf 3.5 Toezicht op boa’s. In Domein I Openbare Ruimte geldt een afwijkende procedure voor zover het gaat om een aanvraag van gemeenten tot uitbreiding van het aantal boa’s. Hier vindt de toetsing op noodzaak plaats in de lokale driehoek.7 Criteria toekenning geweldsmiddelen Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldsmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. Derhalve worden slechts in uitzonderlijke gevallen geweldsmiddelen aan anderen toegekend. Mede vanuit de doelstelling van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) wordt een restrictief beleid gehanteerd. Het toekennen van geweldsmiddelen aan een boa geschiedt slechts indien de noodzaak hiertoe door de aanvrager aangetoond is en indien zijn bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook artikel 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, hierna: Rwm). Het toekennen van geweldsmiddelen wordt tevens afhankelijk gesteld van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met geweld of dreiging met geweld wordt geconfronteerd. Elke aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: Voor welke soort wetsovertreding(en) is de opsporingsbevoegdheid verleend? Bij het handhaven van artikelen uit het Wetboek van Strafrecht kan het gebruik van een geweldsmiddel meer proportioneel zijn dan bijvoorbeeld bij het handhaven van het ordeningsrecht. Wat is de aard van de te verwachten agressie? Toekenning van een geweldsmiddel kan geïndiceerd zijn indien de verwachting is dat de boa daadwerkelijk te maken krijgt met fysiek geweld, in tegenstelling tot situaties waarbij de te verwachten agressie louter verbaal van aard is. Over welke geweldsmiddelen kan de boa op basis van zijn taakstelling beschikken? Indien het bezwaarlijk of onmogelijk is om op een andere wijze te voorzien in de veiligheid van de boa, kan hem een geweldsmiddel worden toegekend. Bij de beoordeling van een aanvraag kan, in samenhang met bovenstaande elementen genoemd onder a t/m c, de frequentie en mate waarin zich in het verleden situaties voorgedaan waarbij bewapening wenselijk was geweest, worden betrokken. Het belang van concrete informatie hieromtren